Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1981-1982 - pagina 142

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1981-1982 - pagina 142

11 minuten leestijd

AD VALVAL

Overzicht van wettelijke en bestuurlijke ontwikkelingen op universiteiten De universiteit krijgt de komende jaren te maken met ingrijpende veranderingen in het onderwijs-, onderzoek- en bestuursproces. Voor deze drie samenhangende onderdelen zijn nieuwe wetten aangenomen, in 'ontwerp gereed, of in voorbereiding. Uit commentaren op de plannen van het Ministerie valt de angst te lezen dat al die veranderingen tegelijkertijd wel eens te veel kunnen worden voor de universitaire bestuurderen. De universiteit komt, naar het zich laat aanzien, geschonden uit de strijd te voorschijn. De academicus met een vier-jarige opleidihg moet zich een plaats veroveren op de arbeidsmarkt. Als dat mislukt nemen de studentenaantallen af en zal de omvang van de universiteit evenredig afnemen. De vrijheid van onderzoek wordt aan strakke banden gelegd, of, met andere woorden hetzelfde gezegd, de academische vrijheid verdwijnt. Op zichzelf is dat geen ramp, want in het huidige tijdsbeeld heeft de onderzoeker met academische vrijheid de negatieve betekenis gekregen van iemand die met moeizaam opgebrachte belastingcenten, ongecontroleerd zijn gang gaat. De toetsing van het onderzoek die ervoor in de plaats wordt gesteld, voorziet echter in één controlerend orgaan per wetenschappelijke discipUne, die zijn visie op wetenschap kan toepassen op het onderzoek binnen een hele discipline, terwijl er geen eenduidige visie bestaat. Binnen iedere discipUne woedt nou eenmaal in meer of mindere mate een strijd over de gewenste voortgang van het onderzoek. Een wetenschapsgebied waarin geen controverse heerst, of waarin de controverse door politieke en budgettaire beshssingen niet toegelaten wordt, is ten dode opgeschreven. In dit artikel een overzicht van de wettelijk en bestuurlijke ontwikkelingen die het afgelopen jaar, beetje bij beetje al eens beschreven zijn, maar die hier, in hun onderlinge samenhang, nogmaals gepresenteerd worden. Weinig nieuws dus, maar wel een overzicht en een samenvatting. De Wet op de Tweefasenstructuur is vorig jaar door de Tweede Kamer aangenomen. Daarin wordt het universitaire ondei-wijs ingedeeld in een eerste fase met een vier-jarig programma, waar de student maximaal zes jaar over mag doen. Een daaropvolgende tweede fase mag slechts door een beperkt aantal van de eerstefase-doctorandi gevolgd worden. In de tweede fase worden twee-j arige onderzoekersopleidingen, 6 maanden durende lerarenopleidingen en „andere" beroepsopleidingen ondergebracht. Het aantal opleidingsplaatsen in de tweede fase wordt door de minister vastgesteld, waarbij de maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden voor het eerst binnen het wetenschappelijk' onderwUs als een criterium wordt gehanteerd. Nu de faculteiten bezig zijn met het programmeren van de eerste fase wordt steeds vaker de vertwijfelde vraag opgeworpen wat een eerstefasedoctorandus op de arbeidsmarkt aan zyn diploma heeft. De nieuwe minister van O W, Van Kemenade, zal de tweede fase-wet niet veranderen. Het effect op langere termijn kon wel eens zijn dat middelbare scholieren met het einddiploma op zak zich wel tweemaal bedenken voor ze een universitaire studie kiezen en eerder geneigd zullen zyn him heil in het hoger beroepsonderwijs te zoeken, waar ze tenminste in vier jaar tijd een beroep aangeleerd krijgen. Deze dreiging van afnemende interesse voor de academische studie zal grote gevolgen hebben voor de personele omvang van de universiteiten, wanneer althans de aantallen personeelsleden aan de universiteit op dezelfde wijze als nu gekoppeld blijven aan de studentenaantallen.

Hoger onderwijs De aangekondigde Kaderwet op het Hoger Onderwijs wordt, als de regeringswisseling niet een te grote vertraging veroorzaakt, nog dit vergaderjaar by de Tweede Kamer ingediend. Die wet brengt een belangrijke statusverandering voor het hoger beroepsonderwijs met zich mee. Het HBO werd vroeger geregeld volgens de wet waar ook de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, onder vallen. Een andere wet, die op het Hoger Beroepsonderwijs, Ugt al wel bij de Kamer klaar voor behandeling. Daar ligt ook de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs 1981, waarin de gang van zaken op de universiteiten

Wim Köhler wordt geregeld. Beide wetten, de HBO-wet en de WWO'81 gaan de basis vormen voor de Kaderwet Hoger Onderwijs. In die Kaderwet wordt de Integratie tussen de HBO-instellingen en de universiteiten geregeld, die er in extremo in kan uitmonden dat er belangrijke verschuivingen tussen HBO en de universiteiten gaan plaatsvinden. HBO-docenten krijgen in principe de mogelijkheid onderzoekprojecten op te zetten als ze daartoe gekwalificeerd geacht worden, terwijl beroepsopleidingen die traditiegetrouw aan de universiteit verbonden zijn wellicht naar het HBO geschoven worden. Vooral in WD-onderwiJskringen zijn al stemmen opgegaan het beestje bü de naam te noemen en artsen-, apothekers- en lerarenopleidingen bü de universiteit weg te halen. Hoe het ook zij, de HBO-wet en de WWO'81 ziJn in elk geval zo ontworpen dat de Kaderwet Hoger Onderwijs er makkelijk als overkoepelend geheel bovenop gezet kan worden.

Onderzoek De planning en de financiering van het universitaire onderzoek verandert. De sleutelwoorden zijn voorwaardelijke financiering en disciplineplannen. Die termen zijn ontleend aan de Beleidsnota Universitair Onderzoek (BUOZ-nota) die uiteraard geen wet is, maar het Parlement is er wel mee akkoord gegaan. Het instituut dlsciplineplan wordt wettelijk vastgelegd in de WWO'81, terwijl de voorwaardelijke financiering inhoudelijk afgeleid wordt van de disciplmeplannen en m het planningscircuit een begrotingstechnische uitwerking krijgt. In disciplmeplannen wordt een landelijke taakverdeling vastgelegd tussen de onderzoeksgroepen binnen één wetenschapsdiscipline aan verschillende imiversiteiten. In het afgelopen decennium zijn twee landelijke taakverdelingsafspraken tot stand gekomen, die het idee van een disciplineplan enigzins benaderen: die voor geologie en letteren. De uitkomst voor geologie was nogal rigoureus. In veel universiteitssteden had die richting de status van een bijvakstudie. -In Groningen werden (worden) geologen bijvoorbeeld tot het kandidaats opgeleid, daarna moeten ze naar Amsterdam of Utrecht om

hun studie voort te zetten. Amsterdam en Utrecht zijn de steden, die volgens de landelijke taakverdeling een volledige geologie-studie verzorgen en in Leiden zou de studie afgebouwd worden. Dit heeft tot processen bij de ambtenarenrechter geleid van Leidse geologen die zich tegen overplaatsing verzetten. Een zaak die nog slepende is. Het taakverdelingsplan bü letteren verkeert in de (tweede) afrondende fase. Volgens de voorstanders is er iets zinnigs uitgerold najaren vergaderen. Critici beweren dat alles bü het oude bUjft op enig geschuif met „marginale letteren" als fimoegristiek, Scandinavische talen en het Sanskriet na. Het letterenplan is, aldus oudminister Van Trier in het Wetenschapsbudget 1982, sterk op het onderwüs en de verdeling van leerstoelen gericht. Dit mag als kritiek opgezet worden omdat echte discipllneplaimen volgens datzelfde Wetenschapsbudget moeten leiden tot onderzoekprioriteiten, taakverdeling, voorwaardehjk te financieren onderzoeksprogramma's, investeringen en een leerstoelenbe-

van een universiteit zün geschrapt. Het onderzoek wordt in de toekomst „voorwaardelük gefinancierd" en er is in de BUOZ-nota dan ook een geldstroom ingevoerd die de voorwaardelüke financiering heet. Het is nog niet bekend hoe groot die geldstroom zal zün. De getallen die genoemd worden, komen overeen met 30-40% van het geld dat op het ogenblik door het Rük aan de universiteiten betaald wordt. Uit de voorwaardelüke financiering worden uitsluitend onderzoekprojecten betaald die een beperkte looptyd hebben, genoemd is wel een periode van vüf tot vüftien jaar. De projecten moeten passen in de taakverdeling zoals die in het landelüke disciplineplan is vastgesteld. Natuurlük heeft een onderzoekproject een zekere opstarttyd nodig om erkenning te vinden binnen de voorwaardelüke financiering. Het opstarten van nieuwe lünen van onderzoek komt echter geheel bulten de universiteit te liggen en wel bü ZWO, de tweede geldstroomorganisatie, die ook nu al kwalitatief goed onderzoek

13MOVEMBEP1S81

Toelichting be^'at een voorstel voor een nieuwe facultaire indeling. Slechts twee faculteiten houden daarbü hun oude samenstelling. Godge^leerdheid en Rechten. Uit de faculteit Geneeskunde wordt de Tandheelkunde als aparte faculteit afgespUtst. Let> teren wordt ook gesplitst in die zin dat er een aparte faculteit der Historie en Kunstwetenschappen wordt voorgesteld. Wüsbegeerte en Bedrijfekunde worden zelfstandige faculteiten, terwül het nu nog Inter-faculteiten zün. De Inter-faculteit der Actuariële Wetenschappen en Econometrie wordt bü de Faculteit der Economie ondergebracht. De Faculteit der Sociale Wetenschappen wordt gesplitst in een voor Sociaal-Culturele Wetenschappen en die voor Psychologische en Agogische Wetenschappen. De oude Wiskunde en Natuurwetenschappen Faculteit valt uiteen üi drie onderdelen: Wiskunde, Natuurwetenschappen (met natuurkunde, sterrenkunde, geologie en geofysica) en Scheikunde, Farmacie en Biologie. De Interfaculteit der Aardrükskunde en der Prehistorie tenslotte wordt omgezet in de Faculteit der Ruimtelüke Wetenschappen, terwül de Prehistorie bü de Historische Faculteit wordt ondergebracht. Het voorstel voor een facultaire herindeling zoals dat in de Memorie van ToeUchtlng op de WWO'81 is opgenomen, wordt door de minister uitdrukkelük gepresenteerd als een voorlopig standpunt. Er moet nog overleg met

leid.

Op het ogenblik worden er proefdisciplineplannen gemaakt voor scheikunde, sterrenkunde, niet-westerse sociologie, culturele antropologie, letteren (inclusief geschiedenis), psychologie en werktuigbouwkunde. Ze moeten voor 1 januari 1982 af zün en kunnen dan een rol spelen in de meerjarenafspraken tussen het ministerie en de afzonderlüke universiteiten die eind 1982 worden ondertekend. De disciplmeplannen moeten, volgens de ontwerp-WWO'81, opgesteld worden door de secties van de Academische Raad. Die secties worden, als de WWO'81 aangenomen wordt, op nieuwe wüze bemand en anders verdeeld over de disciplines als nu het geval is. In de secties komen vanuit de universiteit uitsluitend wetenschappers in vaste dienst en de mogelükheid bestaat dat er maatschappü-vertegenwoordigers door de sectie worden benoemd. De indeling naar diciplines is afhankelük gesteld van de herindeling van de faculteiten die weliswaar in de WWO'81 geregeld wordt, maar pas over enige jaren zün beslag zal krijgen. Bü de Kamerbehandeling van de BUOZ-nota is er al op gewezen dat de uivoering van de disciplmeplannen wel eens de doodssteek zou kunnen zün voor de autonomie van de universiteiten. Het gevaar dreigt dat in disciplineplannen tot in de details geregeld gaat worden welk onderzoek op welke universiteit uitgevoerd mag worden. Daarmee kan een dlsciplineplan in strüd komen met een universitair ontwikkelingsplan, waarin jaarlüks de universiteitsraad en het College van Bestuur hun plannen beschrijven. De vraag is nu of de ontwikkelingsplannen de basis vormen voor de disciplineplannen, of de disciplineplannen de basis voor een ontwikkelingsplan. De wetgever is daar in de WWO'81 niet duideUjk over, maar het lukt erop dat het door de minister geaccordeerde dlsciplineplan een hogere status krügt. De universiteit en vooral haar centrale bestuur kan in de toekomst wel eens de status van een louter infrastructuurverzorgende organisatie krügen.

Voorwaardelijke financiering Dat vermoeden over de toekomst van de imiverslteit als instituut wordt nog gesterkt door de ontwikkelingen rond de financiering van onderwüs en onderzoek. Volgens de WWO'81 worden er in de toekomst aan de universiteiten gespecificeerde bedragen toegewezen voor het onderwüs in de eerste fase; het onderwüs in de tweede fase; het onderzoek; de investeringen en de „overige voorzieningen", waaronder ook de studentenvoorzieningen vallen. Het aantal en de omvang van de eerste en tweede fase studierichtingen worden door de minister vastgesteld. Andere dan door de mmister goedgekeurde studierichtingen krügen geen geld, behoudens een afbouwsubsidie voor studierichtingen, die door de minister uit het onderwüsprogramma

binnen de universiteiten subsidieert. Het Ugt in de bedoeling dat „gevestigd" ZWO-onderzoek na afloop van enige jaren overgeheveld wordt naar de voorwaardelüke financiering.

Faculteiten De spil waar alles om draait, wordt in de WWO'81 structuur de faculteit. Of met andere woorden: de bestuurskracht en -invloed van het universitaire middenmveau worden versterkt. De faculteiten wüzen de vertegenwoordigers in de secties van de Academische Raad aan, dat gebeurt nu ook al, maar de secties krügen een veel belangrijker functie, Zü stellen de disciplineplannen op. De bevoegdheden van de faculteitsraad worden uitgebreid. De raad kan richtlünen voor de wetenschapsbeoefening aan de vakgroepen verstrekken. Tot nu toe moest de faculteitsraad de ingediende onderzoeksprogramma's van de vakgroepen formeel goedkeuren, In de WWO'81 is ook bepaald dat de faculteitsraad jaarlüks een begrotingsplan opstelt, waar het centrale bestuursniveau van de universiteit terdege rekening mee zal moeten houden. Willen de faculteiten deze nieuwe tendens naar behoren kunnen vervullen dan IS, aldus het Ministerie, een facultaire herindeling noodzakeUjk, In de WWO'81 worden de sub-faculteiten afgeschaft en de Memorie van

de faculteiten en de Academische Raad plaatsvinden. Niettemin wil de mmister de herindeling snel laten plaatsvinden. In hoeverre minister Van Kemenade de Memorie van Toelichting of eventueel de WWO'81 op dit punt zal wüzigen, is nog onbekend. De Commissie Evaluatie WUB verzet zich in elk geval tegen deze snelle herindeling en de universiteiten zullen zich waarschünlük in meerderheid, achter dit advies scharen. Het tegenvoorstel van de evaluatiecommissie, die daarmee een Academische Raadstandpimt voorbereidt, is met de herindeling te wachten tot de tweefasenstructuur is Ingevoerd en dan, zo rond 1985, te beküken welke facultaire herindeling, op grond van de organisatie van de studieprogramma's, het meest voor de hand ligt. Als die opzet slaagt zou de facultaire herindeling pas in 1987 of 1988 afgerond kunnen worden.

Invoering WWO'81 In december zal, naar het zich nu laat aanzien, de Academische Raad een advies aan de minister uitbrengen ' over de Invoeringswet WWO'81, misschien maken de politieke ontwikkelingen in tussentüd dit advies overbodig.

Vervolg op pag. 11

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981

Ad Valvas | 434 Pagina's

Ad Valvas 1981-1982 - pagina 142

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981

Ad Valvas | 434 Pagina's