Ad Valvas 1980-1981 - pagina 260
AD VALVAS — 6 FEBRUAR11981
Jos van Kemenade over onderwijsbeleid en hoe hij het als minister zou hebben gedaan
'Voorontwerp van wet voor toelating tot WO onderwijskundig gezien regelrechte ramp' Een studieboek, misschien wel een standaardwerk. Zo noemt de oud-onderwijsminister prof. dr. J.A. van Kemenade het afgelopen week gepresenteerde boek 'Onderwijs: bestel en beleid' dat is opgedragen aan de onlangs overleden onderwijsjournalist Ton Elias. Hoewel het gaat om een beschrijving van het onderwijsbestel - waarin het hoger onderwijs overigens een opvallend bescheiden plaats inneemt - is het door Van Kemenade geredigeerde boekwerk zeker niet ontdaan van politieke gekleurde visie. Samen echter met zijn al bijna onder het stof verdwenen 'Nota Hoger onderwijs in de toekomst' geeft het jongste geschrift een goed inzicht in Van Kemenades beeld van de toekomst. En hij signaleert dan bijvoorbeeld ontwikkelingen waarmee hij 'bepaald niet gelukkig' is. Daarover, maar ook over de twee-fasenwet ('onverstandig'), de selectievoorstellen van Pais ('een regelrechte ramp') en het arbeidsmarktcriterium voor de bepaling van de opleidingscapaciteit ('er is nog geen goed systeem voor') onderstaand gesprek. •it is geen verkiezingsprogramma, onderworpen. Onderwijs kost erg dit is geen Contourennota, hier . veel geld,, aan de »overheid, dus ook wordt een analyse gegeven van de aan de belastingbetaler. In de poUontwikkelingen in onderwijsbestel tiek regelmatig onderwerp van geen onderwijsbeleid op basis van zo- sprek. De kosten, in ieder gev6,l de veel mogelijk empirisch materiaal. directe kosten zoals die van persoDaar staan ook ontwikkelingen in neel en gebouwen zijn te meten en beschreven die ik niet wenselijk worden daarmee ook bespreekbaar. acht. Natuurlijk zitten daar be- Dit in tegenstelling tot de baten van leidsopties in. Ik ben voldoende be- het onderwijs. Wat levert het op? trokken geweest bij de beweging Deze vraag is veel moeilijker te van de Frankfurter Schule om te beantwoorden en hangt samen met weten dat waardevrijheid maar be- de vraag naar de doelstellingen van het onderwijs. Stel dat één van de trekkelijk is.' doelstellingen 'persoonlijke ontOud-minister prof. dr. J.A. van Ke- plooiing' is. Hoe meet je dan in hoemenade spreekt over zijn nieuwste verre iemand persoonlijk ontplooid boek Onderwijs: bestel en beleid. is? Hij is poUticus en hoogleraar, voor Verder wordt in het boek uitvoerig velen blijkbaar een moeilijke comhet proces van besluitvorming binbinatie. 'Spreek ik als hoogleraar dan ziet men mij als politicus, nen het onderwijs beschreven. Wie spreek ik als politicus dan ziet men beslist wat, waar en wanneer. Hoe '•"inij als hoogleraar. Ik word er wel groot is de invloed van de verschileens moe van.' Van Kemenade, mi- lende betrokken groeperingen en nister van onderwijs en weten- hoe meet je die invloed? In hoeverre schappen tijdens het kabinet-Den is de politieke Ideur van de minister Uyl (1973-1977). Nu Ud van de Twee- van invloed op het ambtenarenapde Kamer voor de Partij van de paraat? Interessant is ook het Arbeid. Daarnaast a^ buitenge- hoofdstuk over de veranderbaarwoon hoogleraar onderwijskunde heid van onderwijs. De auteurs verbonden aan de Universiteit van spreken van een sterke behoudzucht in het onderwijs en de moeiGroningen. lijkheid om van buitenaf verandeHet boek Onderwijs: bestel en be- ringen aan te brengen. leid is geen beleidsboek zoals Van Kemenade zelf zegt. Het is meer een Het boek zou niet volledig zijn wanstudieboek. Naast een beschrijving neer ook niet werd ingegaan op te van het huidige onderwüshestel verwachten ontwikkelingen, knelgeeft hij een analyse van het maat- punten en dilemma's. Een steeds schappelijk krachtenveld dat daar- terugkerend thema is de spanop van invloed Is. Wat is de maat- ningsverhouding tussen individueschappelijke waarde van onderwijs? le en maatschappelijke belangen. Is het zuiver een voorbereiding op Een toenemende mdividualisering de beroepsuitoefening of is het ook van het "primair en secundair oneen voorbereiding op het maat- derwijs en een toenemende deproschappelijk functioneren in brede fessionalisering (minder op specizin? Is het bijvoorbeeld ook een fieke beroepsuitoefening gericht) voorbereiding op het functioneren van het hoger onderwijs geeft de als 'mondig staatsburger'? Welke auteur aan als voorbeelden van toerelaties zijn er tussen onderwijs en komstige ontwikkelingen. Twee sociale ongelijkheid? Wat is het ver- ontwikkelingen waar hy overigens band tussen opleidingsniveau, be- niet zo gelukkig mee is. Hoewel Van roep, inkomen en, als gevolg daar- Kemenade pretendeert in zijn boek van, de macht die men in de samen- het hele onderwijs te behandelen leving kan uitoefenen? In hoeverre krijgt het hoger onderwijs, betrekis de maatschappelijke positie van kelijk weinig aandacht. Ook als mide ouders bepalend voor die van nister heeft hij zich voornamelijk hun kinderen. beziggehouden met veranderingen in het lager en voortgezet onderwijs. Wie herinnert zich niet meer Een apart hoofdstuk wordt gewijd de indertijd door Van Kemenade aan de ondervertegenwoordiging uitgebrachte 'Contourennota', disvan meigjes en vrouwen, vooral in cussienota over de contouren van het voortgezet en hoger onderwijs. een toekomstig onderwijsbestel, Deze 'sekse-ongeUjkheid' in onderwaaruit vooral de middenschoolgewijskansen zou volgens het boek dachte nogal wat stof heeft doen voornamelijk verklaard kunnen opwaaien. Eén schooltype voor alle worden vanuit de historisch gegroeide rolverdeling tussen man en' 12- tot 16-jarigen, voor de VVD een onaanvaardbare 'eenheidsworst'. vrouw en de daar aan gekoppelde Wannneerje middels het onderwijs rolpatronen waar wij als kinderen de samenleving wilt veranderen mee groot gebracht worden. Het dan lijkt het verstandig met het pribekende verhaal van 'de vrouw doet mair en secundair onderwijs te behet huishouden en de man zorgt ginnen. Daar wordt immers de voor brood op de plank.' grondslag gelegd voor de verdere De relatie onderwijs en economie ontwikkeling en vorming. wordt aan een uitgebreide analyse
Politieke belangstelling Heeft de geringe aandachtvoor het hoger onderwijs in het boek van Van Kemenade inderdaad te maken met zijn politieke belangstelling? 'Nee, zeker niet. Politiek gezien is het zelfs zo dat het hoger onderwijs relatief meer aandacht krijgt dan het primair en secundair onderwijs. De belangstelling is weliswaar minder dan in de jaren zestig, maar die was toen ook overdreven. Misschien is het wel zo dat in het algemeen de belangstelling van onderwijskundigen en pedagogen zich meer richt op primair, secundair, en nu weer quartair (volwasseneneducatie, red.) onderwijs dan op tertiair onderwijs. Dat geldt in zekere zin ook voor dit boek. Er zou een nader gespecificeerd deel geschreven kunnen worden over het hoger onderwijs. Misschien doe ik dat nog wel eens.' Van Kemenade heeft als minister zijn gedachten over het Hoger Onderwijs uitvoerig aan de orde gesteld in zijn beleidsnota Hoger Onderwijs in de Toekomst (HOT-nota 1975). Deze nota is in feite de voorloper van de later door zijn opvolger dr. A. Pais uitgebrachte nota 'Hoger Onderwijs voor Velen' (HOVV, 1978) waarin de grote lijnen van de Wet Twee-Fasenstructuur reeds werden verwoord. Wanner de Wet Twee-F^enstructuur voorgesteld wordt als een bevredigende uitwerking van de nota Hoger Onderwijs in de Toekomst wordt V.an Kemenade fel. 'Ik heb me altijd verzet tegen de Twee-Fasenstructuur van Pais. Om twee redenen. Ten eerste heb ik me verzet tegen het feit dat dé Wet Herstructurering Wetenschappelijk Onderwijs, die in 1975 door een grotere meerderheid in de Kamer is aangenomen en waarna twee jaar lang door de universiteiten aan herprogrammering is gewerkt, zomaar in januari 1978 door Pais is afgetikt. Ik acht dat hoogst onverstandig in verband met de ontwikkeling van het WO (wetenschappelijk onderwijs), maar ook in verband met de geloofwaardigheid van de parlementaire democratie. Als ik in 1977 minister was gebleven dan had ik, en daar hadden we ook al gedachten over, Klein (Van Kemenades staatssecretaris voor het wetenschappelijk onderwijs, red.) en ik, het merendeel van de studieprogramma's goedgekeurd, hoewel die vijQarig waren. We hadden een beperkt aantal afgekeurd omdat dat echt flauwe kul was. Er waren erbij, die hadden bij wijze van spreken de oude studiegids ingezonden. Die zouden we hebben teruggestuurd. Dan waren we met het leeuwendeel doorgegaan en - er stond een evaluatiemoment en een evaluatiecriterium in de wet - nu bezig geweest met de evaluatie van die programma's. Ik denk dat dit veel natuurlijker en geleidelijker was verlopen en ook geleid had tot een beperking van de cursusduur. Dat is één.' 'De tweede reden waarom ik tegen de Wet Twee-Fasenstructuur ben is de bijzonder stringente normering op basis van zeer vage selectiecriteria bij de overgang naar de tweede fase. Op zichzelf ben ik niet tegen een geleding in de studie in de zin van een eerste en tweede fase. Dat zat ook in de Wet Herstructurering, daar had je ook postdoctorale opleidingen. Ik ben wel tegen de ngide wüze waarop de overgang van de eerste naar de tweede fase is geregeld. Dat is griezelig naar mensen toe, dat is griezeUg naar de opbouw van de studie toe, het is bovendien griezelig omdat je daardoor opnieuw een soort geleding in het onderwijs aanbrengt dat gaat werken als een kwalificatie en selectiemoment in de arbeidsmarkt. Op
grond daarvan zal de neiging om studies in het WO te koppelen aan hogere salarissen weer sterker worden.'
Irreëel Pais noemt de huidige universitaire opleidingen elitair omdat meer dan de heiß van de studenten voortijdig afvalt. Door kortere goed gestructureerde opleidingen te maken zou dit uttvalspercentage. geminimaliseerd worden. 'Een stelsel dat zo rigoreus de cursusduur van de eerste fase op vier kaar stelt is een stelsel dat niet beantwoordt aan de realiteit. Ik ^
ifi.i^-.ii'.yy^^^^
^i^'^'"
• 4'
had natuurlijk ook in het Wetsonl> werp Herstructurering het liefst gezien dat het merendeel van de studierichtingen met een vieijarig programma kwam. Daar is helemaal geen twijfel over. En ik denk ook dat het mogelijk is. Maar een wet die zonder meer alle studies op vier jaar stelt, en dat doet de wet nu, is irreëel. Tot nu toe heeft de minister nog nooit antwoord kunnen geven, noch op vragen uit de Kamer, noch op vrageo uit het veld over studierichtingen als bijvoorbeeld talen waarvoor geen enkele vooropleiding is geweest in het VWO (voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs), red.). Dat is toch wat anders dan Frans, Duits en Engels. Daar is nooit een goed antwoord op gekomen.' 'Hij heeft alleen rücksichtlos, be' trekkelijk formeel en van bovenaf gezegd "Het zal vier jaar zijn." Dat kun je natuurlijk zeggen, alleen mis je dan mogelijkheden om bij evidente gevallen anders te beslissen. Zelfs de minister kan dan niet meer afwijken van de wet.' 'Ik vind het hoogst onverstandig, wy hebben als PvdA-fractie een amendement ingediend waarin studierichtingen de mogeUjkheid hebben een vytjarig programma aan te vragen op grond van argumenten te ontlenen aan de aard en opzet van die studierichting. In ons voorstel beslist de minister en het parlement kan het beoordelen. Je stelt je daarmee kwetsbaar op als minister omdat je vaak "nee" zal moeten zeggen. Maar het gaat om een afweging van risico's en ik zou dit laatste risico prefereren boven het risico dat je geen enkele beleidsmarge meer hebt als dat evident nodig mocht biyken.' Inderdaad is het zo dat de eerste versie van de Wet Herstructurering ook erg rigide was, alle studierichtingen vier jaar zonder uitzondering. Maar wy hebben ons laten overtuigen door maatschappeUjke argumenten die in de discussie in de Kamer naar voren zyn gebracht. In het geval van de Twee-Pasenstructuur zal ofwel de aard van de opleidingen veranderen ófwel het pro-
bleem wordt afgewenteld op de studenten in de zin van studieverzwaring. 'Dan zal over vyf jaar het uitvalspercentage in het WO groter zyn dan nu.' 'Er zit nog een ander oneeriyk element in de wet. De mogeUjkheid bestaat immers voor kapitaalkrachtige studenten om zich een jaar niet, of als extraneus in te schrijven en op die manier toch langer over de studie te doen. En dit soort dingen zullen vaker voorkomen naarmate de studiebelasting groter wordt. Maar aan de andere kant al die babbels van gezelUg,heidsverenigingen die zeggen datje een jaar extra moet krijgen, dat vind ik een onzin. Inderdaad gezelUgheid kent geen tyd. En al die verhalen over een geweldige last met 1700 uur, dat is maatschappeUjk irreëel.' Van Kemenade denkt op een groot aantal punten heel anders over de hej-structurering wetenschappeUjk onderwys dan Pais. Dat hangt uiteraard samen met de verschiUende politieke uitgangspunten die beide heren hanteren. De W D heeft andere opvattingen over de functies van het onderwijs dan de PvdA. In Onderwijs: bestel en beleid wordt niet op basis van poUtieke uitgangspunten maar op basis van empirische gegevens een hoofdstuk gewyd aan de functies van onderwys. Het primair en secundair onderwys heeft volgens Van Kemenade voornameiyk een welzynsfunctie, gericht op de persoonlijke ontplooiing van het'individu en op meer algemeen maatschapi>eiyke voorbereiding.
Grote risico's Voor het Hoger Onderwijs geldt dat er steeds-meer sprake moet zijn van een toegespitste beroeps- of maatschappelijke functie. Maar wat heeft het voor zin zoveel studenten voor een specifiek beroep op te leiden terwijl de werkloosheid enorm IS en nog steeds toeneemt? 'De directe band die er bestaat tussen academische opleidingen en de zeer duideUjk omschreven academische beroepen, een klein aantal hoog-gesalarieerden in Neen maatschappeiyk geïsoleerde, zeer hoog gewaardeerde positie, zal verdwynen. Dat is een prima ontwikkeling. Daarmee zal inderdaad het accent in de opleiding verschuiven van beroepsvoorbereiding naar meer persoonUjke vorming en ontwikkeling. Het onderwys zal zich gaan verbreden, algemener worden. Daar zitten ook grote risico's aan.' 'Men spreekt van deprofessionaUsering van de opleiding. We zien dat nu al gebeuren by de sociale academies. Naarmate duideUjker wordt dat steeds minder afgestudeerden een arbeidsplaats vinden als maatschappeUjk werker wordt de druk op de opleiding om zich te verbreden steeds zwaarder. Tot men op een gegeven moment met heel die sociale opleiding niet meer in staai is een oude vrouw de straat over te helpen.' In hoeverre zou het hanteren van het arbeidsmarktcrüerium bij het bepalen van het aantal studieplaatsen een oplossing zijn voor het probleem? ' 'Ik ben daar niet tegen. Zeker wanneer het gaat om zeer specifieke of zeer kostbare opleidingen. Maar ik zie alleen dat we het nog niet kunnen. Zolang er geen systeem is waarby er objectief redeUjk en rechtvaardig en zonder al te veel monopoUeposities te creëren of te handhaven, het aantal studieplaatsen bepaald kan worden dan moetje het niet doen. Op dit moment is dat systeem er niet.' 'Maar by bepaalde opleidingen is het natuuriyk zeer wel denkbaar. Om een voorbeeld te noemen. Wanneer we afspraken maken over de hoogte van artsen- en specialistensalarissen en je zegt, we hebben in de komende jaren niet meer dan zoveel duizend artsen nodig, dan is het maatschappeUjke verspilling er aanzieniyk meer op te leiden.' 'Overigens is er op het ogenblik een maatschappeiyk tekort aan artsen. Maar gezien de capaciteitsbeperking valt daar op dit moment niet veel aan te doen. Tenzy het inkomen van artsen en specialisten drastisch wordt verlaagd, en dat zou moeten.'
Vervolg op pag. 11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980
Ad Valvas | 466 Pagina's