Ad Valvas 1981-1982 - pagina 322
AD VALVA
Pater Jan van Kilsdonk. Vele duizenden studenten en oud studenten zullen hem kennen. Al meer dan vijfentwintig jaar is hij in Amsterdam aan te treffen. Op weg naar een studentenflat aan de rand van de stad, rondschuifelend op een Chiliherdenking, in de nachtelijke uren in gesprek in een binnenstedelijke kroeg. Hij luistert dan naar het verhaal van degene die hem aanklampt: mensen die zich vereen zaamd voelen, met hun leven in de knoop zitten. Zijn pastorale arbeid is het geven van vertroosting: de verborgen levenskracht van de ander weer opwekken. Vorige maand werd Van Kildonk 65 jaar. „Ik heb niet de minste behoefte om jonger te lijken dan ik ben. Ik heb zelfs altijd iets ouder willen lijken: het grijsaardtype, dat ligt mij wel." Van Kilsdonk hoeft bij het bereiken van deze leeftijd het werk niet neer te leggen, aangezien hij, hoewel studen tenpastor, niet in dienst is van een universiteit. „Ik leef van partikuliere giften. Toch zal ik over een paar maanden mijn bezoeken aan studentenflats stopzetten en mij beperken tot de bonte wereld van afgestudeerden, waarvan een aantal het niet goed maakt, ook naar hun eigen mening". We praatten met hem in zijn kamer aan de Pieter de Hoochstraat: sober, veel boeken, crucifix boven een knielbankje, een tafel met daarop een regelmatig rinkelende telefoon, agenda, een chaos van knipsels, korrespondentie, nog meer boeken en een theepot. Het pastoraat is voor hem zijn leven. „Ik ben ingesponnen door drie wereld jes die een beroep op mij doen. Dat is ten eerste de geweldig grote groep van mensen die lijden aan hun onmacht in de relatie H et wemelt in deze stad van gescheiden mensen, mensen wier huwelijk ik soms ook heb mgezegend. Je ziet dat vrouwen vaker dan vroe ger, ongeveer even vaak als mannen het initiatief nemen tot scheiden: En ook gebeurt het heel vaak dat er geen derde m het spel is. Verlaten te wor den voor niemand is nog erger dan verlaten te worden voor iemand. Ik ben blijkbaar zo dat er met mij niet te leven valt, stelt de man dan verbij sterd vast. Daarover willen ze met je praten als ze verslagen m een kroeg zitten " Een tweede wereldje dat Van Kils donk omringt is de zeer gevarieerde groep van homosexuelen. Tydens het gesprek haalt hy fel uit naar de psy chiater P C. Kuyper die in zijn Neuro senleer de diskriminerende opvattin gen over homosexualiteit nog steeds niet gekomgeerd heeft, tenzij met mooie niet geschreven praatjes. Een derde groep die op Van Kilsdonk appelleert bestaat uit zeer zwaarmoe dige mensen, mensen die voortdurend met het levenseinde bezig zijn. „In onze huidige kuituur wemelt het van de mensen van wie een beklem mende zwaarmoedigheid en droef geestigheid het hart dichtsnoeren een stille woede tegen anderen die omslaat in een stille woede tegen zichzelf " Woorden uit een preek van Van Kilsdonk over zelfdoding, des tijds gepubliceerd in het weekblad De Van Kilsdonk in ons gesprek: „De laatste vijf jaar heb ik elk jaar zo'n zeven mensen begraven of naar het krematorium begeleid die hadden af gehaakt. Terwijl ikzelf een onaangevochten le venslust heb dat zit zo animaal in mij dat dat ook niet zal veranderen word ik werkelijk omringd en ingesponnen door mensen die een heel diepe neer slachtigheid hebben en het levens licht niet beminnen. Daardoor krijg ik wat verstand van zelfdoding, niet om te verklaren maar om te weten hoe je zou kunnen reageren. Je voelt dat je een bepaald besef herkent van men sen die bij je langs komen; je weet waar het op uitdraait. Maar hoe die gevoelens ontstaan weet ik niet: het hart heeft immers zijn redenen die ook de eigen rede niet kent.
Ik ken op dit moment tientallen jonge mensen in de stad die spelen met de gedachte van zelfdoding Ik ken op dit moment tientallen jon gen mensen in de stad die spelen met de gedachte aan zelfdoding. Ze spre ken dat ook tegen mij uit. Ik ben een heel eenvoudig mens: ik kan dan niet meer dan mijn best doen, niet meer en niet minder. Het pastoraat onder de achterblij ven den is verschikkelijk belangryk. Ou ders zUn wanhopig en vragen zich af waarom hun kind niet wil leven, wat ze verkeerd gedaan hebben. Ik ken enkele vaders die in de laatste uren van hun leven zich afvroegen waarom hun kind zichzelf gedood heeft. Dat is voor hen een ware obsessie. Ze zitten met een levensgroot schuldbesef op gescheept. Dan zie je hoe zalig het is als je dat Uturgisch kan vieren: d a t j e niet in verstomming vervalt, maar deel hebt aan een dienst waarin alle
liederen van wanhoop kunnen klin ken. Een aantal psalmen is duidelijk geschreven door psychotici, die in hun leven verschikkelijke angsten hebben beleefd. Hoewel hij nooit zijn verjaardag heeft gevierd („dat was niet de gewoonte in m'n Jezuïetenorde: je wenste elkaar wel geluk, maar je nodigde geen gas ten uit") IS het bereiken van de 65 jarige leeftijd voor hem toch geen betekenisloze zaak: „Als je 25 jaar wordt, is het inleefbaar dat je 35 wordt. Maar als je 65 wordt, is het voor mij met inleefbaar dat ik 75 word. H et is natuurlijk niet uitgesloten, maar ik kan me dat volstrekt niet voorstellen. J e weet bovendien uit menselijke er varing, dat het leven steeds breek baarder wordt. Dat besef van de aan tredende eindigheid, dat ik weet dat het nu afloopt, is niet dramatisch of iets waarvan ik in paniek raak, zegt Van Kilsdonk op onze vraag naar zijn ervarmg met het ouder worden. „Tot op de dag van vandaag ben ik van H jf en leden zeer beweeglijk: ik fiets ie dere dag door de stad vooral in de nachtelijke uren. Dat voel ik aan als een lijfelijke overwinning. Verder heb Ik een volstrekt onversleten geheu gen: ik kan een verhaal dat iemand mij vandaag vertelt, morgen tot op de laatste letter herhalen." Na een uiteenzetting over een recente literatuurstudie die hij heeft gedaan over de bijbelteksten over Abraham, zegt Van Kilsdonk: „Ik heb nog steeds de iimerlijke hartstocht om volstrekt nieuwe gedachten te vinden of te beluisteren. Maar er hoeft maar één adertje te springen en die vitaliteit verdwijnt. De ambitie en natuurlijke drang tot zelfrealisatie en ontplooiing neemt bij 65 wel af. Maar voor wat betreft het pastorale werk heb ik een aantal verschijnselen leren begrijpen, dat wil zeggen invoelen, waarderen, leren in hun ernst en menselijke echt heid te beseffen. Als iemand mij op 25jarige leeftijd zei „ik ben geschei den" dan vertrok ik geen vin, hij merkte niet aan nujn gezicht dat ik een lichte verbystering ervoer. En om de waarheid te zeggen als een man mi) dat zei want het waren toen altijd mannen die het initiatief tot een scheiding namen was hij in m'n ogen een tikje gedeklasseerd, als iemand die toch gefaald had. Nu luister ik of hij ontmoedigd is, of dat zy'n ogen geblokkeerd zijn. Er is dus bij mij een andere houding gekomen. Hetzelfde kun je zeggen ten aanzien van homofilie. Ik was daar vroeger, zoals lede een, pastoraal ontzettend onervaren in. Je kon dan wel een soort mildheid en warmte aan de dag leg gen, maar het bleef wat vreemd. Mijn opleiding, die theoretisch erg knap was, was over deze zaken een en al verstomming. Nu het in mijn omge ving wemelt van homofiele mensen heb ik wel wat geleerd. J e kunt zeg gen: ik heb er nu een beetje verstand van hoe mensen dat innerlijk beleven.
Mijn zintuigen zijn voor mij steeds belangrijker geworden, mensen zien, naar ze luisteren. In mijn omgsmg met jonge mensen heb ik geen norm of kriterium meer, tenzij mijn hoop dat zij m hun leven een stuk geluk proeven. Maar d a t geluk kan ik niet meer zelf definieren, dat kan ik alleen maar bekijken, zien. MiJn zintmgen ziJn voor mij steeds
Pater Jan van Kilsdonk gaat in najaar met pensioen
'Niemand verwacht van ir i belangrijker geworden: mensen zien, naar ze luisteren. Ze kijken ook wel een beetje naar miJ: om te kijken of je echt luistert, of je ontroerd wordt. Niemand verwacht van mij een bood schap. Wat veel mensen hartstochte lijk verwachten is eerbied. Eerbied, zodat je haast met een vergrootglas hun majesteit ontdekt. ~ Ik kan mij herinneren dat iemand mij eens in de wandelgangen van de VU vroeg „wat is nu uw boodschap, want u bent toch pastor?!" Maar ik had toen de kw^jongensachtige neiging om te zeggen dat ik helemaal geen boodschap heb. Dat leek voor de vra gensteller een hoogst dubieuze zaak.
W/m Cr ezee en Jaap Kamer ling Ik preek natuurlijk wel, maar niet vanuit een voorgegeven leer. In mijn preken roep ik, m een bescheiden bijbelse inkledmg, beelden van men sen op. Mijn nalatenschap in preekjes is nauwelijks van enige waarde, dat kan me ook niets schelen. Maar ik heb er hier één, waar ik wel een beetje tevreden over ben. „Oud worden" heet het. Ik roep daarin beelden van oude mensen op. Maar de slimme luisteraar en lezer voelt dat het hele maal niet gaat over oude mensen, maar dat het gaat om jonge mensen die naar ouderen kijken en die blik kritiseer ik. Van Kilsdonk leest voor: „In de bus naar AmsterdamNoord zat ik on langs tegenover twee oude mensen. Man en vrouw, die met een volmaakte argeloosheid tegen elkaar leimden en om de vijf minuten een enkel zinnetje fluisterden. Zalig, maar heel beschei den. H et schouwspel, bijna een half uur durend, riep bij mij een golf van ontroering op, haast een erotische aandoening. Ik stiet, wat al te vrij, een jongen aan die naast mij zat, een bewoner van ZUverberg. H ij begreep niet waarom. Studeerde waarschijn lijk psychologie." Dat is m'n genre. Kijk, dat verhaal gaat natuurlijk over die jongen met die vlerkerige akade mistische psychologie. H ij zag die mensen niet! In het Vondelpark zie je in de zomer vaak oudere mensen zitten die uren kunnen kijken naar spelende kinde ren, vrijende paartjes en al die dieren. Ze zeggen niets, maar ze zien alles! Als je 's avonds bij hen m hun huisjes op bezoek zou komen, zouden ze je alles precies kunnen vertellen van wat ze gezien hebben. Ze zijn ontroerd, maar met distantie.
Het aangezicht van 'n mens is de plek van de openbaarwording van God Nee, in die beelden zitten geen bepaal de religieuze opvattingen. Ik heb al leen maar ervaringen. God bestaat voor mij uitslmtend in de ervaring met medemensen. Maar ik ben dank baar dat woord kies ik zeer bewust dat mij de joodse geschriften gegeven zijn, omdat die geschriften een heel eigenaardige kracht bezitten om mijn ervaringen te orchestreren. In het aangezicht van een mens, dat een zaamheid, wanhoop, angst, vreugde of vervulling kenbaar maakt, ervaar ik een onbetwistbare souvereiniteit. Dat aangezicht is voor mij de plek van de openbaarwording van God. De le vensvonk is voor rrüj de onmiddellijke ervaring en de joodse geschriften ma ken die ervaringen voor mij vertaal baar. Door mijn werk ben ik zeer vertrouwd met de dood: ik zit minstens tien keer per jaar aan het bed van een sterven de. Soms ook van jonge mensen. Nog heel onlangs lag iemand, die net z'n doktoraal had gedaan en die ik goed kende uit een kroeg, in het Andreas ziekenhuis. H ij kreeg twaalf dagen voor zijn dood voor het eerst te horen dat zijn leven was opgegeven. Hij riep mij en ik ben elke dag bij hem ge weest, ledere dag schreef ik na m'n bezoek een briefle aan hem. In bneven kan ik woorden schrijven die ik niet over mijn lippen kriig.
Ik denk overigens dat de aanwezig heid van een pastor biJ een stervende niets te maken heeft met verkondi ging. Dat zou ik weerzinwekkend vin den. Ik zou nooit een stervende tot een religieus gevoel willen bewegen als hij of zij voor de ziekte dat niet had. Ik kan wel mijn nabijheid laten blijken. Veel studenten hebben nog nooit meegemaakt dat iemand die hen dierbaar was, stierf. Dat geeft een merkwaardige onvolwassenheid. H et werkt infantiliserend: het verlengt de naïeve overmoed waarin jonge men sen kunnen leven.
Ik heb voor mezelf geen enkele gedachte over mijn toekomst na de dood Ik word de laatste vijf jaar iedere ochtend wakker met de verwondering dat ik nog leef Er komt natuurlijk een dag dat ik aan het einde van mijn krachten ben. Maar ik heb voor mijzelf geen enkele gedachte over mijn toekomst na de dood. Dat is niet verdrongen, het is geen angst, maar het is gewoon afwe zig. Ik beleef het wel hevig bij ande ren. Die ander die ik begraaf, waarbij ik als hturg het afscheid begeleid, van wie ik lief en leed vaak heel kleurvol ken, die heeft met zo'n m^esteit be roep op mij gedaan dat ik in die majesteit God ervaar. Ik zeg tot de gestorvene: „Je bent nu met de Mes sias verborgen in God." Over die erva ring heb ik verder geen taal: dat is niet alleen een kwestie van onmacht, maar het is ook de Innerhjke warmte van het stilzwijgen. Een predikant die daar wel taal over heeft snorkerig, protserig lust ik met. Bij alle diepe ervaringen is het een overtreding van je eigen menszijn als je je laat verlokken tot taal. Ik loop iedere maand met een schilder door het Stedeijk museum. H ij gidst mij: hij bromt dan, hij grijnst, balt de vuisten of begint te glanzen. Hij heeft geen taal. Ik zou hem meer wantrou wen als hij wel taal had. Ergens over kuimen praten, de welbespraaktheid, garandeert niets van de diepte van de artistieke ervaring. Over schoonheid valt niet te diskussieren. Teun van Dijk, literatuurwetenschapper aan de UvA, heeft dan heel ingewikkelde be togen en zegt dan op een bepaald moment „nu zet ik de esthetische faktoren tussen,haakjes". H oud u al
161 uw praatjes voor u, denk ik dan Waarom bekent u nu niet gewoon !ken niets te kunnen verhelderen van de nee mysterieuze ervaring dat een bepaald tik schilderij bestand is tegen honderden thei ontmoetmgen?! ef
Ik wantrouw intellectuele verhalen, over esthetische ervaring
DdVi ilCiit leriy !he tbij ook anni lappi BI ichre na lee it er ze ( „d hals tme ste" irme zal 1 an tl lappi ibare Ira n lapz] al,ki kenni ges stei islott
Die ervaring van schoonheid is een heldere ervaring en is niet occult Maar ik wantrouw a priori inteUektue Ie verhalen over esthetische ervaring Het is natuurlijk aardig als je welbe spraakte mensen hebt. Maar pas als iemand bijvoorbeeld praat over z'n liefde, hier in de stilte, niemand is erbij, en hij snikt over heel z'n lichaam en zijn taal is chaotisch dan ga ik door de knieën. De esthetische ervaring is tot mets herleidbaar: niet tot analyse en ook niet tot een andere esthetische weer gave. Ik heb dus geen hoge pet op van alle vertheoretiseer over Uteratuur Natuurlijk kan de roman m zijn struk tuur worden gevat en die arbeid kan wellicht de esthetische ervaring on dersteunen. Een theorie over al die strukturen is echter heel gevaarlijk, want iedere theorie is een beetje nor matief: het geeft de indruk van „zo moet het zijn". Nieuwe, verrukkelijke en superieure esthetische gegevens passen dan niet in de theorie. K/tfl Aan de universiteit zou de esthetische ervaring een veel grotere rol moeten spelen. Voor tandheelkunde is dat k,ik moeUijk aan te geven, of toch: oefent we juist de tandarts niet voor 80% de Bid e taak uit van plastisch chirurg? Maar ins( een psycholoog die niet voortdurend telij de grote romankunst leest, die met enb kennis neemt van de Russische ro iten, manUteratuur van de 19e eeuw, die Iren een doordringende psychologie heeft, b« heeft iets onvolwassens. i,in Ik heb dat zelf een paar jaar geleden Jooi heel plastisch ervaren. Ik wilde toen ;t€n die toespraak houden over zelfdoding een Nu heb ik voor mijn werk geen acade mische vorming nodig, maar ik heb elden. wel een onstuitbare behoefte om alles m. ^'^ vert te lezen over het onderwerp waarover jonf ik wil spreken. Over zelfdoding heb je een groot aantal wetenschappel^ke uurk boeken. De meeste vallen voor rmj af, lie hl ast omdat ze elkaar overschrijven of om ar O] dat ze verouderd zijn. Dan houd je maar een paar boeken over waar je ne r
'm«
iltisi
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1981
Ad Valvas | 434 Pagina's