Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 443

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 443

11 minuten leestijd

ADVALVAS —19 JUN11981

5

Amerikanen houden XDA-rebels' nauwlettend in de gaten

Nederland: van 'super loyaal' tot 'gewoon' bondgenoot In materieel en ook wel in politiels opzicht zijn de afgelopen j a r e n voorwaarden geschapen die kunnen leiden tot intensieve militaire samenwerking in West-Europa en mogelijk zelfs tot een eigen Westeuropese kernmacht, in sociaal-psychologisch opzicht echter lijkt die ontwikkeling minder te worden ondersteund, zeker in Nederland. In ons land neemt het verzet tegen kernwapens toe en is zelfs een tendens waarneembaar in de richting van een terugkeer n a a r de vooroorlogse neutraliteit. Dat is grof geschetst de lijn die n a a r voren komt in het interview dat wij met polemoloog Ben Oostenbrink hadden leider van een onlangs gestart projekt over 'binnenlandse invloeden op het extern nederlands veiligheidsbeleid'. In dit nieuwe onderzoek waarop Ben wil gaan promoveren en dat hij samen met Wim Noomen uitvoert, wordt nagegaan welke veranderingen zich sinds 1970 in Nederland in het denken over vrede en veiligheid hebben voorgedaan en in hoeverre die de opstelling van de nederlandse regering t.o.v. de NAVO hebben beïnvloed. Onderstaand interview vulden wij a a n met door Ben aangedragen materiaal. Hoe siet Ben de materiele voorwaarden die souden kunnen leiden tot zo'n eigen westeuropese kernmacht? Destijds, zo vertelthij, hoorde je dat zo'n kernmacht er niet zou kunnen komen omdat niet aan de politieke voorwaarden eraan zou zijn voldaan. ~ Die redenering vond Ben echter weinig bevredigend omdat er onder de oppervlakte wel degelijk ontwikkelingen aan de gang waren die een eigen westeuropese kernmacht kunnen bevorderen. Die lagen zowel op politiek als op industrieel nivo. Politiek groeide de wens om op defensief gebied meer te gaan samenwerken. Zo deed de nederlandse minister van defensie in het kabinet-Den Uyl Vredeling in 1976 in Leuven de uitspraak dat defensie de motor zou moeten worden van de europese integratie. In 'Socialisme en Demokratie' werden dergelijke opmerkingen ook gemaakt en in België waren soortgelijke > gedachten te lezen in het rapportTmdemans over de eui'opese samenwerking. In industrieel opzicht groeide de samenwerking tussen militaire Industrieèn in Europa. Rapporten van de Europese Gemeenschap bepleitten dat ook met name op het gebied van de electronica. Ben's collega Sami Faltas onderzoekt het militair-industrieel kompleks in Europa en kijkt daarbij vooral naar de electronische industrie en de scheepsbouw. Twee takken van nijverheid die met name de groeiende afhankelijkheid van de industrie van militaire opdrachten illustreren. In ons land zijn de recente onderzeeboot-orders uit Taiwan een duidelijk voorbeeld. Voor een man als Vredeling was de voornaamste reden voor meer europese samenwerking de uit de hand lopende kosten bij langer naast elkaar optrekken. Als de kostenontwikkeling zou doorgaan zou, de inflatie buiten beschouwing gelaten, met zijn begroting tegen het jaar 2034 nog maar één vliegtuig kunnen worden aangeschaft. Om die reden bepleitte Vredeling standaardisatie en verdeling van taken onderling, wat zou leiden tot grotere onderlinge samenwerking. Nu de zogeheten 'nucleaire garantie' van de Verenigde Staten (de garantie dat de VS bij een kemaanval op Europa zelf ook naar het kernwapens zullen grijpen om Europa te verdedigen) wel eens niet zo 'eeuwig' zou kunnen zijn als men altijd dacht is bovendien een randvoorwaarde geschapen voor meer militaire samenwerking die tot een eigen kernmacht zou kunnen leiden, Ben meent dat je met deze mogelijkheid rekening moet houden wil je niet voor voldongen feiten komen te staan. Begin 1962 spraken de ministers Strauss, Chaban-Delmas en hun Italiaanse collega al over zo'n kernmacht en in 1978 kwam het punt weer terug in een pleidooi van franse generaals in een wetenschappelijk tijdschrift voor een nauwe frans-duitse samenwer-

Jaap Kamariing king waarbij Frankrijk vooral de technologie en Duitsland vooral het geld zou kunnen leveren. De diskussie komt in golven steeds weer terug. Wil zo'n ontwikkeling kans van slagen hebben dan moet er natuurlijk wel een sociaal-psychologische basis voor zijn, m.a.w. zijn de europeanen er zelf wel aantoe. Vandaar dat Oostenbrink hun opvattingen over nauwere europees-militaire samenwerking ook met het oog op de 'nucleaire garantie' wel eens wilde nagaan. Dat idee werd echter afgekapt door de vaste kommissie van zijn faculteit omdat het nagaan van veranderingen in opvattingen in PRankrjjk, West-Duitsland, Nederland en Engeland een veel te breed onderzoek zou worden. Daar zou een tienjarenplan voor nodig zijn. Daarom beperkte Ben het onderzoek tot Nederland. De opzet werd bovendien in zoverre gewijzigd dat ook de invloed van eventuele veranderingen op het nederlandse veiligheidsbeleid zou worden nagegaan. Volgens Ben zijn er aanwijzingen dat de publieke opinie in ons land tegenover met name de kernbewapening maar ook de buitenlandse poUtiek de laatste jaren een stuk kritischer is geworden. Je ziet dat aan de ruime aanhang die vredesorganisaties als het IKV en Pax Christi voor hun ideeën weten te vinden. Je ziet het ook aan de standpunten van partijen als PvdA en CDA. De PvdA is in zijn houding tegenover de modernisering van de kern'Äfapens radicaler dan zijn zusterpartijen in Europa en voor het CDA geldt in feite hetzelfde. Als je kijkt naar de effecten van een kritischer publieke opinie op het nederlandse veiligheidsbeleid dan kun je de ontwikkeling konstateren van Nederland als zo ongeveer de trouwste bondgenoot van de VS tussen 1960 en 1970 tot een 'gewone' bondgenoot zoals de andere nu. Van Staden, die op dit punt onderzoek verrichtte zag als kenmerkend voor de nederlandse rol in het Atlantisch bondgenootschap tussen 1960 en '70 het verlenen van (bijna) onvoorwaardelijke diplomatieke ^teun aan akties van de VS en een sterke vereenzelviging met de doelstellingen en de belangen van de alliantie in haar totaliteit. Verder het willen zijn van het goede voorbeeld voor andere bondgenoten, het streven naar versterking van de militaire integratie en de politieke samenwerking van de alliantie en een gewetensvolle nakoming van gedane beloften. 1)

Luns-timeover Hij wordt daarin bevestigd door Voorhoeve die konstateert dat in de Verenigde Staten Nederland (met name Luns en prins Bernhard) als 'very loyal ally' werden beschouwd 2).

Aan deze opstelling lijkt een einde te komen na het vertrek van Luns als minister van buitenlandse zaken uit de nederlandse politiek ('Luns-time is over') in juli 1971. Het nederlandse beleid tegenover de kommunistische landen wordt soepeler (erkenning DDR, bezoeken aan Oosteuropese staten), er Worden officiële protesten ingediend tegen het amerikaanse Vietnambeleid, in de NAVO uit Nederland kritiek op Portugal en Griekenland (Van der Stoel), we willen het zuiniger aan doen (Vredeling) en in 1979 moet de regering gedwongen afzien van het besluit tot plaatsing van nieuwe kernwapens in Nederland. 'Het buitenlands beleid lijkt zich in een overgangsfase te bevinden,' schrijft Van Staden voorzichtig. Om twee redenen vindt hij echter die konklusie voorbarig. In de eerste plaats is het buitenlands beleid van ons land tot op grote hoogte de weerslag van wat zich buiten de landsgrenzen afspeelt. Vooral de ontwikkelingen van de relaties tussen de super-mogendheden en van die tussen de VS en West-Europa noemt hij van 'fundamentele betekenis' voor de buitenlandspolitieke oriëntatie van ons land. En daarover valt nog weinig met zekerheid te zeggen. In de tweede plaats heeft er tot dusver nog geen herformulering plaatsgevonden van de beginselen die na de oorlog aan het beleid ten grondslag hebben gelegen. De veranderingen betroffen de uitwerking van die beginselen en de presentatie van het beleid, niet de inhoud 3). Voorhoeve steunt hem in die mening waar hij schrijft dat in de periode 1970-'75 Nederland is veranderd van 'super-loyal' in 'normal ally'. Voorhoeve wijst er in dit verband op dat het defensie-aandeel op de nederlandse begroting daalde van 18,4 procent in 1960 tot 9,7 in 1977 ook al steeg het nederlandse aandeel in de NAVO-begroting van 4,1 procent tussen 1951 en '55 en 4,7 in 1976/1977. De gematigde opvatting van Voorhoeve en Van Staden wordt niet gedeeld door NRC-kommentator Heldring en de historici Wesseling en Boogman, die 'een beweging in de richting van neutralisme en pacifisme' konstateren (NRC van 13ll-'79). Volgens Wesseling zijn het 'europese en atlantische enthousiasme' 'Fremdkörper' in de nederlandse geschiedenis en hij signaleert in de scherpe kritiek op EG en NAVO een herleving van het tradi-

tionele beeld waarbij moralisme samengaat met neutralisme (Wesseling, Hollands Maandblad 1979).

VS-rapport Interessant is dat de veranderingen in de nederlandse publieke opinie en het regeringsbeleid ook in de Verenigde Staten niet onopgemerkt blijven. In een rapport voor een buitenlandkommissie van het Huis van Afgevaardigden uit december 1980 worden de ontwikkelingen in ons land helder geschetst, uitvoeriger dan die in landen als Engeland, Denemarken, Italië en Noorwegen (België vormt een uitzondering maar de taalstrijd daar is voor amerikanen ook erg ingewikkeld). In het rapport wordt gewag gemaakt van een 'diep gewortelde oppositie onder een groot deel van de nederlandse bevolking tegen kernwapens. Een oppositie met een brede basis die een kracht vertegenwoordigt welke door de regering niet genegeerd kan worden! Met stemverhoudingen en al wordt het 'intensieve' debat in ons parlement over de plaatsing van de nieuwe kernraketten geschilderd. Geconcludeerd wordt dat een positieve nederlandse beslissing waarschijnlijk alleen kan resulteren als de huidige regering (CDA en VVD) weer aan de macht komt met volledige steun van de fraktieleden. In dit verband wordt geconstateerd dat de keldering van een aantal loyalisten ('CDA-rebels') hun herverkiezing moeilijker zal maken. Men leeft dus aardig mee met het verzet dat in ons land leeft wat ook mag blijken uit de kommentaartjes die amerikaanse persburo's regelmatig optekenen uit de mond van Nico Schouten van het aktie-komitee 'Stop de neutronenbom'.

Vijandbeeld In een lezingencyclus over 'vijandbeelden' onlangs op suggestie van Ben op de VU gehouden (zie ook VU magazine van juni) valt ook een duidelijke accentverschuiving op. Vanaf 1974 (het kabinet Den Uyl trad in '73 aan) ontstond er opeens een positiever beeld van de 'vijand'. Uit een NIPO-onderzoek in 1980 bleek trouwens dat 52 procent van de nederlanders banger is voor onze eigen kernwapens dan voor de kommunistische dreiging uit het oosten. 'Niet Rusland maar de wapentechnologie is onze grootste vijand'

Het onderzoek dat Ben Oostenbrink en Wim Noomen zijn gestart vindt plaats in het kader van de activiteiten van de interdisciplinaire werkgroep polemologie aan de VU. Deze werkgroep is in 1973 opgericht door de faculteiten godgeleerdheid, letteren, wiskunde- en natuurwetenschappen, economische en sociale wetenschappen en de interfaculteit voor filosofie. In het onderzoeksplan betreft het centrale thema de rol van een 'integrerend' West-Europa in de Oost-West en de Noord-Zuid verhouding. Het onderzoek spitst zich toe op drie probleemgebieden: het ontwikkelingsbeleid, het veiligheidsbeleid en de wapenhandel. Gerrit Faber heeft zich tot 1978 vooral bezig gehouden met het eerste beleid: het ontwikkelingsbeleid van de EG in relatie tot de Derde Wereld en in het bijzonder de positie van Nederland hierin. Ben Oostenbrink, secretaris van de werkgroep houdt sich vooral bezig met het veiligheidsbeleid. Samt Faltas doet onderzoek naar de wapenindustrie en -handel. Vit de beleidsruimte onderzoek is pas een nieuw onderzoeksprojekt toegewezen over 'kernbewapening en ethiek'. Dit onderzoek, voorlopig voor twee jaar toegekend wordt gedaan door Gerrit Manenschijn, ethicus bij theologie en Bert Mvsschenga van het Bezinningscentrum en staat onder leiding van pro'. H.M. Kuïtert, hoogleraar ethiek en dogmatiek. Tenslotte is er dan nog het projekt van Boeker en Barnaby (zie slot van het artikel hiernaast).

schreef Leon Wecke al in 1978 in Hervormd Nederland. Ben: 'De memories van toelichting bij defensie worden langer en technischer, minder gekleurd dan vroeger maar wel technischer, men probeert aan te tonen dat Rusland zijn achterstand inhaalt en de NAVO een achterstand oploopt. Mijn konklusie is dat de regering tegenwoordig zich kennelijk gedwongen ziet zijn beleid erg goed te motiveren. Men kan niet meer volstaan met vage verwijzingen. Behalve de veranderingen in het denken over vrede en veiligheid en de opstelhng van de nederlandse regering is een (verder gelegen) doel van het onderzoek van Oostenbrink en Noomen het leveren van een bijdrage aan de diskussie over het nederlandse veiligheidsbeleid. Dat gebeurt dan door de alternatieven aangedragen door binnenlandse 'actoren' te beoordelen op logische konsistentie (samenhang), historische realiseerbaarheid en binnenlandse politieke haalbaarheid. Bij die alternatieven kan men bijvoorbeeld denken aan .het kleine landen-model van het IKV en het gradualistisch ontwikkelingsmodel. Bij het eerste gaat het erom dat Nederland zich aansluit by de groep van kleine ongebonden landen die zou kunnen gaan bestaan uit landen als België, Denemarken, Noorwegen, Roemenië, Polen en Joegoslavië. Het doel: de grote landen beïnvloeden zó dat ze de kemwapenwedloop opgeven. Het tweede model gaat ervan uit dat er ook een omgekeerde bewapeningsspiraal mogelijk is: elk stapje terug van het ene blok roept een stapje op van het andere. Een weer ander model is dat wat op dit moment ontwikkeld wordt door de VUnatuurkundige prof. E. Boeker samen met de directeur van het SIPRI (instituut voor vredesonderzoek in Stockholm) Barnaby, die onlangs een gasthoogleraarschap polemologie op de VU heeft gekregen. Hun model behelst een systeem van alternatieve verdediging door een stelsel van louter defensieve maatregelen op te zetten met veel nadruk op doelmatige electronische waarneming. Noten: 1) Van Staden 1974, bis. 221. 2) Voorhoeve 1979, blz. 122 3) Voorhoeve bis. 130.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's

Ad Valvas 1980-1981 - pagina 443

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1980

Ad Valvas | 466 Pagina's