Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 314

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 314

9 minuten leestijd

AD VALVAS — 13 MAART 1981

6

te plaatsen naar een leidinggevende functie binnen het bedrijf. Opvallend is ook dat de doorstroming naar banen buiten de onderzoekssfeer bij sociale wetenschappers hoger is dan bij de natuurwetenschappen.

Bedrijfsleven kent meer mobiliteit dan universiteiten

Wetenschappelijk onderzoek bedreigd vastroesten onderzoekers I In 1985 zal het wetenschappelijk personeel aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen een aanmerkelijk hogere gemiddelde leeftijd bezitten dan wenselijk is. Bovendien zal dan een teveel aan hoofdmedewerkers het totale personeelsbestand topzwaar hebben gemaakt. Dit maakt het noodzakelijk dat de selectie voor toelating tot de rang senior onderzoeker (meer dan acht jaar onderzoekservaring) verscherpt moet worden. Verder zullen senior-plaatsen omgezet moeten worden in vaste, junior-plaatsen (nu tot vier j a a r ervaring). De dreigende collectieve veroudering zou onder meer ook kunnen worden tegengegaan door de uitstroom van (oudere) onderzoekers naar functies buiten het onderzoek te stimuleren. Dit zijn enkele van de conclusies van het rapport 'Mobiliteit van wetenschappelijke onderzoekers in Nederland', dat onlangs in opdracht van minister A. van Trier van wetenschapsbeleid door SSVTNO (Stafgroep Strategische Verkenningen-TNO werd uitgebracht. Van Trier wilde een systeem-dynamische studie naar de 'mobiliteit van wetenschappelijke ondersoekers vanuit een lange termijn perspectief en tegen de achtergrond van kwaliteit van onderzoek en de werkgelegenheid voor onderzoekers'. Hiermee is tegemoet gekomen aan een behoefte aan feitelijk, statistisch inzicht in een toestand die door velen sinds jaren als vrij alarmerend is aangevoeld. In de 50-er en 60-er jaren was er nog geen vuiltje aan de lucht. De onderzoekscapaciteit in Nederland groeide zeer snel. In de periode van 19601970 IS er zelfs sprake van een, in manjaren gemeten, verdubbeling van het aantal wetenschappers in ons land. De naoorlogse geboortegolf zorgde samen met de steeds groter wordende doorstromingspercentages voor een aanhoudende stijging in de vraag naar universitair onderwijs. Het aantal eerstejaarsstudenten groeide in dit decennium van zeven- tot achttienduizend. Meer onderwijs betekende automatisch meer onderzoek. De economie liet op dat moment nog toe dat er op allerlei gebied naar hartelust werd uitgebreid. De industrie haakte in op deze gehaaste expansie en bouwde meer laboratoria. In 1970 kon dan ook een nationale onderzoeksinspanning van 50.000 manjaren worden genoteerd.

Weinig bekend In het begin van de jaren zeventig ontwaakt ook de zorg over de lage mobiliteit van wetenschappelijke onderzoekers. De gemiddelde leeftijd van de onderzoekers was op dat moment laag. Gevreesd werd dat het geringe natuurlijke verloop (als gevolg van die lage leeftijd) samen met de geringe mobiliteit zou leiden tot een collectieve veroudering van het onderzoekskorps. Deze veroudering werd gezien als een bedreiging voor de creativiteit en de soepelheid van het onderzoek. Momenteel beschikken we over het uitvoerige en met talloze statistieken verluchte TNO-rapport. Een eerste conclusie: de harde cijfers lijken de pessimisten gelijk te geven. Het IS inderdaad zo dat het onderzoekscorps snel zal gaan vergrijzen, dat tegenover het grotere aanbod van academici een stagnerende vraag naar onderzoekers staat, dat de promotiekansen binnen het onderzoek sterk zijn afgenomen en dat, met de nodige nuanceringen, de veroudering een kwaliteitsverslechtering van het onderzoek teweeg kan brengen. De statistieken laten zien dat de leeftijdsopbouw van het onderzoekcorps niet erg gelijkelijk is verdeeld en dat het accent ligt op de leeftijden net onder de veertig. De categorie senioren is groot en op dit moment, relatief, jong. Van deze laat-

ste categorie is veruit het grootste deel vast aangesteld en is de mobiliteit kleiner dan in de lagere leeftijdscategorieën. Er zijn dus onevenredig veel van bijna-veertigers in vaste dienst, die vrijwel intact zal doorschuiven, met als gevolg een onafwendbare vergrijzing in de komende 20-25 jaar.

niet de ruimte zal scheppen die nodig is om een toereikende instroom van jonge onderzoekers mogelijk te maken. Tot 2000 zal het aantal pensioneringen nooit boven de twee ä drie procent van het totaal aantal onderzoekers uitstij~ gen. Zelfs de toepassing van de vervroegde uittreding kan daarbij niet voldoende soelaas bieden. Het is duidelijk: de zorg van het rapport geldt de toekomst. Eén van de eerste conclusies is dat de leeftijdsverdeling, zoals die nu in veel onderzoeksgroepen wordt aangetroffen, optimaal is. Het echte probleem zal zijn deze verdeling te handhaven. En dat kan alleen door een geregelde, vlotte mobiliteit. Er is een grotere instroom van pas afgestudeerden nodig en een snellere doorstroom van de jonge onderzoekers naar de leiding. En dus ook een bredere uitstroom van (oudere) onderzoekers naar functies buiten het onderzoek. Dat laatste zou onder andere moeten gebeuren via de verbetering van verhuiskostenregelingen en door pensioenaanspraken overdraagbaar te maken. Ook zouden de verschillen in arbeids-

De problemen rond de mobiliteit van onderzoekers die aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs verbonden zijn, lijken zich overigens met name bij de hogescholen voor te kunnen gaan doen. Het verlooppercentage van de vaste staf bij

VERGRUZEHDE OMDERZOEKERS ene Zo geeft het rapport meer tips om tot de oplossing te komen van een probleem dat in feite nog geboren moet worden. Een snel ingrijpen zal nodig zijn om te voorkomen dat de huidige lage mobiliteit nare gevolgen gaat krijgen.

Bedrijfsleven

De vergrijzing van het WP De hoop dat het mobiliteitsprobleem zal zijn opgelost tegen de tijd dat deze onderzoekers met pensioen gaan (zo rond het jaar 2000) is, volgens het rapport, niet gerechtvaardigd; in de jaren tachtig en negentig zal het aantal pensioeneringen weliswaar fors groeien, maar uit de berekeningen blijft dat dit aantal

voorwaarden tussen de onderzoekers en andere werknemers met een soortgelijke opleiding verkleind moeten worden. De relatief gunstige arbeidsvoorwaarden voor met name oudere onderzoekers maken namelijk de overstap naar een andere functie weinig aantrekkelijk.

Rol van vakgroep in universitair onderzoek te passief P e vakgroepen moeten zelf het heft in handen nemen voor de vaststelling van hun onderzoekbeleid. Ze kunnen dat niet over laten aan de hogere, bestuurlijke lagen, die te veel gewend zijn om te denken in strukturen. Er bestaat een fragment van Canetti over de bijna maniakale vormen die de neiging tot het bedenken van strukturen kan aannemen: 'Dagelijks vielen hem honderd strukturen in; (...) wanneer ik hem trof, zong hij ze nieuwe strukturen voor, wanneer ik weg ging, nam hij afscheid met strukturen...' Deze waarschuwing tegen het in strukturen denken is te lezen in een artikel van Hans Schaffers, gepubliceerd in het Twentse hogeschoolblad THT-nieuw. Hij ziet aankomen dat de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 1981 de positie van de vakgroepen gaat verzwakken. Niet in de laatste plaats in het licht

van de huidige diskussie over politiek-kontroversieel onderzoek, lijkt het hem zinvol de rol die het basisniveau kan spelen, opnieuw te beschouwen. Hieronder zijn relaas. In de beleidsnota universitair onderzoek (BUOZ, 1980) wordt gekonstateerd dat het universitaire onderzoekbeleid nog in de kinderschoenen staat: 'Verantwoording van bestede middelen op grond van beoordeling, verslaggeving en toezicht op de kwaliteit van onderzoek, maar ook het stellen van prioriteiten en programmering vinden nog onvoldoende plaats.' De nota onderstreept dat van het universitaire onderzoek een bijdrage wordt verwacht bij het oplossen van maatschappelijke problemen. Om de taken te vervullen die een universiteit zich kan stellen, is een 'onderzoekbeleid nodig, per instelling en landelijk, dat alleen ontwikkeld kan worden als de onderzoekinspanning zichtbaar wordt gemaakt.' Hoewel in de nota de rol van de vakgroep bij dit alles niet inhoudelijk wordt ingevuld (de nota doet voorstellen over regelingen, organisatie- en financieringsstrukturen die het wetenschappelijk onderzoek efficiënter moeten maken) kan men de konklusie trekken dat de vak-

Een opmerkelijk gegeven is verder dat de mobiliteit bij onderzoekers in het bedrijfsleven en bij mensen onder de 35 jaar veel hoger is dan bij onderzoekers in (semi)overheidsinstellingen boven de 35 jaar. Deze verlaten hun plaats niet zo snel. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat het bedrijfsleven veel meer de mogelijkheid heeft om de mobiliteit intern te stimuleren, bijvoorbeeld door de onderzoeker over

Stellingen 1 Tijdens vakgroepvergaderingen moet er gelegenheid zijn om over eikaars onderzoek te spreken en om over de grondslagen en de zin van het eigen vakgebied of deelonderzoek na te denken. Dit dient zijn weerslag te vinden in de keuze van de konkrete onderzoekthema's. 2 In de huidige situatie funktioneert de vakgroep als potentieel diskussieforum, passief en reagerend aktief en zelf initiërend, als het gaat om het vaststellen van het onderzoekbeleid. 3 De belangrijkste taak van de vakgroep is de vaststelling van het onderzoekbeleid. In de huidige situatie wordt dit overgelaten aan het 'management' of aan de sekties. Dit betekent een fundamentele inperking van de mogelijkheden van de vakgroep, waardoor een potentiële kennisbron voor het initiëren van nieuwe onderzoeken niet wordt benut. 4 Het 'organiseren' van onderzoekbeleid wordt tegengewerkt (misschien niet noodzakelijgroep een aktieve taak dient te vervullen bij de verantwoording van het onderzoek.

Administratief In veel vakgroepen is de rol van de vakgroep als besluitvormend orgaan en forum van diskussie gereduceerd tot het afhandelen van zaken van administratieve aard. (Landelijk gezien, wordt in de nota 'Gewubd en Gewogen' van de Kommissie-Polak (1979), waarin de WUB wordt geëvalueerd, ten aanzien van de vakgroep een 'grote mate van vrijblijvendheid' gekonstateerd.)

universiteiten is namelijk circa vier procent terwijl dit bij de hogeschool beduidend lager is: 1,8 procent. Voor de volledigheid is hierbij vermeld, dat het SSV-TNO-onderzoek plaats vond op de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs in Twente, Utrecht, Leiden en Amsterdam (UvA). Uiteraard gaan de maatregelen ter vergroting van de mobiliteit veel geld kosten: de rapporteurs verzuimen niet daarvan melding te maken. Het is natuurlijk wel de vraag of de minister van onderwijs, van wetenschapsbeleid of van welk departement ook daarvoor nog één stuiver wil en kan reserveren. (P.v.E./THB, GUPD)

kerwijs, maar wel tendentieel) door kortlopend onderzoek dat extern gefinancierd wordt. Enerzijds verhoogt dit de flexibiliteit, anderzijds ontstaat er een afhankelijkheid door de afstemming van het lopende onderzoekprogramma op aktiviteiten waarvan kontinuering onzeker is. Deze afhankelijkheid stelt hoge eisen aan de aktieve rol van de vakgroep. 5 Het praten over eikaars onderzoek kan inhouden: toekomstige perspectieven; nut; resultaten; welke problemen lost het onderzoek op?; welke nieuwe problemen stelt het?; 'neveneffekten', relatie met andere vakgebieden enz. enz. Het spreken over eikaars onderzoek dient gewoonte in plaats van uitzondering te worden. 6 Diskussie over politiekkontroversieel onderzoek moet plaatsvinden daar, waar het onderzoekbeleid wordt bepaald. Voor de vakgroep is hierbij een essentiële plaats in te ruimen. Door de diskussie op het topniveau te voeren, waar meer in termen van strukturen wordt gedacht, blijft het effekt op het onderzoekbeleid marginaal.

Voor een diskussie over grondslagen, nut en resultaat van eikaars onderzoek of over de toekomstige loop van de onderzoeken en de onderzoekprioriteiten is veelal geen plaats. Het lopende onderzoek wordt beschouwd als gegeven en de implikaties ervan worden niet ter diskussie gesteld.

Onderzoek Nieuwe onderzoekthema's komen ad-hoc tot stand, en meer uit tech-

Vervolg op pag. 11

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 314

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's