Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 127
5
AD VALVAS — 29 OKTOBER 1982
Prof.dr. IW. Hovenier over het nut van een studierichting sterrenkunde
Vraag naar de plaats van de mens in de ruimte Al duizenden jaren zijn mensen gebiologeerd geweest door hetgeen zich aan de sterrenhemel afspeelde. Hoewel waarnemingen in het verre verleden wetenschappelijk gezien ook nu soms nog nut blijken te hebben, werd astronomie (sterrenkunde) vooral bedreven uit praktische overwegingen (vaststelling van de kalender) of om filosofische of godsdienstige redenen. In de loop der eeuwen is het accent verschoven naar natuurkimdig onderzoek. Vooral sinds het midden van de vorige eeuw is er een stroomversnelling binnen de sterrenkunde opgetreden: Het uitsluitend waarnemen en beschrijven van zon, planeten en sterren heeft plaats gemaakt voor onderzoek naar de fysische gesteldheid van de hemellichamen en de ruimte ertussem-In Nederland kan men aan zes verschillende universiteiten onderwijs krijgen in de sterrenkunde. Binnen de Vrije Universiteit gebeurt dat aan de Subfakulteit Natuurkunde en Sterrenkunde, onderdeel van de Fakulteit Wiskunde en Natuurwetenschappen Wat houdt de sterrenkxmde precies in; hoe werkt de subfakulteit en daarbinnen de vakgroep sterrenkimde? Een voorbeeld van een manier waarop sterrenkunde vroeger op een praktische wijze werd gebruikt is Stonehenge in Engeland. Dit in de periode tussen 2500 en 1500 v.Chr. ontstane bouwwerk werd gebruikt om de opkomst en ondergang van de zon en maan vast te stellen. Door een speciale opstelling van de immense stenen was het mogelijk de beweging van planeten te volgen en op die manier een kalender bij te houden. In Mesopotamie werden sterrenkundige verschijnselen vastgelegd in inskripties op kleitabletten. Tijdens de middeleeuwen waren vooral de ontwikkelingen in de Arabische wereld van belang, omdat zij de kennis, die eerder was opgedaan door de Grieken, vastlegden en overleverden aan het westen na de middeleeuwen. Onder invloed van het geestelijk klimaat van de Renaissance stelde Copernicus in 1543 in De Revolutionibus, dat de zon een centrale plaats had in het heelal en dat de aarde zich bewoog. De ontdekking en ontwikkeling van de telescoop rond 1600 bracht voor de sterrenkimde heel nieuwe dimensies. Er werden kraters op de maan en vlekken op de zon ontdekt en geleidelijk werden steeds meer detaüs waargenomen in het heelal, waardoor het wereldbeeld stukje bij beetje begon te veranderen. Steeds meer werden ook de sterren zelf deel van het onderzoek. Aan het eind van de 18e eeuw werd voor het eerst het begrip melkwegstelsel vastgelegd. Natuurkundige en technische ontwikkelingen zorgden vanaf de 19e eeuw voor een accentver-
Frsuis Hogendoom schuiving van beschrijving (astronomie) naar fysisch onderzoek (astro^sika). In de twintigste eeuw heeft deze ontwikkeling zich, door het steeds verfijnder worden van methoden van onderzoek en technische vooruitgang, verder voortgezet.
Onderwijs Zoals gezegd wordt aan zes Nederlandse universiteiten in Nederland sterrenkunde onderwezen. Bij vier daarvan (Leiden, Groningen, Utrecht en de Universiteit van Amsterdam) kan men zich laten inschrijven voor de studierichting sterrenkunde, die kan worden afgesloten met een doktoraal diploma sterrenkunde. In Nijmegen en aan de Vrije Unviersiteit heeft men voor een andere opzet gekozen. Prof.dr. J.W. Hovenier, biimen de subfakulteit natuurkunde en sterrenkunde belast met het onderwijs in de sterrenkunde, legt uit hoe aan de VU de astronomie is ingedeeld: „Aan de VU zeggen we: als iemand sterrenkimde wil doen, kan hij of zij zich het beste laten inschrijven voor de studierichting natuurkunde. Dan volgt hij, zeker in het eerste jaar, hetzelfde programma als een student natuurkunde. Maar in die hele studie van vier jaar moet een student altijd verschillende keuzes maken. Dat begint al in het tweede jaar, dan moet hij een keuze maken tussen twee aanverwante natuurwetenschappen, de scheikimde of de sterrenkxmde. Iemand die belangstelling
heeft voor sterrenkunde kiest dan voor het laatste. Hij krijgt dan een algemene inleiding in de begrippen en in het vak." Dat is nodig, aldus Hovenier, omdat op de middelbare school sterrenkunde niet als een apart vak voorkomt, maar een beetje ondergeschoven is bij de natuurkunde. Beginnende studenten weten daarom van heel elementaire zaken niets af. Wel is er een keuzevak astrofysika dat eens in de zoveel jaar eindexamenvak is. Juist dit jaar is dat het geval. Naast de algemene inleiding in het tweede jaar is er ook een kollege struktuur en materie, waarin verschillende onderdelen als kemfysika, atoomfysika en ook sterrenkunde in behandeld worden. In het derde en vierde jaar komt vervolgens praktisch werk aan de orde, waarbij een brug wordt geslagen tussen onderwijs en onderzoek. Volgens prof. Hovenier wordt op die manier aan de student de vrijheid gelaten hoe groot het aandeel sterrenkunde wordt in het totaal: „Iemand kan zeggen: ik wil een heel klein beetje sterrenkunde doen, dat is enkele procenten van de studielast. Een ander zegt, ik wil er wat meer aan doen, bijvoorbeeld tien procent. Het maximtim watje bij ons kunt doen is ongeveer 34 procent. Zo iemand leert niet alles hier, maar dan maak ik ook afspraken, zodat hij bijvoorbeeld aan de Universiteit van Amsterdam kolleges kan volgen." Toch is volgens hem het verschil met iemand die sterrenkunde heeft gedaan in Utrecht of Leiden niet zo groot. Ook daar doet men tijdens een hele studie niet meer dan 35 ä 40 procent aan typisch sterrenkundige dingen. De rest bestaat ook daar uit wiskunde en natuurkunde. Als voordeel ziet professor Hovenier, dat iemand
Prof.dr. J.W. Hovenier.
die aan de VU afstudeert met zijn doktoraal diploma natuurkunde ook een baan kan krijgen als fysikus.
Impulsen Dat de sterrenkunde aan de VU bij de natuurkunde is ondergebracht (sinds 1973, daarvoor was ze „ondergeschoven" bij wiskunde) berust op het feit, dat het onderzoek binnen deze tak van wetenschap zich steeds meer in de astrofysische richting heeft ontwikkeld: het onderzoek richt zich hoofdzakelijk naar de fysische gesteldheid van de planeten en de interplanetaire materie. Prof. Hovenier over die wisselwerking tussen natuurkunde en sterrenkunde: „In de sterrenkunde pas je niet alleen maar natuurkundige wetten en resxiltaten toe, het is ook zo dat vanuit de sterrenkunde impulsen gaan naar de natuurkunde. Er zijn verschillende situaties die je niet kunt nabootsen in het laboratoTium. Als je een lage luchtdruk wilt hebben kun je zeggen: ik pak een pomp en ik probeer zo veel mogelijk lucht uit zo'n vat weg te pompen. Dat lukt heel aardig, maar er is een grens. Dan is het gas wel vrij ijl, maar lang niet zo ijl als het soms in de ruimte voorkomt. Hetzelfde geldt voor materie die je samenperst, die je onder heel grote druk wilt brengen. Daar is zelfs met de krachtigste hulpmiddelen een grens in het laboratorium. Bovendien wordt dat erg duur. In de ruimte, speciaal bij sterren, komen dichtheden voor, die nog altijd vele orden van grootte groter zijn. Er komen bij bepaalde typen sterren dichtheden voor van duizenden tonnen per kubieke cm. Dan gaat de natuurlijke materie zich toch echt wel wat anders gedragen
dan we in het laboratorium gewend zijn. Dus heel fundamentele dingen vind je ook buiten het laboratorium, buiten de aarde. Vandaar die wisselwerking." Biimen de vakgroep sterrenkunde wordt hoofdzakelijk theoretisch onderzoek gedaan. Dat betekent dat er gebruik wordt gemaakt van bevindingen van anderen. De gegevens worden, voorzover niet in een van de vaktijdschriften gepubliceerd, verkregen via persoonlijke kontakten. Voordeel hierbij is, dat het aantal sterrenkundigen zowel in Nederland als internationaal relatief gezien klein is. Het onderzoek aan de VU zal zich de aankomende jaren vooral richten op twee Projekten: de lichtverstrooiing in atmosferen van planeten en satellieten en het zodiakale licht (waarmee wordt bedoeld licht en andere straling van kleine interplanetaire deeltjes).
Specialisatie Behalve prof. Hovenier, die voorzitter van de vakgroep is, wordt het onderzoek uitgevoerd door de vaste medewerker dr. P.B. Bosma en drie promovendi, die als tijdelijk medewerker verbonden zijn. Voorts nemen een stuk of vijf gevorderde studenten aan het onderzoek deel. De specialisaties, die zich in deze onderzoekthema's weerspiegelen, zijn een gevolg van een soort natuurlijke taakverdeling op het terrein van de astronomie tussen de verschillende universiteiten in Nederland. Prof. Hovenier: „Toen ik hier benoemd werd heb ik wel degelijk gekeken: welk stukje specialisatie zou je je nou eens het beste op kuimen richten. Ik was al wat bezig met onderzoek van planeten en aan andere instituten deed men weer andere dingen. Hadden wij hetzelfde willen doen wat al gebeurde bij een sterke groep ergens anders in Nederland, dan zou je elkaar een beetje gaan bekonkxirreren. Daar zouden we natuurlijk nooit tegenop kunnen als een kleine groep die nog moest beginnen. Dus binnen Nederland is er een hele aardige taakverdeling." Overigens moest er, op verzoek van het ministerie van onderwijs, wel een proefdiscipline-plan worden opgesteld. Daarin schrijven de Nederlandse sterrenkundigen, dat er weinig of geen overlapping voorkomt in de verschillende richtingen, „hooguit een beetje en dat is maar goed ook". Hovenier: „Wat ons betreft is het helemaal niet nodig dat ambtenaren in Den Haag die taakverdelmg gaan bedenken en regelen.
Vervolg op pag. 6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982
Ad Valvas | 490 Pagina's