Ad Valvas 1980-1981 - pagina 76
A D VALVM
I n Nederland leven momenteel zo'n 600.000 buitenlanders. Als we daarvan de Surinamers, Antillianen, Molukkers, Zuidamerikaanse vluchtelingen, zigeuners. Chinezen en niet te vergeten de Vietnamezen vanaf trekken, dan houden we zo'n 270.000 Turken, Marokkanen en andere mensen uit het Middellandse Zeegebied over. Het Centraal Planbureau voorspelt dat er in de jaren '80 nog zo'n 200.000 bij zullen komen, voornamelijk door gezinshereniging en door in Nederland geboren kinderen. Het is duidelijk dat Nederland een pluriforme samenleving geworden is. De problemen die dat oplevert zijn nauwelijks te overzien. In dit artikel gaat het om mensen die afkomstig zijn uit de Mediterrane landen, gewoonlijk gastarbeiders. Hoe komt het dat er in Nederland zoveel gastarbeiders zijn? Waarom zijn ze hier gekomen en waarom blijven ze? We spraken met de heer A.A.J. van der Velden, direkteur van de Stichting Buitenlanders 'Peregrinus' ('Peregrinus' is latijn voor 'vreemdeling met rechten') in Beverwijk. Ad van der Velden (51) is sinds 1956 werkzaam in het welzijnswerk voor buitenlandse werknemers, eerst als stagiaire bij het Bedrijf sapostolaat in de IJmond, daarna als maatschappelijk werker bij de toen net opgerichte Peregrinus-Stichting, later als dlrekteur van diezelfde Stichting. 'Na de Tweede Wereldoorlog begon Nederland moeizaam aan zijn wederopbouw. In de jaren 1945-1955 veranderde er ontzaglijk veel. Aan de ene kant werd ons land van een voornamelijk agrarische samenleving tot een zich steeds verder ontwikkelend industrieland. Dit leverde een overschot aan boerenarbeiders op. Aan de andere kant vroeg de industrie om steeds meer, vooral ongeschoolde arbeiders. Aanvankelijk haalde de industrie, die vooral
gevestigd was in het westen en in Limburg (mijnbouw) haar werknemers uit Groningen, Drente en ook wel Priesland. Dit waren in feite de eerste gastarbeiders, in de meest letterlijke zin van het woord. In Limburg werden deze mensen voornamelijk ondergebracht in zogenaamde "gezellenhuizen". In de randstad in pensions, hotels en kosthuizep.' 'Maar zo rond het midden van de jaren '50 kon ons land niet meer voldoen aan de behoefte aan arbeidskrachten van de industrie. Na de Staatsmijnen ging ook de Federatie Werkgeversvakverenigingen overleggen met de regering en de vakbonden. De overheid gaf toestemming om arbeiders te gaan werven in Italië. Juist dit land werd aanngewezen omdat Nederland en Italië allebei lid waren van de Kolen- en Staalgemeenschap. Italië kampte met een strukturele werkloosheid, en wilde dus wel arbeiders leveren.' 'Er werden allerlei voorwaarden gesteld aan het verblijf van de Italianen hier in Nederland. Er werd met elke ItaUaan een arbeidsovereenkomst gesloten waarin de werkgever verplicht werd gesteld om voor huisvesting te zorgen en waarin de werknemer naast zijn gewone vakantie- en snipperdagen (negen plus zes!), ook nog zes reisdagen toebedeeld kreeg. Belangrijker is dat iedere Italiaan werd aangenomen voor een termijn van een ä twee jaar. Voorzien werd dat hij dan weer zou vertrekken. En bovendien was het uitdrukkelijk verboden om het gezin te laten overkomen, behalve dan als toerist. Het is wel voorgekomen dat een Italiaan toch zijn vrouw had laten overkomen, dat die vrouw hier in Nederland een baan had gevonden, dat er aan het echtpaar een huis toegewezen was en dat er dan na verloop van tijd toch een dwangbevel kwam waarin stond dat de vrouw stante pede werd uitgewezen. De overheid wilde Nederland beschermen tegen een te grote toeloop van immigranten, koste wat kost.'
Een gesprek met direkteur A. A. J. van der]|
„Alle krachten Inzi uh achtersta^ land werd op een zondag in de winter in de kerk vanaf de kansel tot de ouders de waarschuwing gericht ervoor te waken dat hun kinderen dochters - niet met vreemdelingen uit zouden gaan.' 'Voor de ItaUanen was het allemaal niet een6oudlg. Ze waren hier nauwelijks voorbereid heengekomen, spraken geen Nederlands, werden slecht gehuisvest en hadden geen plaats waar ze met landgenoten konden praten. Hun ouders of gezin hadden ze in ItaUë achter moeten laten. Het was begrijpelijk dat ze uit verveling en onvrede vaak de straat opgingen.' 'De drang tot aanpassen aan de Nederlandse samenleving was gering. Ze zouden immers toch weer terug gaan. Zo redeneerde de Nederlandse overheid ook. Daarom werden er nauwelijks maatregelen genomen om deze mensen op te vangen. Het enige wat er indertijd aan opvang werd gedaan kwam van de bedrijfsapostolaten. Hieruit is in de IJmond de Peregrinus-Stichting ontstaan. In de loop der jaren heeft de Stichtmg een algemene signatuur gegeven en op het ogenblik zijn er in Nederland achttien van
zulke stichtingen werkzaam. Maar de overheid deed aanvankeUjk niets.'
'Na een kleine ekonomische inzinking rond 1959 werden de grenzen een tijdje gesloten voor buitenlandse arbeiders. Maar tn het begin van de jaren '60 werd het tekort aan arbeidskrachten weer steeds groter. De Italianen die hier al waren kregen veelal toestemming om te blijven. Uit Italië kon men niet voldoende mensen meer werven. Sparde werd het volgende weiv vingsland. Aanvankelijk gaf men de voorkeur aan ongehuwde en geschoolde mannen. Later werd men soepeler en zo kwamen er steeds meer gehuwde en ongeschoolde mannen. Voor deze laatste groep gold dat gezinsoverkomst alleen de eerste drie jaar was uitgesloten. Dat de overheid geleideUjk aan soepeler werd ten aanzien van gezinsoverkomst is in eerste instantie het werk van de verschillende stichtingen voor buitenlandse werknemers. Die stelden dat het onmenselijk was
Italiaanse 'gastarbeiders' op een dagje uit in Volendam.
Dochters 'De Nederlanders', zo vertelt de heer Van der Velden, 'die in de gebieden woonden waar de eerste Italianen gehuisvest werden, reageerden gematigd op de nieuwkomers. Dat is op zich niet zo vreemd. In elke gesloten gemeenschap staat men afwijzend tegenover nieuwelingen. De burgerij was vooral bang voor haar dochters. Eäi inderdaad maakten de ItaUaneri nogal eens indruk op de meisjes. In een van de plaatsen van Midden-Kennemer-
Als ziekteverzuim niet teveel zou stijgen
In dienst nemen schoonmakers niet veel duurder dan uitbesteden aan GOM De diskussie over het al dan niet ir eigen VU-dienst nemen van d< schoonmakers duurt voort. D« ABVA-man Kick van de Poll gal vorig jaar de stoot tot de diskussie toen hij op een forum over een mogelijke VÜ-bijdrage tot het scheppen van meer arbeidsplaatsen via het verkleinen van de salarisverschillen opmerkte dat je zoiets landelijk zou moeten aanpakken en dat de VU als zij ook eens iets extra's op sociaal gebied wilde doen maar eens moest beginnen met de schoonmakers hier in eigen dienst te nemen. Als werknemers van het particuliere schoonmaakbedrijf GOM zouden de VU-schoonmakers (veelal buitenlanders) nu niet bepaald in een benijdenswaardige positie verkeren. De fototentoonstelling '5% materiaal... 95% arbeid' opgezet door twee VU-studenten illustreerde dat enkele maanden later treffend. Evenals de reportages in Ad Valvas die volgden. De CNV-hoofdbestuurder P. de Haan, gaf in AV als zijn mening te kennen dat het eerlijker en ver standiger zou zijn de schoonmakers in vu-dienst te nemen. Intussen hielden ook de commissie Personeelszaken van de UR en de Com-
missie van Overleg zich met de zaak bezig. Het College van Bestuur heeft nu in een nota aan beide kommissies ook een bijdrage tot de diskussie geleverd. Conclusie ervan: de kosten van het schoonmaken van de VUgebouwen tn eigen beheer zou ongeveer 20 procent duurder worden wat de v u ongeveer een miljoen pei jaar extra zou kosten. Reden voor het CvB hen maar niet in VUdienst te nemen. Wel dient de VU zich verantwoordelijk te voelen voor het aantrekken van bonafide schoonmaakbedrijven die ook in sociaal opzicht aan algemeen maatschappelijke eisen voldoen. 'Voorts is een bijzondere aandacht voor de gastarbeiders onder het schoonmaakpersoneel op zijn plaats, gelet op de problemen die deze mensen binnen de Nederlandse samenleving ondervinden.* In de nota wijst het CvB erop dat de universiteit een doelorganisatie is gericht op het beoefenen van wetenschap tot uitdrukking komend
in onderwijs en onderzoek. De VU heeft zich tot nu toe op het standpunt gesteld dat deze t3T)isch universitaire taken zoveel mogeUjk in eigen beheer dus door personeel in eigen dienst moeten worden uitgevoerd. Op de vraag in hoeverre allerlei hulpdiensten van zeer uiteenlopend karakter (zoals het schoonmaken) tot universitaire taken gerekend moeten worden kun je geen algemeen antwoord geven. Dat zal mede afhankelijk zijn van wat buiten de eigen organisatie geboden wordt meent het college. Eäi dan wijst het CvB op de specifieke markt voor dienstverlening via schoonmaakbedrijven die de laatste decennia is ontstaan. Steeds meer instellingen en bedrijven zijn ertoe overgegaan het schoonmaakwerk uit te besteden aan deze gespecialiseerde bedrijven. Wat de hogescholen en universiteiten betreft wordt het schoonmaken alleen bij de LH Wageningen, en delen van de KU-Nijmegen en de RU van Utrecht in eigen beheer uitgevoerd (het CvB vergeet de UvA en haai eigen faculteit Geneeskunde vooi het gemak maar even Red.)
Jannetje Koelewijn
Spanjaarden
Wijzend op het feit dat de particuliere schoonmaakbedrijven thuis zijn op de wat bijzondere arbeidsmarkt van schoonmakers (veel part-time werk en veel verloop), en dftnirgnj een specifieke bedrijfsvoering en eigen opleiding en kadertrainii^ goede kwaliteit kunnen leveren meent het college dat juist zo'n bedrijf de mc^elijkheid biedt het schoonmaakwerk een h<^;ere sociale waardering te geven.
om gastarbeiders alleen maar te zien als werkkracht. De industrie en de overheid hebben de gastarbeiders heel lang alleen maar gezien als een tijdelüke rader in het uurwerk van de Nederlandse ekonomie, dat zodra bet nodig was er weer uitgehaald kon worden.' 'In de Jaren '60 bleef de Nederlandse industrie behoefte hebben aan gastarbeiders. Ze werden van steeds verder weg gehaald: Turkije, Griekenland, Malta, Portugal, J o ^ o s lavië en Marokko. Met al deze landen werden zogenaamde bilaterale kontrakten afgesloten. Met Marokko gebeurde dat pas in 1970, terwijl er al vanaf 1962 Marokkanen in ons land werkten. In feite illegaal, maar de overheid stond erachter. Ze werden als buffer gebruikt in de toen nog bloeiende mijnbouw. Al die jaren dat er geworven werd heeft men het Idee gehad, dat deze mensen na verloop van jaren wel weer zouden vertrekken.' T o t in 1978 bleef de overheid zeggen dat Nederland geen immigratieland was. Dat daar uiteindelijk toch verandering in kwam, heeft veel te maken met de toeneming van de overkomst van geänsleden van gastarbeiders èn met de enorme toevloed van Surinamers in de tweede helft van de jaren '70. Door de komst van de Surinamers werd het aantal buitenlanders, dus inklusief de gastarbeiders, in onze samenleving zo groot, dat men wel moest gaan inzien dat Nederland een pluriforme samenleving was geworden. Pas aan het eind van de jaren '70 ging de overheid daadwerkelijk een beleid uitstippelen om buitenlanders in de gehele samenleving op te nemen. Voor wat de gastarbeiders betreft r^kelijk laat Nu zitten we met het probleem van duizenden mensen die nauwelijks aangepast zijn aan de Nederlandse
konklusie hem sterk meevalt. De extra kosten zitten hem dus vooral tn een te verwachten hoger ziekteverzuim. De bonden twijfelen eraan of zo'n verwachting reëel is en als een geldig argument gehanteerd kan worden. Het door het CvB aangehaalde verzulmpercentage by het ziekenhuis van 25 procent zou best eens te maken kunnen hebben met het gevoerde personeelsbeleid. Zoals het lagere ziekteverzuim bij de GOM weer te maken heeft met een te strak personeelsbeleid dar. Het CvB-argument overtuigt hem niet. Bij een ander personeelsbeleid zou het ziekteverzuik misschien hetzelfde kunnen blijven zodat ui dienstnemen van de schoonmakexs wel mogelijk wordt. Het college moet maar e^is een nadere studie van het verzuim maken, zo vroegen de bonden. In een tweede ronde aal het CvB op de zaak terug komen.
Meest interessante konklusie is eigenlijk wel dat n a wat rekenweiic geconstateerd moet worden dat bij een gelijkblijvend of iets hoger ziekteverzuim-percentage bij indienstneming de totale VU-kosten aardig in de buurt blijven van de kosten die het schoonmaakbedrijf cte GOM de VU in rekening brengt. Pas i^anneer je ervan uitgaat dat het verzuimpercentage flink zal stijgen (van 15 tot 25 procent) zouden de totale kosten (incl. extra beurten) ongeveer een miljoen hoger komen te liggen.
'BGDzou wat strenger moeten zijn'
Het kommentaar van de ABVAafgevaardigde in de Commissie van Overleg met het CvB Jaap de Visser is dan ook dat deze rekenkundige
Inteiessant is in dit veriiand de vide van de heer Brosky beheerder van het Geneesknnde-gelionw, die driekwart van ^ n schoonmakers
1Z. Bmsky:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980
Ad Valvas | 466 Pagina's