Ad Valvas 1981-1982 - pagina 53
AD VALVAS — 18 SEPTEMBER 1981
5
Invoering twee-fasenstructuur komt naderbij
Zesde werkstuk Wiegersma herhaling oude standpunten stil maar onvermijdeiyk komt de invoering van de wet twee-fasenstructuur op de universiteiten af. Volgend cursusjaar zullen de faculteiten de nieuwe vierjarige programma's klaar moeten hebben voor de invoering van h e t eerste jaar. Dat wordt dus hard werken. Een van de grootste klachten op dit moment van de universitaire bestuurders is de grote onduidelijkheid die het ministerie rond de wijze van invoering van de wet heeft laten ontstaan. Met name de invulling van de tweede fase is een volledig leeg plaatje, waarover 'de beslissingen nog genomen moeten worden. Maar de stroom nota's en brieven over de invoering van de eerste fase begint lekker op gang te komen. Eén van de belangrijkste stukken in deze stroom is het zesde werkstuk van de commissie Wiegersma, dat onder de titel 'handvatten voor de programmering van de eerste fase' vlak voor de zomer het levenslicht aanschouwde. Ad Valvas wil de komende tijd de invoering van de wet op de faculteiten regelmatig volgen. Een ieder die daar een bijdrage a a n meent te kunnen leveren wordt vriendelijk verzocht daarover met de redaktie contact op te nemen. Vandaag de eerste bijdrage. _ Het interessantste aspect van het zesde werkstuk van de commissie S'iegersma is eigenlijk, dat er zo einig nieuws in staat. De commisie, door de Academische Raad inesteld om de herprogrammering te egeleiden, valt voor de invulling an de eerste fase grotendeels terug p dezelfde punten die ze ook al by ,e invoering van de wet herstruktuI eringin 1975 voorstelde. Toen heb|)en de faculteiten zich bar weinig pangetrokken van de adviezen van JWiegersma.
I
ius deze nota lijkt op een soort jvanche. Terwijl vanuit de instelngen de twee-fasen altijd gezien is Is een verslechtering ten opzichte fan de wet herstructurering noemt •Wiegersma het verschil tussen bei-
(ervolg van pag. 3 Tiatrie maar sover is het nooit gekomen. Dat heeft volgens prof. A.A. Knoop vooral te maken met het gegeven dat de geriatrie alle orgaanspecialisaties overbrugt en welke rhoet dan de formatie leveren. Hij 'faamt dat de aandacht voor de rontologie op de universiteiten tenvalt maar kan wel melden dat er sinds eenpaar maanden een special^atie geriatrie in ons land is (bij het %itervaartsiekenhuis). Verder doet <W de VU de psychiater prof. F.C. SIBTO al jaren ondersoek naar defmentie en is er bij sociologie (van de ^pverleningj wat bejaardenon'W'soek. Wat de opleiding betreft is eqbi) het vak fysiologie seker aandacht voor veroudering. Prof. Van Aalderen van het huisartseninstitmt van de VU tenslotte gaf ons als syji kommentaar dat er op sijn in^üuut relatief veel aandacht is «<^r de ouder wordende mens. Dat bMd bijvoorbeeld uit het aantal stagmlaatsen in verpleegtehuizen. Eme groep vindt natuurlijk dat hij te wnig aandacht krijgt.
J*%*erkgroepen in buurthuizen In|l buurthuizen in Amsterdam^W^ draait een huiswerkgroep. I^uiswerkgroep wil een steun in a"^ zijn voor kinderen uit het ^^J'gezet onderwijs, met name ^•'Wj'^Sklassers. Daarbij gaat het omineer dan alleen 'het huiswerk. Voor het komend loljaar zoekt men vrijwil;)ers, die mee willen draaien en deze huiswerkgroepen. "leer informatie en/of opgave: Piel Westgeest, Buurthuis Driehoek/Vuurschip Waddenweg 116, Amsterdam-Noord, tel.: 361057.
Dirk de Hoog de wetten 'vermoedelijk van psychologische aard.' Wiegersma maakt dan ook dezelfde keuzes om tot studieduurverkorting te komen als in 1975, namelijk door een sterke specialisatie en differentiëring in het onderwijsprogramma. Als er beperkt moet worden dan sal dat moeten geschieden door het laten vervallen van nietessentiéle onderdelen en door het aanbieden van kemes tussen de eindtermen in plaats van het combineren daarvan,'zegt de nota onder andere.
flUB Ook komt Wiegersma opnieuw op de proppen met het in het verleden zeer omstreden varianten model. Dit model houdt in, dat binnen het vieljarig programma vier afstudeermogeüjkheden worden geschapen: een onderzoeks-, een leraren-, en algemeen theoretische-, en een beroepsvariant. De kritiek op dit model was in het verleden met name dat door zo'n enge specialisatie in een vroeg stadium de kansen op de arbeidsmarkt voor afgestudeerden een stuk moeilijker worden dan bij een meer algemene opleiding. Ook wordt via zo'n specialisatie de scheiding tussen onderwys en onderzoek vrü stringent gemaakt. -De meeste varianten zullen dan niet veel meer gaan inhouden dan een veredelde beroepsopleiding.
Studiezwaarfe In de wet twee-fasenstructuur wordt behalve de cursusduur ook de inschrijvingsduur stringent vastgelegd. Na zes jaar is het voor iedereen afgelopen, op een paar kleine uitzonderingen na. Een goede regeling van de studiezwaarte is dan ook van groot belang. Volgens Dr. G.F. Bernaert, hoofd van de afdeling onderwijsresearch, bestaat er momenteel een grote discrepantie tussen de officiële cursusduur en de werkelij-
Prof S. Wiegersma ke studietijd. De meeste programma's duren op papier zo'n vijfjaar, terwijl de mediane studietijd tegen de acht jaar aanloopt. Eén van de redenen daarvoor is volgens hem: 'dat beide partijen, de faculteit en de student, sich er niet zoveel aan gelegen is of de studie nu langer of korter duurt. De academische vrijblijvende held werkt naar twee kanten'. Onder het regiem van de twee fasen zal die vrijblijvendheid wel verdwenen zijn, want de commissie Wiegersma komt ook op het punt van de studielast weer met een omstreden maximale interpretatie van de studielast op tafel. Volgens de nota moet de norm voor de studielast 1700 uur voor de zeven plus student zijn. Oftewel dat de 25 procent besten 42 weken van 40 uur moeten maken. Met als gevolg dat de 75 procent slechteren meer dan die veertig uur zullen moeten zwoegen. Opnieuw Bemaert: 'Die studiebelasting is altijd een beetje een probleem want het één wordt met het andere gedefinieerd. Maar Wiegersma IS niet consequent in zijn opvatting. In het werkstuk over de propedeuse van een aantal jaren terug heeft hij gesegd dat in principe meer dan 80 procent van de studenten geschikt is voor een universitaire studie. Bij de studiebelasting moet ook naar de uitval gekeken worden. Als blijkt dat meer dan 20% van de studenten afvalt sit er iets fout in het programma en niet bij de studenten, voor sover se serieus werken natuurlijk.'
Eerstejaar Gezien de beperkte tijd die de instellingen hebben voor de invoering van de twee-fasen pleit de commissie Wiegersma voor een pragmatische aanpak. De faculteiten moeten maar beginnen met het nieuwe eerste jaarsprogramma in te vullen. De bezinning op de eindtermen van het totale vierjarige programma komt later nog wel eens. 'Wie eerst een discussie over eindtermen wil en daarbij wellicht voorafgaand wil weten welke tweede fase opleidingen er sullen komen, heeft seker in 1982 geen propedeutisch programma, ' staat in de nota te lezen. Volgens Bemaert zal die scheiding tussen de programmering van het eerstejaar en de eindtermen van de totale opleiding wel loslopen: 'Natuurlijk heb je best wel ideeën over de rest van de studie. Het eerste jaar wordt toch wel vanuit een globaal beeld van het totale programma ingevuld. Mijn ervaring is, dat de meeste faculteiten momenteel de programma's die se voor de herstrukturering in 1975 gemaakt hébben, weer uit de kast halen en kijken wat se nog kunnen gebruiken daar-
van. Met name de hele kwestie van de eindtermen is toen heel uitvoerig aan de orde geweest. Als de resultaten daarvan nu gebruikt worden is dat alleen maar efficient.' Over het algemeen is Bemaert niet zo bevreesd dat de invoering van de eerste fase tot kwaliteitsverlies zal leiden: 'Het nivo van de opleiding hoeft bij de invoering geen grote knauw te krijgen. Dat dreigt wel te gebeuren als je alleen maar die vijf jaar op papier indikt tot vier jaar en verder niets verandert. Dan gaat het wel mis. Niet alleen de cursusduur moet veranderen, maar ook de onderwijsmentaliteit. De eisen aan het onderwijssysteem worden groter, de kwaliteit moet beter sijn. Maar daar ben ik wel positief over. Ik merk momenteel dat men sich over het onderwijs veel drukker maakt. Eén van de redenen is dat het keurslijf nadrukkelijk aangetrokken wordt. Als kwaliteitsverbetering daar een gevolg van is waardeer ik dat niet negatief.' Volgens Bemaert komen de grote problemen pas met de tweede fase. De faculteiten verwachten toch eigenlijk allemaal wel een flink aandeel van de tweede fasen opleidingen te kunnen binnenslepen, maar volgens Bemaert kan de realiteit wel eens harder zijn dan de faculteiten verwachten: 'Of iedere opleiding wel een tweede fase krijgt is nog helemaal de vraag en voor afdelingen, die so'n tweede fase niet krijgen bestaat het gevaar dat se bij de studenten uit de gratie sullen raken. Want ook al is nog niets bekend over de selektie voor die tweede fue sal toch duidelijk sijn, dat studenten die al aan de instellingen studeren, waar die vervolg opleiding komt, in het voordeel sijn. Dus die instellingen sullen se dan ook in eerste instantie kiesen.' Terwijl ex-minister Pais voor de doorstroming naar de tweede fasen een zeer laag percentage heeft genoemd (omstreeks de dertig procent) verwacht de kommissie Wiegersma aen krapte aan volledig geschoolde academici: 'Het is verre van onwaarschijnlijk dat de maatschappelijke vraag naar afstuderenden voor een professionele practijk (bedoeld wordt de tweede fase) dikwijls aansienlijk groter sal sijn dan de uitstroom van de tweede fase.' De invoering van de tweefasenstruktuur kon wel eens ontaarden in een ware schoolstrijd over de vraag wie wel en wie niet een tweede-fase opleiding krijgt. De stilte is
TAP-vrouw voorzitter universiteitsraad UvA De Universiteit van Amsterdam heeft als opvolger van Annemarie Grewel opnieuw een vrouw tot voorzitter van de universiteitsraad gekozen. Bijzonder gegeven daarbij is dat de nieuwe voorzitter, Bep Scheffer, afkomstig is uit de geleding van het technisch-administratief personeel. Een unicum aan de Nederlandse universiteiten. In 1972 kwam Bep Scheffer als bureaubeambte B aan de universiteit van Amsterdam te werken. Bij de eerste raadsvergadering in het nieuwe academisch jaar ging deze hoge TAPvrouw in op de positie van de meest vergeten groep van de universitaire bevolking. 'Nog steeds worden de met-wetenschappelijke medewerkers, het technisch en administratief personeel aan de universiteit ("de derde stand") het minst naar waarde geschat,' stelde de nieuwe voorzitter. Het is voor haar bijvoorbeeld nog steeds een raadsel dat van een benoemingscommissie voor een nieuwe hoogleraar niet officieel een niet-wetenschappelijk personeelslid deel zou mogen uitmaken. Ook op het punt van de salariëring loopt het niet-wetenschappelijk personeel achter, volgens haar. 'Zij die het plezierigste werk doen en zich bovendien veel meer vrijheden kunnen veroorloven, verdienen aanmerkelijk meer. Daarom is het, ook bil .'len de universiteit, nodig te komen tot een rechtvaardige inkomensverdeling via nivellering van de hoogste inkomens' hield Bep Scheffers haar wetenschappelijke collega's voor. (A.N.P., Red)
waarschijnlijk alleen maar de aankondiging van een verschrikkelijke storm.
Forum met politici o.l.v. Annemarie Grewel
Lerarenopleidingen en tweefasenstruktuur In de aula van de VU wordt op 25 september om 14.15 uur een forum gehouden over de vergaande konsekwenties van de tweefasenstruktuur voor het beroepsperspectief van afgestudeerden uit de eerste fase als toekomstig ieraar. Aan het forum nemen enerzijds politici van de vier grote politieke partijen deel anderzijds vertegenwoordigers van verschillende bestuurlijke geledingen aan de universiteit. Het geheel staat onder voorzitterschap van drs. Annemarie Grewel, oud UR-voorzitter van de UvA. De Vereniging Universitaire Lerarenopleiding Nederland organiseert het forum. Door de invoering van de tweefasenstructuur wordt de universitaire opleiding verkort tot vier jaar. Voor een beperkte groep afgestudeerden bestaat hierna de mogelijkheid toegelaten te worden tot een der zogenaamde 'tweede-fase opleidingen'. Dit zullen voornamelijk beroepsopleidingen zijn (opleiding tot arts, onderzoeker, leraar). Het feit dat slechts een beperkt deel van de studenten een beroepsopleiding kan volgen heeft vergaande consequenties. Dit geldt vooral voor die faculteiten waarvan de afgestudeerden tot nu toe vrijwel al-
leen in het onderwijs terecht kwamen (bijvoorbeeld de letterenfaculteit). Door het aantal studenten dat tot een beroepsopleiding wordt toegelaten drastisch te beperken, hoopt men de opleidingscapaciteit meer af te stemmen op de maatschappelijke vraag en aldus aanzienlijke bezuinigingen te bereiken. De universiteiten worden nu echter geconfronteerd met de vraag wat de eventuele maatschappelijke mogelijkheden zijn van studenten die niet worden toegelaten tot de tweede fase en hoe zij hun programma daarop moeten afstemmen. Regering en parlement treft het verwijt dat deze zijn overgegaan tot de invoering van de tweefasenstructuur, zonder de reële (beroeps)mogelijkheden te hebben verkend van de afgestudeerden in de eerste fase. De universiteiten, en met name de faculteiten die totdusver vrijwel alleen leraren opleidden, worden hierdoor voor grote problemen geplaatst. Tijdens deze bijeenkomst zullen de politici met deze en andere effecten van het aanvaarden van de tweefasenstructuur worden geconfronteerd. Voor verdere informatie: drs. Leo Prick, tel. 020-5484323 (privé 020-717598) of dr. H. van den Bosch 080-513010 (privé 080-554527).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981
Ad Valvas | 434 Pagina's