Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 174

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 174

10 minuten leestijd

6

AD VALVAS

In december 1978 besloot de Hogeschoolraad (HR) van de Landbouwhogeschool van Wageningen akkoord te gaan met de aanvang van het samenwerkingsverband met de Universitas Gadja Madah te Yogjakarta (UGM). Een deel van het ontwikkelingsverband richt zich op de problematiek van het Serayudal in midden-Java. Overbevolking van deze streek (duizend inwoners per vierkante kolometer) en een ongelijke verdeling van de grond leiden ertoe dat men het bos op de steile heuvelhellingen kapt en deze gronden, die niet geschikt zijn voor landbouw, in cultuur brengt. Dit veroorzaakt een enorme erosie, stroomafwaarts overstromingen en het dichtslibben van de haven van Cilacap. Deze problemen wil men vanuit diverse vakgebieden van Nederlandse, universiteiten in samenwerking met de UGM geïntegreerd gaan aanpakken. Vanuit de LH participeren hierin de vakgroepen Boshuishoudkunde en Natuurbeheer. Van de Vrije Universiteit doen de vakgroepen Fysische Geogra^ fie. Sociale Geneeskunde, Antropologie en NietWesterse Sociologie mee en van de Rijksuniversiteit Utrecht Sociale Geografie. Over deze geïntegreerde aanpak die de naam 'Integrated Rural Development Sub-programma' (IRD) heeft gekregen, werden in 1978 door de Richtingsgroep Bosbouw en de Progressieve Studenten Fractie in Wageningen en aan de VU het afgelopen j a a r door de Indonesiëwerkgroep al twijfels geuit. Het samenwerkingsverband werd desondanks door alle organen van de LH goedgekeurd. Wel besloot de hogeschoolraad om de samenwerking om de twee j a a r te evalueren. Bovendien werd in mei 1979 besloten dat de HR jaarlijkse verslagen over alle samenwerkingsverbanden zou ontvangen. December 1980, het tijdstip waarop volgens het besluit van de HR geëvalueerd zou moeten worden, begint in zicht te komen. Van de jaarlijkse verslaggeving aan de leden van de HR is tot nu toe niets terechtgekomen. Wat er met de evaluatie in december in Wageningen gaat gebeuren is volkomen duister. Omdat ook de VU bij het IRD-projekt is betrokken en de diskussie ook over dit projekt vóór de zomervakantie op de VU flink oplaaide nemen we dit artikel van het Wagenings Hogeschoolblad over. Op de problematiek van de Serayuvallei waren al twee projecten gebaseerd, voordat het IRD-project tot ontwikkeling kwam. Doel van die projecten was een hydrologische en geomorf ologische analyse te maken van de Serayu-vallei. Begin 1977 kwam de toenmalige minister Pronk met een nieuwe benadering van internationale universitaire samenwerking. Voortaan geen kortlopende losse projecten meer, waarbij nogal wat 'hobbyisme' van de betrokken wetenschappers voorkwam. Wel in het vervolg een bundeling van projecten in één samenwerkingsverband tussen één of meer Nederlandse universiteiten en een buitenlandse universiteit. Door deze aanpak zou de overzichtelijkheid en doelmatigheid bevorderd kunnen worden. De UGM (Ga4)a Madah), als een van de belangrijkste universiteiten in Indonesië, maakte daarbij een goede kans. Verschillende bestaande projecten en projecten in voorbereiding van Nederlandse universiteiten in Indonesié werden op het moment van Pronks beleidsombuiging bij elkaar gevoegd in één samenwerkingsverband. Men koos de benadering van geïntegreerde plattelandsontwikkeling omdat op die manier de grootste kans bestond op aanvaarding van het samenwerkingsverband door het NUFFIC. (De Nederlandse organisatie die projecten van Nederlandse universiteiten en hogescholen in het buitenland financiert en coördineert.) In het memorandum voor het IRD-project, (het voorstel voor het samenwerkingsverband (1), wordt de aanpak als volgt geschetst: 'A strategy for the long term improvement of the hvtng conditions of the inhabitants of the rural communities, including special attention to the rural poor.'

als oplossing wordt gezien lijkt duidelijk geïntegreerde plattelandsontwikkeling. Men zou dan verwachten dat de feitelijke situatie ook in dergelijke termen beschreven zou worden, namelijk (al dan niet geïntegreerde) plattelandsontwikkeliTig (de structurele oorzaken van het onderontwikkeld zijn, red.) In plaats daarvan wordt het probleem verknipt in verschillende deelproblemen die dan door de verschillende technische disciplines opgelost kunnen worden. Wanneer men daadwerkelijk geïntegreerde plattelandsontwikkeling wil bewerkstellingen, gericht op de 'rural poor' en met een actieve participatie van deze 'rural poor', men moet dit ook in projecttermen vertalen. Op papier stelt dit weinig voor'. Hierbij wees de PSF er ook op dat het projectvoorstel niet geformuleerd is door de UGM zelf, maar door de Nederlandse deelnemers. Dit is in strijd met de NUPFIC-criteria (3), waarin ondermeer gesteld wordt dat de vraag voor medewerking uit het ontwikkelingsland zelf moet komen. Een medewerker van de vakgroep Bosbouw kwam in een door hem geschreven nota tot de conclusie 'dat de kiem voor het mislukken van het project gelegd is door het ontbreken van de motivatie tot samenwerking bij de echte Indonesische partner, in dit geval de Bosbouwfaculteit van de Gadjah Madah' (4). Noch de vakgroep Boshuishoudkunde, noch de Vaste Commissie Buitenland, noch de Faculteitsraad, noch de hogeschoolraad hebben zich iets van deze waarschuwingen aangetrokken. Het voorstel voor het samenwerkingsverband werd goedgekeurd, de financiering was rond (vier miljoen gulden voor IRD) en het project kon starten.

Vertraging Kritiek Voordat de hogeschoolraad in december 1978 besloot over de deelname van de LH, liet de PSP in haar nota 'de samenwerkingsverbanden van de LH met Indonesië (2), enige waarschuwingen horen: 'Op het eerste gezicht lijkt het allemaal niet zo gek. Bij de technische problemen en oplossingen wordt rekening gehouden met sociale factoren en met beleidsaspecten. Wat in het project

Na de start begonnen meteen moeilijkheden. IRD-projectcoördinator Veenkamp stelt dat pas in januari 1980 een feitelijk begin kon worden gemaakt met de samenwerking (5). Dit ruim een jaar na goedkeuring. De eerste oorzaak van de moeilijkheden en vertragingen was de ongelijke start van de Nederlandse deelnemers. De Fysische Geografen, bijvoorbeeld, zaten bij aanvang van het IRD-project in juni 1978 al in Indonesië (6). Veenkamp conclu-

Het gezamenlijke International Rural Devei

Kans op sukses workshop Herman

Fleer

deert in februari 1979 'Als wij het interdisciplinair karakter van het IRD subprogramma serieus wiHen nemen, dan rest ons derhalve geen andere keus dan te aanvaarden dat de ongelijktijdige start van de verschillende Nederlandse deelnemers een aanzienlijke vertraging oplevert' (7). Opvallend is in dit verband een opmerking uit de brief van Prof. Van Maaren (Boshuishoudkunde) begin 1980: 'Men spreekt nu over de tweede fase in 1981 t/m 1984, dus vier in plaats van drie jaar' (8). Blijkbaar wordt, vanwege de moeilijkheden en vertragingen, de tweede fase nu al verlengd met een jaar, nog voordat door de hogeschoolraad de eerste fase geëvalueerd en de tweede goedgekeurd is.

Integratie

Het is duidelijk dat de situatie in de Serayuvallel ernstig is. De gronden die momenteel ontbost worden, zijn noodzakelijk geworden voor de landbouw (Maïs, cassave, soja). Op de vaak steile hellingen zal dit vaak resulteren in ernstige erosie en op den duur steriele bodems. De plaatselijke bevolking beseft al lang en terdege dat de steile hellingen door een vegetatiedek beschermd moet worden. Als men echter vraagt waarom men desondanks doorgaat met kappen, dan is het antwoord onveranderlijk: 'Wat moet ik anders, ik héb nü hout nodig om te koken en mijn Gula Jawa op te bereiden' (14). In het IRD-project gaat het er nu om om aan de UGM kennis en Inzicht te verschaffen waarmee dergelijke problemen opgelost kunnen worden, met behulp van een geïntegreerde aanpak. Simpel herbebossen echter, zonder de bestaande redenen voor ontbossing te nemen, zal nooit een oplossing geven.

Nadat, door het samenwerkingsverband 'IRD' te noemen, de vier miljoen van het NUFFIC binnen waren, moest er nog eens gepraat worden over wat IRD nou eigenlijk

Sinds oktober 1979 is er permanent een Nederlander ter plekke gesta-

inhield. Verder wist men nog niet precies wat de diverse disciplines nu eigenlijk wilden en hoe dat het beste in het samenwerkingsverband geconcretiseerd kon worden. Veenkamp: 'Een eerlijk inzicht in eigen mogelijkheden van onze kant kan overigens ook geen kwaad. IRD is een vlag die de lading niet dekt. Voor een echte IRD-benadering zijn meer disciplines, mankracht en geld nodig, dan wij kunnen bieden en waarmaken in het kader van het samenwerkingsverband. Bovendien was aan beide kanten veel misverstand voorkomen - ik heb de stukken van de studenten in Wagentngen pas ontvangen (bedoeld is de PSF-nota; red.) - als we vanaf het begin het programma consequent "upgrading for IRD" hadden genoemd.' Voorts was het ook nog onduidelijk wat de Indonesische partner, de UGM, voor ogen stond. Uit dezelfde nota: 'Al onze fraaie verhalen in het groene boek (het Memorandum voor het samenwerkingsverband; red.) zijn nooit echt gelezen' (7). Bij een derde te noemen oorzaak spitst het conflict tuisen de diverse deelnemende disciplines zich toe op de onderzoekslocaties. De ene club wü naar een 'dubieus' gebied, (9) terwijl een andere zich daar onmogelijk mee verenigen kan en dus ergens anders is gaan zitten (11). En een derde loopt erover te denken vijfhonderd kilometer verderop te gaan zitten. Allemaal dus in dit 'geïntegreerde' project.

tioneerd. Ook vinden er al diverse upgradingscolleges voor de staf van de UGM plaats. Omdat alles nog niet zo heel erg duidelijk was werden er verder nog diverse reisen vanuit Nederland gemaakt, om een 'workshop IRD' in januari 1980 voor te bereiden. In deze workshop stonden twee vragen centraal: '1. Wat betekent nu eigenlijk onze gemeenschappelijke IRD-oriéntatie?' en '2. Hoe moeten en kunnen we de samenwerking tussen de vier projecten van het IRD sub-programma) het beste concretiseren?' Dit dertien maanden na goedkeuring van het samenwerkingsverband door de LH. Aan het slot van de workshop werd unaniem gekozen voor de opvatting dat rurale ontwikkeling alleen maar echte ontwikkeling kan zijn als: zij gericht is op de positie en de problemen van de armen. Zij maken de meerderheid van de rurale bevolking uit en rurale ontwikkeling zal nooit slagen als hun positie niet aartzienlijk wordt verbeterd, - rurale armoede onderkend en benaderd worden als een complex probleem met economische, sociale, culturele, technische, politieke en andere oorzaken, — gekozen wordt voor een ontwikkelingsstrategie die geabsorbeerd kan worden door de locale bevolkingen, de locale belangen en prioriteiten stap voor stap in acht genomen worden, zodat er een reéle mogelijkheid kan ontstaan voor participatie van de bevolking in de ontwikkeling' (5).

Woricsliop

Als antwoord op de tweede centrale vraag heeft men op de workshop besloten om '.. .op twee manieren naar samenwerking te streven: door het uitvoeren van gemeenschappelijk of op elkaar afgestemd ßeerjonderzoek en door het regelmatig houden van interdisciplinaire discussies, uitmondend in jaarlijks te houden IRD-workshops' (5).

Realisatie Wat betreft het geïntegreerde karakter; uit het locatieconflict is al gebleken dat de verschillende betrokken disciplines in verschillende gebieden zitten. Voor zover zij bij kleine pllotprojecten (met als doel 'upgrading' van de staf) in één gebied gaan werken, beperkt de integratie zich tot het uitwisselen en gebruiken van eikaars gegevens. Met betrekking tot de participatie van de bevolking kan men zich afvragen of er inderdaad al contact is tussen de 'rural poor* en de medewerkers van het sub-programma. Dit lijkt tot nu toe nog nauwelijks of niet gerealiseerd, gezien de moeite die de Nederlanders al hebben met de Indonesische counterparts. (Zie

artikel: 'Javanen lijken moeite te hebben met denken in structuren en schema's'). In een reisverslag van oktober-november 1979 kan men lezen: 'Nogmaals zij geconstateerd, dat de sleutel voor werkelijke verbeteringen in de Indonesische samenleving meer van sociale dan van technische aard is'(16). In de eeirste haUjaarlijkse voortgangsreportage van maart 1980 (12), blijkt dat de onderzoeksactiviteiten van de 'up te graden' counterparts in louter technische deelonderwerpen zijn geformuleerd. Als de sociale bijdrage enkel moet komen van de andere deelnemende discipUnes (sociaal geografen, sociaal geneeskundigen, antropologen), is er nauwelijks sprake van integratie. Het complexe probleem blijft'verknipt en het sociale aspect is nergens impliciet in de technische activiteiten terug te vinden. Op grond van de uitkomsten van de IRD-workshop en bovenstaande uitspraken zou men verwachten dat men zich bijvoorbeeld zou afvragen in hoeverre de ontwikkelingsproblemen het gevolg zijn van het door de Indonesische regering gevoerde sociaal-economische en politieke beleid. Zonder een analyse van de situatie van onderontwikkeling, ontvangen de stafleden van UGM een upgrading waarvan men dan veronderstelt dat die automatisch tot de gewenste plattelandsontwikkeling zal leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 174

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's