Ad Valvas 1981-1982 - pagina 395
AD VALVAS — 11 JUNI 1982
3
Op symposium Vereniging van Wetensciiappelijl(e Werl(ers toenemende werlcloosiieid onder afgestudeerden centraal
Ekonomische krisis dwingt academici tot heroriëntatie De tijden dat een akademikus verzekerd was van een op intellektueel niveau liggende baan en een daarbij passende vette boterham zijn voorbij. Het artikel akademikus is immers niet langer meer een scliaars goed en de werkgever heeft tegenwoordig een ruime keus uit het leger van werkloze afgestudeerden. Dat zijn er momenteel ruim achtduizend en er komen elke maand zo'n honderd ^erkloze akademici bij. Welke perspektieven zijn er dan nog voor wetenschappelijk gevormden die zich in progressieve zin dienstbaar willen maken aan het oplossen van maatschappelijke problemen? Is er reden voor grote somberheid? Of is het voor de werkzame afgestudeerde eigenlijk toch al dubbelop: èn een leuke baan èn een hoog inkomen? Als het recht op vorming en onderwijs behouden kan blijven, moet dan het recht op passende arbeid voor akademici niet op de helling? Enkele vragen die vorige week vrijdag aan de orde kwamen op het door de Vereniging van Wetenschappelijke Werkers georganiseerde symposium „Wetenschap en krisis, aanpassing of kritiek". Een verslag. Het is even voor halfelf De kollegezaal van het wiskmidegebouw aan de Amsterdamse Roetersstraat is redelijk gevuld met doktoraalstudenten en al dan met werkloze afgestudeerden. Zomerse kleding domineert, want De BUt voorspelt voor vandaag 28 graden. Op het programma staat een viertal lezingen die alle iets van doen hebben met het enigszins vage thema. Na een openingswoord van Bram van der Lek, voorzitter van de Vereniging, mag de Nijmeegse professor Harry Hoefnagels de spits afbijten. Zijn betoog roept herinneringen op aan geluiden die te horen waren aan de Krltiese Universiteit van Nijmegen aan het emde van de jaren zestig. Met dit verschil dat momenteel de werkgelegenheidspositie van „universiteitsverlaters" beduidend mmder florissant is. We willen werk voor akademisch gevormden, dat echter niet bedraagt tot bevestiging van de bestaande maatschappij, maar dat kritisch is, zo begint Hoefnagels. „Werk waarmee we niet de weg van de ondergang plaveien, maar werk waarmee we onze medemensen een dienst bewijzen." Maar, zo vraagt Hoefnagels zich af, wie beslist er over of iets dienstbaar is of niet? wy wetenschappers, öf de mensen die ervoor zorgen dat ons materieel bestaan verzekerd is? En is onze opleiding wel zo geschikt om dienstbaar te zijn aan de kreatie van een menselijker samenleving? Wat moeten we aan met bijvoorbeeld al die sociologen? Moet de samenleving er geld voor uittrekken om al deze wetenschappers aan een baan te helpen, ook als men geen belang ziet in hun werk? Vragen die zich des te meer laten stellen, nu iedereen door verbeterde scholingsmogelijkheden in principe zijn aanleg kan ontwikkelen. Er zijn daardoor nauwelijks bevolkingsgroepen die veroordeeld zijn tot het verrichten van vuil, onaangenaam en „dom" werk en er is geen schaarste meer aan mensen voor het „geleerde" werk: doktorandussen te over momenteel.
Riolering Toch vindt Hoefnagels het onjuist om te spreken van een strukturele „overscholing" van onze samenleving; „Mensen kunnen nooit te veel geschoold en gevormd worden, dat is een doel op zich. Aan het recht op vorming mag nooit getornd worden. Maar als je dit stelt moet je ook zeggen dat geschoolden ook bereid moeten z;jn om ongeschoold werk te doen." De straten moet immers schoongehouden worden, het nool moet niet verstopt raken en ook zonder de aanleg en onderhoud van wegen zou het snel een puinhoop worden. Daarom bepleit Hoefiiagels een ontkoppeUng van het recht op onderwijs en het recht op daarby passende arbeid. Het onderwijs moet dan ook meer gericht zijn op vorming dan op een latere beroepspraktijk. Hoeöiagels overziet de radikale konsekwenties van zijn gedachte: „De akademikus die straks bereid zal zijn om werk te aanvaarden dat onder zijn opleiding ligt, verdient meer sociale en financiële waardering dan de akademikus die het voorrecht geniet om werk te verrichten dat in overeenstemming is met zijn mtellektuele vorming."
Wim Crezee De dlskussle over de maatschappelijke funktie van wetenschap kan volgens Hoefiiagels niet alleen gaan over de hoeveelheden, inkomens en sociale status van wetenschappers. Want de wetenschap zelf kan op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden bedreven worden. Volgens de Nijmeegse geleerde heeft iedere maatschappij twee vormen van kennis nodig. Ten eerste het instrumentele weten: kennis die nodig is om het ekonomisch en organisatorisch funktioneren van de samenleving in goede banen te leiden. En ten tweede, wil de samenleving tenminste een menselijke samenlevmg genoemd worden, is ook bewustmakend weten noodzakelijk: kennis die niet direkt bruikbaar is, maar die Inzicht geeft in de wereld waarin wij leven en die het mogelijk maakt te oordelen over de maatschappij. In de huidige wetenschapsbeoefening IS echter volgens Hoefiiagels de tendens aanwezig om deze tweede vorm van kennis te verdringen ten koste van de mstrumentele kennis. Deze technokratische tendens heeft tot gevolg dat „als je onze planeet deskundig wilt plimderen, je zeer goed bij onze universiteiten terecht kunt". Want daar geldt de norm van objektiviteit: alleen datgene is waar dat proefondervindelijk kan worden aangetoond. Het inzicht in de grote maatschappelijke samenhangen en ontwikkelingen wordt daardoor uitgesloten van wetenschapsbeoefening. Als blinde „hoofdlangers" werken de technokratische wetenschappers in de bestaande maatschappelijke systemen: onwetend over de samenhangen waarin zij werken, onwetend over wat zij daar aannchten. Zelfs een ogenschijnlijk zo bewustmakend vak als milieukunde komt volgens Hoefiiagels hier vaak met onderuit; de sterke nadruk die in dit vak gelegd wordt op de technische kanten van de vervuUmg gaat vaak ten koste van de bewustwording van het wereldmilleuprobleem, van de destruk-
Drs. Henk Zomer: „Studenten stellen afstuderen uit door verslechteringen op de arbeidsmarkt van academici.' tieve wijze waarop wij met de natuur omgaan. Tot slot presenteert Hoefiiagels het wenkend perspektief om te ontkomen aan de tegenspraak dat progressieve intellektuelen door hun werk verwikkeld raken in een maatschappij die ze verwerpen. „Er zal een alternatieve „scientific community" moeten worden gevormd, waarin wy, intensief met elkaar communicerend, samen de grote maatschappehjke problemen bestuderen. Bovendien ligt hier de mogelijkheid voor werkloze wetenschappelijke werkers om wetenschappelijk werk te doen dat zij als maatschappelijk nuttig ervaren." Is dit laatste niet in tegenspraak met zijn eerdere stelling dat akademici niet te beroerd moeten zijn een straatveger te hanteren?, wordt uit de zaal gevraagd. Welke vruchten heeft Hoefnagels' handtekeningenaktie voor een kritische bezinning op de wetenschap afgeworpen?, klinkt het uit een andere hoek. Helaas is er geen tijd om de vragen serieus te bespreken, want de volgende inleider staat alweer klaar.
Bite Biologen: 557. Artsen: 714. Juristen; 585. Sociologen: 540, Psychologen: 1036. Henk Zomer, organisatiesocioloog uit Tilburg en inleider nummer 2, heeft de recente werkloosheidscijfers keurig op het bord voorin de koUegezaal geschreven. Stijgingspercentages en peildata vliegen de toehoorders vervolgens om de oren. „En dit zijn nog maar de cijfers. Wat zit er achter die cijfers aan teleurstellingen? Hoeveel
Wißtiginginschrijving In tegenstelling tot hetgeen in Ad Valvas van 28 mei jl. stond vermeld omtrent „Belangrijke data voor de herinschrijving 1982 /1983" deelt het Bureau Studentenadministratie mee dat ingevolge een van het Ministerie van Onderwijs Wetenschappen zojuist ontvangen telex, het begin van de inschrijvingsperiode is verplaatst van 1 juni naar 15 juli a.s. Hierdoor wordt de uiterlijke datum waarop u uw herinschrijvingsformulier moet hebben teruggestuurd verschoven naar 30 juli a.s. De uiterlijke betalingsdatum die ons nog voldoende ruimte biedt voor tydige toezending van de collegekaart en bewijzen van inschrijving, blijft 16 augustus a.s. Het bovenstaande betekent dat de periode waarbinnen het bureau alle herinschrijvingen (ruim 12.000) moet verwerken met 6 weken wordt mgekort. U zult zich kunnen voorstellen dat dit een enorme drukverhoging betekent. Het Bureau Studentenadministratie probeert er alles aan te doen ook dit jaar de herinschrij vingen zo vlot mogelijk te laten verlopen. Echter, gezien het feit dat m een aanzienlijk kortere periode, dezelfde hoeveelheid werk dient te worden verzet, verzoeken wij om uw clementie indien blijkt dat een en ander toch mmder snel kan worden afgehandeld als u van ons bureau in de afgelopen jaren gewend was.
sollicitatiebrieven moet men schrijven? Hoe vaak krijgt men nul op het rekest? Hoeveel mensen nemen genoegen met een onzekere baan omdat ze moeten opereren op een instabiel segment van de arbeidsmarkt?" De stijgende werkloosheid onder akademici bemvloedt volgens Zomer leeren studieverhoudingen in het hoger onderwijs: „Het teruglopen van de werkgelegenheid vormt een ernstige bedreiging voor de studiemotivatie. Het komt steeds meer voor dat studenten het afstuderen uitstellen. Het vooruitzicht van werkloosheid met lange sollicitatieprocedures boezemt angst in." Gekombieerd met een hoge studieschuld en hoge woonlasten, maken de stap van afgestudeerden naar de maatschappij allerminst vloeiend. In bewoordingen zoals het een organisatiesocioloog betaamt: „In een tijd van snelle technologische vernieuwing staan akademici voor de noodzaak bij te blijven en te streven naar verbetering van hun aanpassingsvermogen aan een uiterst dynamische beroepsstruktuur. Het tijdperk van de „single career", één leven, één baas, één baan ligt achter ons." Om de wendbaarheid op de arbeidsmarkt te handhaven en kermis en vaardigheden op peil te houden, is een uitbouw van het post^akademisch onderwijs volgens Zomer noodzakelijk. „Ik vrees echter dat de hoge prijzen voor pao-kursussen de toestroom tot het kursusaanbod beperkt tot een eUte op de arbeidsmarkt." De Groningse historicus Pim Fortuyn treedt op als derde inleider van het symposium. Zijn verhaal is interessant, maar nauwelijks toegesneden op het thema „Wetenschap en krisis", zoals de organisatoren zelf ook tot hun spijt moeten konstateren. Fortuyn laat diverse kabinetten van na WO n de revue passeren op het punt van het gevoerde overheidsbeleid inzake de werkgelegenheid. ZiJn verhaal mondt uit in een opsomming van de „enorme potenties" die de Nederlandse samenleving bezit om de krisis te lijf te gaan: handel, dienstverlening, het hoge scholingsniveau, landbouw, aardgas. Gekombineerd met de „gigantische operatie" om het beschikbare werk en inkomen beter over de bevolking te verdelen, moet het hiermee mogelijk zijn de krisis te bestrijden. „Als dat bij de aanwezigheid van zoveel potenties mislukt, dan ontkomen we er niet aan de verantwoordelijkheid daarvoor voor een deel ook bij onszelf (wetenschappers) te leggen."
Aftoppen Als de middag al aardig is voortgeschreden is het de beurt aan Arie Verhagen, werkzaam aan de VU en onbezoldigd kaderlid van de ABVA/
KABO. Deze ambtenarenbond heeft de afgelopen maand hard gewerkt om een samenhangend beleidsvoorstel tegenover het regeringsbeleid te ontwikkelen: een beleid dat verder gaat dan alleen maar het verdedigen van rechtsposities (zie ook het gesprek met Verhagen m Ad Valvas van 14 mei jl.). Hoofdpunten daarvan zjn. demokratisering van de vakgroepen door het afschaffen van de individuele leerstoelen en afschaffen van het salarismaximum van hoogleraren. Met de aldus uitgespaarde middelen, goed voor zo'n drieduizend formatieplaatsen, moeten de universiteiten een heroriëntering in gang zetten in de richting van meer prioriteit aan de universiteiten voor maatschappelijk dienstbaar onderzoek („dat is iets anders dan een vergroting van de invloed van overheid en bedrijfeleven"). De lezingen op het symposium van de Vereniging van wetenschappelijke werkers duurden respektievelijk 53, 46,51 en 32 minuten, en dat was iets te veel van het goede. De ongeveer honderd aanwezigen konden, gezien de daardoor ontstane tijdnood, slechts „als het zeer dringend is" vragen of opmerkingen over de betogen van de „inleiders" naar voren brengen. Dat deed dus, wie zal dat verbazen, zo goed als niemand.
Ontwildcelingsplannen W83-'87 Vervolg van pag. 2 te het coUege van bestuur op het hart toch vooral goed te letten op de identiteit van de VU in het overleg met de minister. „We moeten niet krygen dertien (instellingen) maal andermaal", zei zij. Raadsvoorzitter Vlijm concludeerde dat de raad heel druk bezig was geweest met de toekomst van de umversiteit, maar dat dit toekomstdenken toch niet te zeer moest worden opgehangen aan de bespreking van het ontwikkelingsplan. In maart sprak de raad over de verdere ontwikkeling van bestuur en beleid van de VU en die discussie krijgt (waarschijnlijk) op 29 juni een vervolg, zei hi). De Academische Raad behandelt de ontwikkelingsplannen van de dertien w.o.-instellingen op 30 juni a.s. De minister zal zijn commentaar in het n^aar geven, waarna de instellingen hun plannen in een definitievere vorm gaan bijstellen (ontwikkelingsplannen 1984-1088). (J. v.d. V.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981
Ad Valvas | 434 Pagina's