Ad Valvas 1980-1981 - pagina 187
h AD VALVAS — 5 DECEMBER 1980
leine Pieter van Dijk in proefsciirift: 'Kleine bedrijfjes in Westeiijk Afrika stimuleren'
oderne westerse bedrijven in Afrika stoten veel [leine ambachtslui brood uit de mond Met het droppen van moderne industriële bedrijven in Westelijk Afrika door westerse multinationals heeft Meine Pieter van Dijk weinig op. Veel liever ziet hij dat de meer traditionele ambachtelijke bedrijfjes daar ontwikkelingskansen krijgen. Arbeidsintensief als deze zijn bieden ze namelijk veel meer werkgelegenheid dan de geïmporteerde dépendance van de multinational die de kleine inheemse bedrijfjes dood concurreert en daardoor een veelvoud van het aantal mensen dat zij zelf in dienst kan nemen het brood uit de mond stoot. Meine Pieter is deze mening niet zomaar toegedaan omdat 'small beautiful' zou zijn. In zijn proefschrift waarop hij half november promoveerde traceert hij de ontwikkelingsmogelijkheden voor kleine bedrijfjes in de hoofdsteden van Senegal en BovenVolta Dakar en Ouagadougou. In opdracht van de International Labour Organisation van de VN onderzocht hij die mogelijkheden en probeert hij de overheid van beide landen ervan te overtuigen dat zij er veel verstandiger aan doen die kleine bedrijfjes te stimuleren dan hun land maar zo snel mogelijk industrieel geheel n a a r Westers model te moderniseren. Wat heb je aan die hypermoderne fabrieken die hier met westers kapitaal worden neergezet en vervolgens allerlei westerse" spullen importeren (materialen als plastic, machines en onderdelen), waar 20 of 30 man werken terwijl er tegelijkertijd 50 of 100 brodeloos worden. En dat terwijl hetzelfde soort produkt vroeger ambachtelijk en arbeidsintensief werd voortgebracht. De meeste stedelijke armen werken in de kleine bedrijfjes, de zogeheten 'informele' sector: m Dakar 51 procent en in Ouagadougou zeUs 73 procent van de beroepsbevolking. Tot deze sector behoren ambachtelijke bedrijfjes, kleine handelaars en transporteurs. Bij de ambachtelijke beroepen gaat het om traditionele aktiviteiten die door de komst van eenvoudige machines wat gemoderniseerd zijn zoals batikken, [het gieten van bronzen beeldjes, ottenbakken, kleren maken, "net [vlechten en weven. Daamasist zijn jer meer recentelijk geintroduceer|de activiteiten als de reparatie van 'letsen, auto's en radio's, meubels aken etc. |In zulke bedrijfjes werken gemid"els een stuk of vier mensen, nooit eer dan tien: de baas, twee leerlin;en en een familielid. De sector heet informeel omdat deze bedrijfjes :een jundische status hebben zoals irma of vennootschap. Er wordt een belasting betaald en de lonen taan onder geen enkele controle. '6 leerlingen krijgen tijdens het erk een opleiding in het ambacht in krijgen loon als de baas wat kan erdienen. Als ze ziek worden knj:en ze geen uitkering maar de baas 1 ze natuurlijk ook weer niet laten itikken. Op die manier kunnen deze «dnjfjes het volhouden tegenover ie moderne uit het Westen geimlorteerde industnele bedrijven of e invoer uit het Westen. 'lichten hebben ze niet maar rechn evenmin. Als de overheid meent en bedrijfsterreintje nodig te heben voor haar plannen moet het edrijfje uitwijken. De overheid iedt geen enkele faciliteit en jaagt eze ondernemers eerder weg. Hun erk wordt als illegaal beschouwd. in toch verschaffen juist deze beijfjes de hoofdsteden van Senegal in Boven-Volta het leeuwendeel an de werkgelegenheid daar: in "uagadougou werkt 72% van de «roepsbevolking in de informele 'ctor, 10 % bij de overheid en 8 % in Ie moderne industriële 'formele' iector, die wél belastingplichtig is, 'en juridische status bezit en het mimum-loon moet uitbetalen. eine Pieter: 'Als je iets voor de steelijke armen wil doen moetje deze 'orking poor helpen iets meer te erdienen met hun werk. Je moet P deze spontaan gegroeide activisten Inspringen en niet proberen leuwe banen te creeeren door wesrse industrieën binnen te halen.'
In hoeverre is dese sector afhankelijk van de internationale situatie in de economie en dus geïntegreerd in het kapitalistisch systeem? 'In zoverre dat het natnnrlijk uitmaakt of een frans bedrijf beslist al dan niet hier te gaan investeren maar zoals gezegd de huidige stagnatie in de wereldeconomie is juist een extra reden om juist nu deze sector te stimuleren.' Aardig is in dit verband dat Meine Pieter, die overigens alweer naar Afrika is afgereisd, in een diskussie is verwikkeld met de Wereldwinkel van de VU die zijn twijfels heeft over de idealen van de vers gedoctoreerde econoom, die overigens lid is van de kommissie Ontwikkelingssamenwerking van de PvdA. Weliswaar heeft Meine Pieters' dissertatie de vitrine van de winkel gehaald maar dat heeft maar kort mogen duren. Wereldwlnkeüerster Lia Kok vertelde ons dat de uitstalling van het werk wat voorbarig was geweest. 'We hadden het alleen nog maar grofweg doorgebladerd en willen eerst eens een diskussie met hem voeren. Door het studentenkongres is het daar nog niet van gekomen. Begin januari pas zal dat gesprek komen want Meine Pieter IS alweer vertrokken.' Volgens Lia wil hij de traditionele landbouwsector via de informele
Pieter de grote multi's die de periferie uitbuiten ten gunste van het centrum (het rijke Westen). Hun Produkten slijten ze hier tegen een te hoge prijs en de grondstoffen halen ze hier tegen een te lage.
'Overheid overtuigen metpuur economisclie argumenten' Belangrijk vindt Metne Pieter het dat je op puur economische gronden hard kunt maken dat de overheid er het beste aan doet nu deze sector meer grond onder de voeten te geven. In India wordt de traditionele sector al lang door de overheid gesteund. Daar is destijds eenvoudig wettelijk geregeld dat 180 Produkten uitsluitend door kleine bedrijfjes mochten worden geproduceerd. Nu zijn dat er zelfs al 500.^ Dat draait daar prima. De overheid stimuleert de kwaliteit en steunt maatregelen om tot grotere efficiency te komen. Hier in Afrika zou dat volgens Meine ook moeten. Wel zou je dan die steun per tak van aktiviteiten moeten bekijken. Je moet streven naar een werkver-
Jaap Kamerling Volgens Meine Pieters is er op dit moment zelfs extra aanleiding om nu voor stimulering van deze informele sector te kiezen omdat door de internationale economische crisis westerse ondernemingen niet meer zo happig zijn op vestiging m de Derde Wereld. Men vindt het te riskant en je ziet nu dat de investeringen in de penfene (Derde Wereld) het eerst stagneren. Hét moment dus om het beleid te verschuiven naar versterking van de kleinere in het l9.nd zelf gewortelde bedrijfjes. Met minder financiële middelen kan dan veel meer in termen van werkgelegenheid worden bereikt. Het aantrekken van westerse bedrijven kost veel geld. Er worden industrieterreinen voor aangelegd, belastingfaciliteiten verleend en speciale technici opgeleid. En dat terwijl je nu ziet dat die bedrijven wegblijven. Er is wel beweerd dat het geen zin had deze sector economische prikkels toe te dienen in de vorm van kredieten en afzetmogelijkheden. Bij een hogere opbrengst zou zo'n kleine ondernemer vanzelf minder gaan werken want hij zou niet verder .gillen gaan dan de eigen behoeftebevrediging. Dat echter is niet waar gebleken. De meesten van deze ondernemers slagen er volgens de uitgebreide enquête die Meine Pieter heeft gehouden in extra te investeren en hun bedrijfjes zelfs wat uit te breiden.
Kapitalistisch? Maken die bedrijfjes nu deel uit van de kapitalistische produktiewijse? Meine Pieter: 'Je kunt hier niet echt spreken van winstmaximalisatie, er IS eerder sprake van een streven naar eigen behoeftebevrediging al gaat dat iets verder. Er wordt wel voor de markt geproduceerd maar dat is meer om op een redelijk inkomensnivo te komen. Je moet bedenken dat hier hier veelal gaat om plattelanders die naar de stad verhuizen en dan opeens voor veel hogere kosten staan: hun huisje, het voedsel, dat ze niet meer zelf kunnen verbouwen, het schoolgaan van de kinderen etc. Ze moeten dan proberen wat meer te verdienen maar dat kun je nog geen winst-maximalisatie noemen.
sector als 'bemiddelaar' laten opnemen in het kapitalistisch systeem. Hy ziet de informele sector gewoon als onderdeel van dit systeem. Maar dit is slechts haar eerste indruk bij het doorbladeren. Voordat het proefschrift mogelijkerwijs opnieuw in de op zijn inhoud kritisch bewaakte vitrine belandt willen de alerte winkeliers zich nog eens grondig beraden over de inhoud van de dissertatie. Meine Pieter was met meer bereikbaar voor kommentaar op deze interpretatie van zijn werk die ons overigens wat slordig voorkomt. We komen er mogelijk in januari in Ad Valvas op terug. Kun ]e bij dese bedrijfjes nu van kapitalisme spreken of niet? Meine: 'Het is een soort kapitalisme maar dan met een ander gezicht. Niet het monopollekapitalisme dat wij kennen met de door multinationals gedicteerde prijzen en arbeidsvoorwaarden. De winsten hier zijn uiterst marginaal. Er zijn wel 30 meubelmakers in dezelfde wyk. De klant loopt ze alle af.' Echt kapitalistisch zijn in de visie van Meine
fungeren. Maar op een gegeven moment merkte hy dat het weinig zin heeft kritiekloos hun wensen door te geven omdat zy alleen hun directe eigenbelang op het oog hebben. Zelf willen ze graag moderne ma-
deling tussen de moderne bedrijven en de kleine. Olie moetje raffineren in een raffinaderij maar kleding bijvoorbeeld kun je kleinschalig bUjven produceren. De Senegalees of Voltaan loopt nog altyd het Uefst met een simi)el katoentje naar de kleermaker die rap, goedkoop én op maat werkt, daarbü bovendien handig inspelend op de traditioneel bepaalde smaak van zijn landgenoot. Bij de bierproduktie heeft jammer genoeg de ambachtsman het afgelegd tegen de groot-industrieel. Er werd vroeger uitstekend bier gemaakt totdat er twee westerse brouwerijen actief werden. De verwesterste ambtenaar drinkt nu 'starbier'! Dat verleent meer status. De behoefte daaraan heeft het van de smaak, die maar moeilük te imiteren viel, gewonnen. Toen Meine Pieter in Senegal kwam nam hij zich aanvankelijk voor de kleine ambachtslieden, handelslui en transporteurs een stem te geven naar de overheid toe. Hü wilde als een soort intermediair
chines en zo snel mogeUjk groot worden. Nu wil Meine Pieter hun huidige werk niet romantiseren maar voor de werkgelegenheid zou dat toch slecht zijn. De kleintjes gaan dan ten onder i n de concurrentie met de groteren. Het is beter het nationaal belang in het oog te houden en de problemen per tak van activiteiten zo te regelen dat er werk voor ieder bUjft.
Overheid Meine Pieter werkte enkele jaren voor de IliO (van de Verenigde Naties) die zich interesseerde voor de informele sector en dat de overheid liet blijken. Deze door de westerse opleiding besmet met westerse ontwikkelingstheorieën, zag het belang van die sector niet en vroeg dan maar eens met onderzoek dit belang aan te tonen. En dat mocht Meine Pieter doen. Hy bestudeerde vyftien verschillende activiteiten in de twee hoofdsteden en kwam met beleidsaanbevelingen hoe ze verder op te krikken. Met harde economische argumenten probeert hy al geruime tyd de overheid te overtuigen van de voordelen van de kleinschaUge produktie die werkt met de ter plaatse aanwezige technologie soms aangevuld met aangepaste technologie uit het westen. Hy scheidt het ene rapport na het andere af en heeft ook mondeling veel kontakt met de overheid. Enquêtes onderbouwen zyn argumenten. De overheid kan volgens hem helpen door technische assistentie mogeiyk te maken, wat kwaliteitsverhogend werkt, bedrijfsruimte aan te bieden, krediet te verlenen, opleidingen te verzorgen (hoe een bedryfje te runnen), zelf af en toe wat te kopen etc. i Zelf heeft Meine Pieter in samenwerking met de Verenigde Naties en de Wereldbank een projekt opgezet voor Boven-Volta. De minst ontwikkelde ambachtslieden krijgen daarby krediet in natura zoals draden om te weven en gereedschap. De ondernemers die wat verder zy n krijgen wat geld om té" moderniseren, een juridische status en een management-cursus. In tegenstelling tot de andere groep moeten zy dan wel een boekhouding gaan voeren. De VN stelde als eis dat niet t ^ e i y kertyd de overheid grootschalige industrievestiging zou toestaan.
Helpt Nederland? Ook Nederland zoo Projekten kunnen gaan opzetten, daarbij gebruik makend van de deskundigheid die onze TH's op het gebied van de aangepaste technologie hebben. Boven-Volta geldt als concentratieland voor minister De Koning. Vooral na de grote droogte daar gaf Nederland nogal wat geld maar dat moest dan wel in ons land besteed worden. Boven-Volta werd op die manier opgescheept met DAF-tmcs en Philips-prodncten waar het land weinig baat bij had. Recentelijk is deze gelionden hulp 'ontbonden' maar bij de onderhandelingen zijn nog steeds nederlandse ambtenaren en de neder-
Vervolg op pag. 9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980
Ad Valvas | 466 Pagina's