Ad Valvas 1981-1982 - pagina 180
AD VALVAS — 4 DECEMBER 1981
12
Herinnert u zich de dag waarop u zich boos en gekwetst voelde? Wel, dat was 2 november jongstleden om 13.00 uur precies. Als u zich tenminste op dat tijdstip in een ware consumentendwang in de richting van het VU restaurant hebt begeven. In plaats van u tegoed te doen aan een broodje zoute haring, bleef u verlekkerd staren naar een ,geheel of nagenoeg ontklede, dame (kunstenares) met minstens zo schaars geklede assistent die elkaar m het kader van een voorstelling met verf bekladden. Achteraf realiseerde u zich dat u geconfronteerd werd met een onbekende en provocerende kunstuiting en kwam een gevoel van geschockeerdheid bij u op. Dat verklaarde de vele rooie wangetjes boven het driedelig grijs. De op dte datum voor het restaurant gehouden performance van mevrouw
W. Muhleisen is het CvB danig in het verkeerde keelgat geschoten. „Hiermee zijn naar onze overtuiging de grenzen van wat in een voor het publiek toegankelijke -en druk belopen- ruimte toelaatbaar is, duidelijk overschreden", schrijft het CvB aan het ACC, die deze kunstuiting naar het hoofdgebouw haalde in het kader van de Studium Generale over vernieuwingsmomenten in de kunst. Het CvB vindt dat dergelijke voorstellingen „hoogstens geschikt zijn voor een niet-publieke gelegenheid, waarbij dus niet de willekeurige voorbijganger zijn ondanks medeconsument van het gebodene behoeft te worden". Vanuit één vooronderstelling bekeken blijken dergelijke kunstuitingen dus voor de VU reeds overbodig. De ogen van de VU bevolking hoeven niet meer op artistieke wijze geopend te
worden, in tegenstelling tot wat vaak van wetenschappers gedacht wordt, namelijk dat zy oogkleppen dragen, want zelfs op hun hongertochten naar de lunch blijven zij waakzaam en oplettend of er nog iets waar te nemen valt. Het voordeel van zo'n openbare ruimte is nu juist datje zo makkelijk gewoon door kunt lopen. Weglopen uit een zaaltje als je iets niet bevalt is pas schokkend. Hoewel het CvB zegt over de artistieke kwaliteit van het gebodene geen oordeel te hebben, is het toch aardig de dame is kwestie zelf even aan het woord te laten: „De verwisseling van privé voor openbaarheid, is het moment waarop de kunst ontstaat. Ik geefm'n kritiek in een heel expressieve manier en het is onvoorstelbaar wat dat voor reacties oproept. H^t is zeker politiek wat ik doe, maar niet in die zin dat ik een concreet doel voor ogen heb, geen illusie, want juist daar ligt de begrenzing. Dat wat zich niet mag uiten manifesteert zich in geweld...". Of in opschriften op wc deuren, als we het toch hebben over wat meer geschikte ruimten voor performance voorstellingen. Als de opschriften, die blijkbaar snel gekwetsten daar aanbrengen eens plastisch in het openbaar werden tentoongesteld, worden niet nagenoeg naakten met verf beklad, maar komt een hoeveelheid fascistische en sexistische modder over je heen, dat je je werkelijk schaamt met zulke lieden op dezelfde plek te moeten schijten. Kunnen we ons daar niet eens druk over maken?." Tenslotte zegt mevrouw Muhleisen zelf dat goedbeschouwd kunst niets is.
Mensen van de VU „Myn jeugc^jaren zijn niet erg prettig geweest omdat het toen oorlog was. Onderwijs zat er bijvoorbeeld niet In want de meeste scholen waren gesloten. Om te overleven moest ik korenaren gaan rapen in de Haarlemmermeerpolder. In feite was het in leven blijven toen je voornaamste probleem. Ik vind het jammer dat ik slechts weinig onderwijs heb genoten maar ik heb er geen minderwaardigheidscomplex aan overgehouden. Ik geloof niet dat het mijn leven veel rijker zou hebben gemaakt. Primair vind ik het bij een werksituatie namelijk erg belangrijk dat je omgaat met mensen. Het hebben van een hoge opleidmg is daar gelukkig nog geen noodzakelijke voorwaarde voor. Dat • heb ik althans nog nooit zo ervaren." „Mijn werk bij twee scheepvaartmaatschappijen was in dit opzicht het meest interessant. Eerst heb ik een aantal jaren in „het Scheep vaarthuis" hier in Amsterdam allerlei baliewerk gedaan. Daarna ben ik me, voor een andere maatschappij, gaan bezighouden met het aanmonsteren van zeelieden voor onder andere de „Willem Barendsz.". De zeemannen voor deze walvisvaarder hadden geen vast contract en moesten per reis worden aangenomen Vaak moest ik dan mm of meer ronselen omdat voor bepaalde rangen nauwelijks personeel te krijgen was. Met name koksmaats en dekjongens waren moeilijk te vinden. In de avonduren zeemanshuizen bezoeken was eigenlijk de enige methode die succes had Dat dat overwerk niet werd betaald was een belangryk nadeel van die betrekking. Daar staat echter tegenover dat ik van de mensenkennis, die ik in die jaren heb opgedaan, in mijn verdere leven erg veel plezier heb gehad." „Begin zestiger jaren zag ook ik de crisis in de scheepvaart aankomen en dus ging Ik hard op zoek naar een vastere baan oftewel een overheidsfimktie. Die vond ik toen by de ziekenfondsraad. Wat me direct opviel was dat de werksfeer zo sterk verschilde van die van vrinstgevende bedrijven. De leus „tijd is geld" ging er veel minder op. Dit typische kenmerk van een ambtel\jke mstelling kwam ik ook tegen toen ik hier in '75 terechtkwam. Er waren trouwens nog wel meer contrasten. Zo zijn studenten en wetenschappelijk personeel een heel ander soort mensen dan bijvoorbeeld zeelieden. Iets anders waar ik aan moest wermen was het reilen en zeilen van een universiteit. In mijn eerste functie als secretariaatsmedewerker bij Psychologie kreeg ik dat echter al snel in de gaten. Ik ben daar ruim een jaar geleden weggegaan omdat ik door integratie van het bestuurs- en studiesecretariaat een dubbelfunctie kreeg die me echt te zwaar werd. Bovendien vond ik het werk te laag gesalaneerd.
Overigens vind ik het m het algemeen zo dat nieuw te benoemen personeel bij de VU te laag wordt ingeschaald. Als je daar als TAS'ser iets van zegt wordt het vaak voor kennisgeving aangenomen. Mijn ervaringen bij Psychologie hebben me geleerd datje als minderheidsgroep met zoveel hebt in te brengen." „Omdat ik de VU als christelijke instelling een aantrekkelijke werkgever vond wilde ik intern van betrekking veranderen. Zo ben ik hier als telefonist / receptionist beland. Nee, ik heb dit nooit als een specifieke vrouwenbaan gezien en ik heb er ook nooit iets negatiefs over gehoord. Wat dat betreft IS er denk ik toch wel een kentering aan de gang in het denken van de mensen over dit soort banen. Ja, en primair ben ik hier wel aangenomen als telefonist / receptionist, maar na de korst mogelijke tijd bleek al dat het secretariaatswerk veruit de overhand nam. De telefoon is ruim op de tweede plaats gekomen en het vriendelijk te woord staan van opbellers gaat me dan ook steeds moeilijker af. Het feit datje voortdurend moet omschakelen gaat namelijk ten koste van je concentratie. Men heeft gelukkig alle begrip voor mijn situatie want er zijn al vergevorderde plannen voor een rouleersysteem voor het aannemen van de telefoon door drie TAS'sers." „Het werken is hier vooral prettig door de prima werkentourage. De buurt is heel wat fraaier dan de omgeving van het hoofdgebouw en het pand zelf (Prms Hendriklaan 29, PvE) nodigt bijvoorbeeld meer uit tot contacten met het wetenschappelijk personeel. Ik denk er voorlopig nog niet over om te vertrekken. Wel ben ik bly dat ik verschillend werk heb gedaan in de 34 dienstjaren die achter me liggen. Ik denk dat het goed voor iedereen is om eens van bedrijfstak te veranderen. Als ik lees dat iemand er veertig jaar dienstverband bij één en
Galgala
John Roelfsema telefonist en receptionist m
m
Moest al op vroege leeftijd gaan werken omdat de onderwijsvoorzieningen in zijn jeugd gering waren. Heeft in zeer uiteenlopende branches gezeten. Via de scheepvaartindustrie en de ziekenfondsraad is hij in de universitaire wereld verzeild geraakt. John werkt hier nu zes jaar. Eerst bij Psychologie als secretariaatsmedewerker en nu bij Algemene Sociologie als telefonist I receptionist. Een van de weinige mannen met een dergelijke functie aan het VU geïnterviewd.
dezelfde baas op heeft zitten vind ik dat geen verdienste. Ik vmd het veel dynamischer om In verschillende branches gewerkt te hebben." P.V.E.
HBifr DE Si^r
NEt^EKS.
OBSN CENTJiS OM KHVOorjeS
juLUB rocH GtyEfJ viiL-.-
Amerikaanse impressies
Credits Voor enige vorm van demokratisering zijn de Amerikaanse universiteiten gespaard gebleven. Het is even wennen, maar besturen gaat hier met een Board of Overseeers en een President, een gezelschap dat enige herinneringen oproept aan de Curatoren en Directeuren van weleer. Inspraak bestaat, dat wel, maar alleen voor de hoogleraren (the Faculty), bij onduidelijkheid of verschil van mening beslist de Board - al met al een overzichtelijke situatie. De studenten en mmder hooggestegen stafleden zitten erbij en kijken ernaar. Dat is trouwens met eens zo'n oninteressante bezigheid, want als Board met Faculty overhoop ligt, kun je hier dingen meemaken als professorale aktiekommités en plcketlines van togadragers met borden voor hun buik. Niet dat de Collegae iets bereiken met dit type tijdspassering: in het overgrote deel van de gevallen komen ze niet verder dan de voorpagina's van de studentenbladen, en het is de vraag of ze dat een positief resultaat zullen vinden. Als regel vallen de gebeurtenisen toe aan de grootste grappenmaker onder de voorradige redakteuren, want als iets een pleister op de wonde van de underdog mag heten dan is het wel de aanblik van kijvende machthebbers. Ook de Inhoud van onderwijsprogramma's is een zaak for Board and Faculty only. Onder het aannemen van een laissez-faire houding tegenover de secundaire studeervoorwaarden (is een veelgehoord vervrijt) leggen de bestuurders de kaders vast waarbinnen de hoogleraren de studiegidsen opstellen. De studenten beginnen hun kommentaar over deze situatie meestal met uitdrukkingen als „let's face it" Ze zijn zo kritisch mogelijk geweest bij het kiezen van universiteit (onder deze omstandigheden een aktiviteit van vitaal belang), hebben studiegidsen vergeleken, oriënterende bezoeken afgelegd, hun financiële reikwijdte gemeten en eten zich nu zonder morren door de kolleges heen. En „let's face it" wie geld genoeg had om zich bü de beste dus duurste universiteiten in te schrijven heeft ook niet zoveel te morren, zit daarentegen op de eerste rang. Hoe dan ook, het leven van een undergraduate student lijkt me geen pretje. De undergraduateprogramma's, min of meer onze kandidaatsfases, barsten uit hun voegen van de requirements, een verzameling propedeuse-achtige verpUchtingen waaraan iedereen moet voldoen die het ooit nog eens tot graduatestudent wU brengen. Voor het grootste gedeelte zijn het eisen die voor iedereen gelden, voor de rest zijn het sine qua non's voor specifieke graduatestudles, dus in de geest van wiskunde n voor aanstaande natuurwetenschappers en statistiek voor sociologen in spé. Met elkaar in ieder geval een piakket om tureluurs van te worden; als je iemand hard voorbij ziet hollen dan is het een undergrad, op jacht naar zijn of haar creditpoints. Een beetje vrije tijd komt pas in de wat losser opgezette graduatefase aan de orde, voorlopig is er aUeen ruimte voor een kop kofiie en een cookie, of voor een gefrustreerde woordenwisselmg over nieuw aangekondigde requirements. Die komen namelijk nog al eens uit de hemel vallen. Op het ogenblik, bijvoorbeeld, debatteert de MITFaculty over een nieuwe requirement m de biologie, m verband met de sensationele ontwikkelingen In de biotechnologie. Het probleem (schijnt dit alles gebeurt achter gesloten deuren) alleen nog te zijn wat er dan aan requirement uit moet - want sinds een paar jaar heerst het inzicht dat er grenzen zijn aan wat een student in deze studiefase kan verstouwen. Aardig is dat er wel al eensgezindheid bestaat over het instellen van iets geheel nieuws, een writing requirement; die High School abituriënten van tegenwoordig, namelijk, weten niet meer wat schriftelijk rapporteren is. Nog aardiger vind ik dat de grote kampioen van deze nieuwe verplichting tevens hooggeleerd auteur is van een werkje waarvan de titel zich het beste laat vertalen met „hoe zet ik mijn gedachten op papier". Maar laat ik de MIT bazen niet teveel als slavendrijvers en egoïsten afschilderen. Ze hebben tenslotte, ter kompensatie voor al het studentenleed, tussen het herfst- en lentesemester een periode van drie weken ingeruimd waarin aUes mag en niets hoeft: de independent activities period. In deze periode mag ledere student, staflid of groepering op kosten van MIT de (academische) aktiviteit organiseren waar hij, zij, of het, de hele herfst naar gesnakt heeft, als het maar niet schadelijk voor de gezondheid van de rest is. Uit het eerste, voorlopige lAP programma van dit jaar blijkt dat men zich dat geen tweede keer laat zeggen. „It's up to you", is de grote slagzin, en daar gaan we dan In Vino Veritas is de naam van de kollegeserie die professor Linn Hobs (Department of Materials Science and Engmeering) zal verzorgen rondom het thema „wine appreciation'. De Studenten wordt verzocht een eigen wijnglas mee te brengen. De afdeling Frans organiseert een trip naar Parijs voor de bestudering van de Comedie Frangaise-shows, de schilderijen van het Louvre, de graftombe van Jim Morrison en „much, much, more". Ja ja. Laat ik ook nog even een paar vooroordelen bevestigen: terwijl de alfa- en gammarichttngen ook m deze periode proberen te bewijzen dat ze aanspraak mogen maken op de titel „wetenschap", door het organiseren van serieuze lezingen, breken de beta's weer los in allerlei ongein. Naast de onvermijdelijke schaaktoernooien en rubik's cube wedstrijden onderwijst prof. Gutowski samen met de student J. Ford (Mechanical EngineeringDepartment) how to make a ftisbee, en organiseert een koUega by natuurkunde een wedstrijd boemerangwerpen. De kroon spant voor mij het Laboratory for Information and Decision Systems met een kursus Japans papiervouwen. Margreet Onrust
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981
Ad Valvas | 434 Pagina's