Ad Valvas 1980-1981 - pagina 422
AD VALVAS — 22 MEI 1981
12
Een van de redenen waarom se de Tdburgse Hogeschool nooit zoals de Rotterdamse tot universtteit hebben verheven schijnt gelegen te hebben inde wat moeilijk te hanteren afkorting die dan naar analogie van de Katholieke Universiteit Nijmegen 20U sijn ontstaan. KUT. Het is trotuirens maar goed dat se de nieuwe universiteit van Limburg geen katholieke signatuur hebben gegeven icant het staat toch wat genant om als KUL-hoogleraar te worden aangeduid in de pers al is het altijd nog beter dan KUT-hoogleraar. NULhoogleraren sijn er trouwens wel in het academisch wereldje al moet je
daarvoor helemaal naar Lesotho. Sinds de verschijning van het afkortingenlijstje op de VU weten we nu ook eindelijk waarom sommige nota's eerst naar OPA moeten voordat se bij ATOOM belanden. Eerst dus naar het Overleg Personeelsaangelegenheden en dan naar het Ambtelijk Technisch Overleg Over de Middelenverdeling. Ook begrijpen we nu pas goed hoe het komt dat sommige lieden aan de VU so door de WOL sijn geverfd. Die maken immers deel uit van de Werkgroep Overige Lasten. Als ik de bestuurlijke term WORSAraming hoor denk ik altijd aan de Wolga of so. In centralistische landen als de S.U. werken se namelijk al meer dan een halve eeuw met ramingen in het kader van vijf- en tienjarenplannen. Opvallend is dan ook dat die ramingen onlangs sijn omgedoopt tot WORISOV-ramingen: dat klinkt nóg sovietesker. Wat ITT-afspraken sijn wist ik tot
Mensen van de VU "k Heb mijn hele leven ermee rekening gehouden dat ik vroegtijdig zou moeten stoppen. Als je een handicap hebt, weetje nooit precies hoe het zich ontwikkelen zal. Een paar jaar geleden merkte ik: er klopt iets met met het ene oog van me; sommige dingen gaan niet zo goed meer. 'k Ben naar de oogarts gegaan die het bevestigde: het oog is achteruit gegaan. Dan krijg je toch een opduvel, hoewel je het voor jezelf al had geconstateerd, 'k Ben daarna naar de BGD gestapt en heb een soort glijdende werktijd gekregen: eerst een uurtje minder, vervolgens halve werkdagen. Maar nu ben Ik op een punt beland dat ik zeg: ik stop ermee. M'n gezichtsvermogen is aan schommelingen onderhevig. Als ik met het werk ophoud, dan gaat het zich misschien wat stabiliseren. En als ik dan nog een poosje mag blijven zien, dan wil ik ervan genieten, en wel op mijn manier. Kreeg wel reacties in de trant van: vind je het niet jammer om nu te gaan stoppen, je functioneert toch wel goed; is het niet zonde voor je pensioen? Maar wat interesseert mij het! 'k Heb altijd op het stands punt gestaan dat ik werk om te leven, en dat ik met leef om te werken. Ik vind het werken alleen belangryk in dier voege dat het in je onderhoud voorziet. Als je een handicap hebt, dan leer je ook slimmigheit^es aan om ermee te leren leven. Een voorbeeld. Ik kan moeUijk met de hand schrijven. Dus nam ik een schrijfmachientje mee naar het magazijn en tikte ik de bonnen van inkoop. Overigens heb ik het magazijn zelf opgebouwd, want toen ik hier kwam was er niets. Dan weetje natuurlijk precies waar alles staat, 't Was verder mijn taak het assortiment van kantoorbenodigdheden samen te stellen en te zorgen dat de voorraad op peil bleef. Toen ik van het ziekenhuis hier bij de bibliotheek terecht kwam, moest ik wel even wennen. De sfeer en de mensen waren heel anders. D'r wordt in een ziekenhuis veel geleden, maar je kunt er erg veel plezier maken. Ik vond de sfeer hier in het begin erg boekenwurmeng. De eerste tijd werd ik zelfs een paar keer op mijn vingers getikt omdat ik te joviaal zou zijn. Maar gaandeweg is de omvang veel losser geworden. De mensen gaan nu veel amicaler met elkaar om en zijn gauwer bereid tot een grapje over en weer. In hoeverre ik daartoe bijgedragen heb, weet ik niet. ' Heb grappige dingen meegemaakt die met mijn handicap te maken hebben. Ik ben onder behandeling, of liever gezegd onder controle, bij de polikliniek van de VU. Bij een bezoek vroeg de oogarts aan me of hij iets leuks mocht uithalen. Ik
vond het prima. Hij had een co-assistent by zich aan wie hij vroeg om mijn rechteroog na te kijken. Nu moet je weten dat dat oog een prothese is die ik al heb vanaf mijn negende jaar. De co-assistent ging spiegelen en ik speelde het spelletje mee . . . beetje knipperen . . . beetje draaien. "Nou," vroeg de dokter, "wat denkt u ervan?" De co-assistent dacht na, liet een paar inge-
Piet van Vuuren magazijnmeester Nam dese week afscheid als magasijnmeester van de centrale bibliotheek waar hij sedert '73 werksaam was. Daarvoor werkte hij negen jaar bij de transportdienst van het VU-siekenhuis. Van Vuuren (60) is op eigen versoek afgekeurd vanwege sijn gesichtsvermogen. Aan één oog is hij blind, met het andere siet hij erg slecht. Hij is actief in de Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtsienden. * wikkelde medische termen vallen en zei zoiets van: het zal wel dat en dat zijn. De dokter haalde toen het oog uit het hd, tot stomme verbazing van de co-assistent... De oog-
Gaigala
maandag jl. werkelijk niet. Ik sat dan meestal aan telefoonmaatschappijen, teetee-Yaces of engelse vakbonden te denken. Het blijkt echter om het model Intentionele Taakstelling en Toewijsing te gaan. Het lijstje met afkortingen uit het bestuurlijk universitair jargon is trou^ wens lang niet kompleet al tel ik er wel 258 m het boekje. Zo mis ik bijvoorbeeld de namen van de bonden en de alternatieve ambtenaren: de ABVA, de CFO en het AAA. Dat sijn, lastig als dese organisaties sijn voor het VU-bestuur, vast en zeker freudiaanse omissies. Ook mis ik bekende voorletterkombinaties op de VU. Niet ieder weet misschien wie H.J. is maar ongetwijfeld iedereen weet waar hij met I.A. aan toe is. Tenslotte ontbreekt in het handsame lijstje uüleg over de diepere betekenis van de X- en y-waarden en y- en wmethode, waarmee H.J. altijd sijn diskussiepartners in de war probeert te brengen. Geen afkortingen seker.
arts heeft hetzelfde grapje later nog eens uitgehaald bij twee, drie andere co-assistenten. Ze liepen er allemaal in . . . Wat mij verder ook gefrappeerd heeft, is de manier waarop kinderen reageren op je handicap. Toen ik nog in het ziekenhuis werkte, kwam ik vaak op de kinderafdeling. Dan zaten ze je aan te kijken. Ze voelden aan dat er iets met je aan de hand was. Dan kreeg je wel eens een opmerking te horen van: "meneer, wat heeft u rare ogen..." Het jaar van de gehandicapten zegt me niets. Zoiets getuigt van een gebrek aan belangstelling van de ene mens voor de andere. Gehandicapten bestaan er al zolang als de aarde bestaat. Misschien zal er een gebouw meer aangepast worden •maar verder . . . 't is waarschijnlijk een leuke kluif voor het welzijnswerk. Daar heb ik een zekere aversie tegen. Opbouwwerkers . . . sociale werkers . . . wat voor werkers ook, het maakt de mensen minder weerbaar, 'k Weet w e l . . . je hebt sterke en minder sterke figuren, en een zekere hulp is nodig. Maar ik krijg soms de indruk dat, als er geen problemen zijn, het welzijnswerk ze wel opzoekt. Ik heb altijd mijn eigen boontjes gedopt. Ik ben weliswaar geen professor geworden, maar ik ben voor mijn doen toch aardig door het leven gewandeld, 'k Zeg altijd: mens, help je zelf, zo helpe je God. In het verenigingswerk bezoek ik mensen die op oudere leeftijd of door een ongeluk blind geworden zijn. 't Zijn niet de prettigste bezoekjes, maar het moet gedaan worden. Ik praat met ze en maak ze attent op bepaalde faciliteiten. Ik zeg niet tegen ze: dit moetje doen. Ik wil niet ingrijpen in het leven van de mensen zelf; dat wordt van bovenaf al gedaan door die handicap. Je moet de gehandicapten alleen helpen in het sichself helpen. Soms praten we wel epns met welzijnswerkers over meer samenwerking. Dan worden ze een beetje kopschuw en hoor je ze als het ware denken: wat moeten wij dan gaan doen? 't Is misschien wat zwart-wit geredeneerd maar dat krijg je als je ziet hoeveel miljoenen in het welzijnswerk gestopt worden, terwijl wij als gehandicaptenorganisatie moeten knokken voor een paar centen subsidie. Wat de VU betreft, ik heb hier altijd veel begrip ontmoet voor m'n handicap, zonder dat iemand me ooit heeft laten voelen of merken dat ik een handicap had. 'k Zal het altijd blijven waarderen. Als het met andere gehandicapten hier ook zo gesteld is, dan knjgt de VU van me een pluim op de hoed.'
De correspondentie van doctor Degen Dr. F.M. Degen De Boelelaan 1105 Amsterdam
Aan: Mark Kogon Du Berrystraat 8 Huizen (NH) Amsterdam, 18 mei 1981
Beste Mark, ik wil graag je oordeel horen over een paar merkwaardige veranderingen, die zich de laatste tijd aan mij hebben voltrokken. Eigenlijk heb ik twee vragen: A. Ben ik gek of normaal geworden? B. Ben ik in deze ontwikkeling typisch of atypisch voor de Nederlandse intellektueel? Het gaat om de volgende ervaringen. 1. Gelijk iedere intellektueel ben ik een individualist. Iemand die hecht aan zelfstandig denken. Altijd erop uit om me te onderscheiden, apart te staan. Voor kritisch door te gaan. En een oorspronkelijke mening te hebben. Dat dacht ik althans. Maar onlangs realiseerde ik me, dat niets me zoveel plezier geeft als op een zachte zomeravond kapot te zitten en af te zien op mijn Kogomiyata. Ik vind het heerlijk om' me te kleden in het nieuwe uniform van de Amsterdamse intellektueel: Raleighshirtje, Jan Raas-petje en zeemlerenlap onder ballen en billen. Ik meen te zweven, wanneer ik mezelf opgenomen weet m die onafzienbare stroom studenten en wetenschappers, die zich iedere avond weer het leplazarus trappen langs Amstel en IJsselmeerdijk, trainend voor hun fietsvakantie in de Pyreneeën of de Povlakte. Welke academicus heeft geen weloverwogen opinie over de taktiek van Hinault, de psyche van Hennie Kuiper en het I.Q. van Freddie Maertens? 2. Onlangs moest ik vanwege de bruiloft van mijn broertje op tot gods altaren. Nu heb ik in 15 jaar geen enkel gebouw van welke geestelijke club dan ook van binnen gezien. Met enige aarzeling trad ik dus het betreffende heiligdom binnen. Maar het viel niet tegen. De liedjes kende ik niet, maar het huwelijksformulier kon ik nog zo meedreunen. De dominee was een soort kruising tussen Egbert Boeker, Herman Bianchi, Dicky Kuiper en Hans Peddema. Hij was duidelijk met zijn tijd meegegaan. Terloops maar trots vermeldde hij, dat hij ieder jaar zes weken werkte in de Rotterdamse haven. En dan niet als pastoraal toeruster, maar als Rotterdammer met de Rotterdammers. In zijn preek herdacht hij ook een vnend en collega, die op lafhartige wijze was vermoord, toen hij als zendeling in Guatemala zyn solidariteit met de machtelozen daar ter plekke had beleden. Een bewijs te meer dat deze geestelijke leidsman niet tot de conservatieven gerekend diende te worden. Karakteristiek was voorts dat hij ónder de preekstoel stond. In een soort houding, alsof hij ieder moment verwachtte dat een mondige broeder of zuster uit de bank op zou staan om ideologiekritiek uit te oefenen op het strukturele geweld van de wereldzending, of om het evangelie aan een materialistische analyse te onderwerpen. Eenjaar terug zouden al mijn stekels nog overeind zijn gaan staan bij een dergelijke vertoning. Maar nu bekroop me een soort Wilhelmusgevoel. En ik liet het komen, die opwelling van een sentiment van eenheid en verbondenheid met de daar aanwezigen. Raakte ik mezelf kwijt? 3. Vier maanden geleden heb ik eindelijk mijn psychiater aan de kant gezet. Jarenlang spitte ik onder zijn entoesisiste aanmoedigingen in mijn binnenste. Duizenden uren van mijn leven heb ik besteed aan professioneel begeleid diepzielduiken. Maar g'edurende al dat zelfonderzoek vond ik niets dän nieuwe vragen, nieuwe problemen, nieuwe onzekerheden. Hoeveel gesprekken heb ik niet gevoerd met vrienden, kennissen en wildvreemden over de roerselen mijner ziel. Hoe open en eerlijk en kwetsbaar stelde ik me niet tegenover iedereen op, om dan vervolgens mezelf te gaan zitten wijsmaken, dat ik tóch niet echt open was geweest. Resoluut ben ik nu naar boven komen kruipen uit de eindeloze gangen en schachten, die ik in mijn innerlijk groef. En ik ontdek dat er eigenlijk niet zoveel veranderd is. Noch in mezelf, noch buiten mezelf. Ik wil aansluiting zoeken, en die vind ik. Kerken, sekten, paradigma's, mode's, opvattingen en overtuigingen zat om bij te horen. Mogelijkheden te over om mijn navelstaarderij af te leren. Is het Ik-tijdperk voorbij? Zijn het de economische krisis en de versmallende toekomstperspektieven, die me verlossen van mijn zielknijperij en me naar buiten doen kijken? Zijn het infantiele regressieverlangens, die me weer de kerk in voeren? Is het dementia praecox of afwijkangst, die me iedere avond weer op het smalle zadeltje van mijn fiets doet klimmen? Ik hoor graag wat jij er van denkt, Marco. Ik zou dit complex ervaringen namelijk volgend jaar in wUlen brengen, als we in de universiteitsraad weer gaan praten over de nieuwe invulling van de vu-doelstelling. Tot horens.
(B.M.)
) Nooit eerder was [ j de overlevingsr -"handel zo bloeiend^
ÊM O/e
Adverteren is heus verkopen
3fl lic DéAJK DftT l<
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980
Ad Valvas | 466 Pagina's