Ad Valvas 1981-1982 - pagina 159
3
AD VALVAS — 27 NOVEMBER 1981
WaarschTjnïïjk enige opleiding, diè jubelt over de twee fasen
Lichamelijke opvoeding na tien jaar nog niet In alle opzichten volgroeid Op vrijdag 20 november vier • de de Interfaculteit Lichame Peter van Eijk lijke Opvoeding (IFLO) haar tienjarig bestaan. Het onder hiervan vraagt om een multi-discipliwijs evenals het onderzoek naire benadering. Deze twee aspecten eigene van een wetendat daar plaatsvindt is uniek vormendiehetzich op de lichameiyke in Nederland. De VU is name schap opvoeding richt. Voor de beoefening hiervan acht de een spelyk de enige instelling waar ciaal universitair commissie instituut noodzakedeze opleiding bestaat. Vanaf lijk. Het advies luidt dan ook een het begin heeft de interfacul dergelijke interfaculteit in te stellen die moet bestaan uit een medischteit zich intensief bezigge blologische poot en een sociaal-wehouden met de vraag wat nu tenschappelijke poot. Het duurde '66 voordat alle comprecies het object van de stu mentaren optot het rapport van de comdie moest zijn. De vraag wat missie binnen waren. Pas in '69 bemoet worden verstaan onder sluit minister Veringa een interfaculteit voor lichamelijke opvoeding in te lichamelijke opvoeding en stellen. hoe breed het onderzoeks Interessant is vervolgens de vraag aan de VU werd veld is, valt moeilijk te beant waarom dit instituut Er waren namelijk meerwoorden. Het was dan ook toegewezen. dere kandidaten. Met name de univereen goed idee om over deze siteiten van Utrecht en Nijmegen wagemteresseerd. De Academische vraag op de lustrumdag met ren Raad lette in dit verband onder andevakgenoten en andere des re op zaken als geografische ligging, mate waarin reeds voorzieningen kundigen te discussiëren. de asmwezig waren en de nabijheid van Over dat symposium later, een academie voor lichamelijke opMet betrekking tot deze punnu eerst aan de hand van het voeding. ten kwam de VU het best naar voren. uitgebrachte lustnmiboekje De VU had binnen de subfaculteit pedagogische en andragogische weeen stukje geschiedenis. Het idee om een universitair instituut te creéren kwam voort vanuit de be hoefte om meer systematisch gecoör dineerd en geïntegreerd onderzoek te doen in het veld van de lichamelijke opvoeding. Die vraag kwam onder andere vanuit de sportwereld en van uit de academies voor fysiotherapie en lichamelijke opvoeding. Deze ge lulden bereikten ook de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, C ols. In 1960 stelde hij de „Commissie Universitaire Stu die Lichamelijke Vorming" in. Als argumenten die pleiten voor een dergeiyke studie, noemde Cals de wenselijkheid van onderzoek naar de problematiek van de lichamelijke vor ming en de sport, en de behoefte aan wetenschappelijke specialisten op dit terrein. Onder voorzitterschap van de hoogleraar in de Fysiologie Jongbloed ging de commissie aan de slag. Allereerst de vraag naar de wenselijk heid van een nieuwe wetenschappelij ke studie. De commissie is van me ning dat er sprake is van een eigen karakter van de met lichamelijke op voeding samenhangende problema tiek. Zij formuleert een centrale pro bleemstellmg met de vraag naar het verband tussen de lichamelijke bewe ging en heel de ontplooiing van de persoonlijkheid. De beantwoording
Advertentie
ANNO (rrrrrm ! ' •
W ROLFF HET RUITERHUtS B.V. Paardrijkleding — Vnjetijdskleding extra lange en grote maten
Levis
Bi| inlevering van deze advertentie geven wij ƒ 5 —KORTING op een pantalon dit geldt met voor de aanbiedingen
Vijzelstraat 17 - Amsterdam-C Tel 020-237326
tenschappen al een hoogleraar die zich met lichamelijke opvoeding bezighield. Verder deed men op de medische faculteit al aan biomechanisch onderzoek op het gebied van bewegen. Bovendien voldeed Amsterdam ook aan de andere twee voorwaarden.
Studieobject Wat is nu in feite het studieobject van de IFLO? Men richt zich op de wetenschappelijke bestudering van het doelbewuste beïnvloeden van het menselijk bewegen. Dit houdt in dat in principe naar alle situaties gekeken kan worden waarbinnen mensen op enigerlei wijze het bewegen van andere mensen trachten te beïnvloeden. De term „lichamelijke opvoeding" vat men op als verzamelnaam voor alle situaties of handelingsvelden waarbinnen bewegingsgedrag van mensen intentioneel wordt bemvloed. Nu laat een dergelijke ruime omschrijving nogal wat praktijkvelden toe. De vraag welke wel en welke niet tot Uchamelijke opvoeding gerekend kunnen worden, wordt verschillend beantwoord. Binnen de faculteit bestaat de tendens om enerzijds geen enkel prakttjkveld btj voorbaat bulten te sluiten en anderzijds een aantal andere velden als primaire terreinen van lichamelijke opvoeding aan te duiden. Centrale aandacht krijgen in ieder geval de sport en de sportieve recreatie, het bewegingsonderwijs en de bewegingstherapie, de fysiotherapie en de revalidatie. Het onderzoekswerk Is verdeeld over vijf vakgroepen: Bewegingsagogiek, Functionele Anatomie, Inspanningsfysiologie en Gezondheidskimde, Psychologie en de vakgroep Theoretische en Historische LichameUjke Opvoedkimde. Aan drs. A. Vermeer, hoofd van de sectie speciale bewegingsagogiek en voorzitter van de lustrumcommissie, de vraag wat studenten lichamelijke opvoeding in de praktijk zoal kunnen gaan doen? „Mensen die hier opgeleid zijn heten formeel doctorandus in de lichamelijke opvoeding. Als je daar een naam aan zou willen geven, dan kun je zeggen dat ze deskundigen op het gebied van de lichamelijke opvoeding zijn. Wat men gaat doen na het afstuderen is sterk afliankelik van de hoofdrichting die men heeft gevolgd. Voor de richtingen anatomie, fysiologie en psychologie geldt dat studenten die dat hebben gedaan meestal docent worden aan academies voor fysiotherapie en academies voor lichamelijke opvoeding. Bij afgestudeerden in de bewegingsagogiek moet gedacht worden aan leden van ministeriele leerplancommissies en landelijke sportraden en coördinatoren in inrichtingen voor geestelijk of lichamelijk gehandicapten. De vakgroep Theoretische en Historische Lichamelijke Opvoedkimde is een nieuwe vakgroep en heeft nog geen afgestudeerden. Ik denk dat zij vooral docenten
op het gebied van de geschiedenis en theorie van de Uchamelijke opvoeding gaan leveren. Verder zullen er mondjesmaat op alle terreinen onderzoekers geplaatst kunnen worden."
Voortwee-fasen De huidige opleiding biedt dus de mogelijkheid om zelfstandig onderzoek te doen op het terrein waarop je bent afgestudeerd? „Nou niet helemaal, wy hebben namelijk altijd al een vierjarig leerplan gehad. Dat stelde men als voorwaarde om in 1971 te kunnen beginnen. In die vier jaar krijgen de studenten wel notie van wetenschappelijk onderzoek, maar ziJn zü niet bekwaam om dat zelfstandig te doen. Daarna hebben zij toch nog een scholing nodig om zich er verder in te bekwamen. Vandaar ook dat wij voor de invoering van de twee-fasen structuur ziJn. Dat biedt ons nieuwe perspectieven. Tot nog toe hadden wij maar één fase van de structuur die nu ontworpen is. Met ingang van volgend jaar kunnen we in de twee extra jaren die we er dan bij krijgen studenten gaan opleiden tot zelfstandige onderzoekers." De commissie Jongbloed sprak twintig jaar geleden al van het eigen karakter van een dergelijke studie. In hoeverre is dat tot nu toe gebleken? „Dat blijkt onder andere heel duidelijk uit het feit dat het IFLO-onderzoek eigenlijk per definitie multidisciplinair moet worden opgezet. Het onderzoek van de vakgroepen anatomie enfysiologienaar biomechanische en fysiologische aspecten van het schaatsen is daar een goed voorbeeld van. Zelf ben ik bezig met een onderzoek naar integratie van bemvloeden van bewegen in revalidatie van gehandicapte kinderen. Ook dat is weer een geïntegreerd project. Een algemeen probleem daarbij is dat je goed moet weten wat de competenties en de mogelijkheden van de verschillende disciplines zijn." Op de lustrumdag staat onder andere een forumdiscussie gepland. De centrale vraag luidt: tien jaar IFLO; een interfaculteit lichamelijke opvoeding of bewegingswetenschappen? Wat is daartussen eigenlijk het verschil? „Btj lichamelijke opvoeding staat het bemvloeden van bewegen centraal.
Daarbinnen hebben wij gekozen voor de opvatting „bewegen voorzover dat relevant is voor lichamelijke opvoeding". De opvatting die stelt dat alles waarin menselijke bewegingen voorkomen studieobject vormt, geldt vooral voor de bewegingswetenschappen. Binnen de interfeculteit speelt nog steeds de vraag hoe breed het veld van de lichamelijke opvoeding is en hoe ver daarvan af je nog onderzoek kunt doen."
Symposium Genodigd waren alle vertegenwoordigers uit de wereld van de sport, de revalidatie en het onderwijs. Hoe dachten zij over dit probleem? De deskundigen waren het eens over het feit dat men bewegen vanuit verschillende invalshoeken kan bekijken. Discussie ontstond er toen prof. dr. De Froe, destijds lid van de commissie Jongbloed, benadrukte dat ook spreken en schrijven tot het bewegen moesten worden gerekend. Dat zou betekenen dat het IFLO bijvoorbeeld ook een logopedist met problemen te hulp zou moeten schieten. Drs. Tamboer, werkzaam op het IFLO, stelde dat voor hem het kriterium dat onder bewegen verstaan moet worden, niet in eerste instantie door wetenschappers moet worden vastgesteld, maar door datgene wat als zodanig in een bepaalde beroepssituatie wordt ervaren als bewegen.
In een opmerking van de IFLO-hoogleraar Rozendal kon men zich tenslot^ te redelijk vinden. Hij vond het demarcatieprobleem eigenlijk niet zo belangrijk. „Het IFLO moet zich niet te veel vastpinnen op bepaalde onderzoeksterreinen. Wat daartoe behoort moet regelmatig zorgvuldig worden afgewogen, onder andere aan de hand van het soort vragen dat uit de praktijk komt." Na tien jaar IFLO kan men spreken van een volwassen studierichting. In deze periode steeg bijvoorbeeld het aantal eerstejaars inschrijvingen van ongeveer veertig naar zo'n dikke honderd in de laatste jaren. De personeelsbezetting nam toe van 5 in 1971 naar ongeveer 60 man heden. Feit is echter dat op een aantal fundamentele vragen uit het verleden nog geen antwoorden zijn gevonden. De vraag naar de grenzen van het studieobject is er daar één van. Verder is de relatie tussen het werkveld en de interfaculteit nog i^et optimaal. „Het HBO staat argwanend tegenover het IFLO", volgens dhr. Van der Leeden, a(ijunct directeur van de Academie voor Fysiotherapie in Amsterdam. Een ander probleem is dat men vaak weet waar vragen in de praktijk leven, maar dat men te weinig menskracht heeft om daar op in te kunnen spelen. Al met al is er voor docenten en studenten nog genoeg werk aan de winkel.
ït^fo'
BGD hield open huis Vorige week vrijdag hield de Bedrijfsgezondheidsdienst open huis in zijn nieuwe ruimten in het Transttorium, waarheen ze onlangs vanuit het Provisorium I verhuisden. Dr. P. Ouwehand hield een feestelijk toe spraak voor de aanwezigen, die in groten getale van hun belangstel ling blijk gaven (zie foto).
Plichten voor studenten tijdens kernoorlog
Geneeskundestudenten skeptisch over noodwet Het was al bekend dat we in geval van een atoomoorlog onder de trap moeten gaan zitten. Inmiddels wordt ook de verzorging geregeld van die mensen die zo vlug geen trap kunnen bereiken. De Noodwet Geneeskundi .gen bepaalt wat artsen, tandartsen, verloskundigen en apothekers mogen en moeten in geval van „bijzondere omstandigheden". Omdat de minister van volksgezond heid een groot tekort aan geneeskun digen verwacht, heeft hij deze wet nu ook van toepassing verklaard op bijna afgestudeerden. "Deze moeten kun nen worden verplicht tot het verrich ten van werkzaamheden op genees kundig gebied." ^ Studenten geneeskunde in Utrecht hebben dit onder de aandacht van de fakulteitsraad medicijnen gebracht. Volgens hen wordt ten onrechte de indruk gewekt, dat tijdens een oorlog waarin nukleaire wapens worden ge bruikt, nog sprake kan zyn van doel treffende medische hulpverlening. „Zelfs een beperkte kernoorlog ver oorzaakt ziekte, verwonding en dood
op ongekende schaal. Medische hulp verlening zal hier machteloos tegen over staan, doordat ook medisch per soneel getroffen wordt en behande lingscentra verwoest. De kennis van de meeste (aanstaande) artsen van hulpverlening bil stralingsverwondin gen en ziekten is bovendien onvol doende voor adekwate hulpverlening. De te rooskleurige verwachting van de medische hulpverlening geeft ten onrechte enig gevoel van veiligheid en verbloemt de noodzaak tot mondiale uitbanning van kernwapens. Het ver trouwen in de medische stand, dat bij vele burgers erg hoog is, wordt hier mee beschaamd." De raad wordt gevraagd de studenten op de hoogte te brengen van de Nood wet. Bovendien zou de raad zich moe ten uitspreken over de vooronderstel ling van de noodwet, dat er na een oorlog met kernwapens nog sprake zou kunnen zijn van een doeltreffende hulpverlening. In zijn vergadering van 26 november zal de fakulteitsraad zich over dit onderwerp buigen.
Onderwijs onderzoekers Er wordt in Nederland te weinig on derzoek gedaan naar het onderwijs in de Derde Wereld, zo menen vele des kundigen. Om daar verandering in te brengen heeft een aantal van hen zich verenigd in de Werkgemeenschap On derwijs in Ontwikkelingslanden, die op 22 januari van het volgend jaar voor het eerst bijeenkomt. Voorzitter is drs. A.B. Droogleever Fortuyn van de Universiteit van Amsterdam. Meer kennis in Nederland over de onderwijsproblematiek van de Derde Wereld is voor ontwikkelingsprojec ten van groot belang. Daarbij speelt de overdracht van kennis immers een aanzienlijke rol. Het lidmaatschap van de werkge meenschap staat open voor onder wiisonderzoekers. Wie anderszins ac tief by de onderwijsproblematiek in de ontwikkelingslanden betrokken is kan geassocieerd lid worden. Het mid del „werkgemeenschap" wordt al door verscheidene andere categorieën tropendeskundigen gebruikt om on derzoek op him terrein te bevorderen. Zij fungeren als pressiegroep en ge sprekspartner naar overheidsinstan ties toe die m Nederland de research budgetten bepalen.
Contactadresssen: dr. A. Kater of drs. ' G . van der Molen, CESO, Postbus 90734, 2509 LS Den Haag, tel. 070 (VP, Utrecht, Red.) 574201.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981
Ad Valvas | 434 Pagina's