Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 397

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 397

9 minuten leestijd

3

AD VALVAS — 29 APRIL 1983

Drie deskundigen in evaluatierapport voor NUFFIC:

Samenwerking met Gadjah Mada Universiteit op veel punten niet vlekkeloos Het samenwerkingsverband van een drietal Nederlandse universiteiten, waaronder de VU, met de Indonesische staatsuniversiteit Gadja Mada (Yogyakarta) vertoont een aantal gebreken. Dat heeft een externe evaluatiecommissie van drie deskundigen in een rapport in opdracht van de stichting van de Nederlandse universiteiten en hogescholen voor internationale samenwerking NUFFIC geschreven. Volgens het rapport kan de training en bijscholing van stafmedewerkers aan de Indonesische universiteit (UGM) niet geslaagd worden genoemd. De twee uitgebreide subprogramma's, waaruit het samenwerkingsverband bestaat, fungeren bovendien niet als een een geïntegreerd geheel. De verschillende Projekten die onder een van beide subprogramma's vallen worden te geïsoleerd uitgevoerd en de formulering van de uitvoeringsplannen wordt te veel beïnvloed door de Nederlandse deelnemers. Aldus enkele konklusies in het rapport. Overigens wordt slechts een voorzichtig vraagteken gezet bij het voortzetten van deze struktuur. De deskundigenkommissie bestond uit M. J. Janssen, hoogleraar scheikunde (RU Groningen), S. Adikousomo, hoogleraar sociale geografie (Bandung, Indonesië) en G. von Liebenstein, antropoloog en lid van de RAWGO (adviesraad voor onderzoek ontwikkelingsproblematiek in ons land). Van Nederlandse zijde wordt in het samenwerkingsverband met de GadJah Mada-universiteit geparticipeerd door, behalve de VU, de Rijksuniversiteit Utrecht en de Wageningse Landbouwhogeschool. De deskundigen onderschrijven het kriterium dat de aktiviteiten ten goede moeten komen aan de allerarmsten in de Indonesische samenleving. Maar zij maken de kanttekening dat die doelstelling niet altijd als selektiekriterium kan worden gebruikt bij de praktische uitvoering van het ontwikkelingsprogramma. Verder zeggen zij dat er te veel tijd wordt besteed aan het bepalen van het beleid, dat in weerwil daarvan n a eenmaal genomen beslissingen toch weer door een grote flexibiliteit wordt gekenmerkt.

Reaktie

In een reaktie noemt de NUFPIC/PUO bestuurskommissie, die zich bezighoudt met het Programma Universitaire Ontwikkelingssamenwerking het rapport „duidelijk en makkelijk te volgen". Ze stelt echter ook dat enkele zaken, die direkt met het ontwikkelingsprojekt van doen hebben, onderbelicht zijn gebleven. Zij wijst daarbij op de sociaal-ekonomische kontekst, en de rol van de universiteitln de Indonesische samenleving. Op basis van de bevindingen van de externe evaluatiekommissie (en de reaktie daarop van de Nederlandse deelnemers in het samenwerkingsverband), stelt de NUFFIC dat de twee subprogramma's moeten worden beëindigd, en dat overgebleven deelprojekten buiten de subprogramma's worden voortgezet. Voorts ziet ze niet de noodzaak van een voortdurende stationering van een Nederlandse koördinator in Indonesië. De begeleidingskommissie van het samenwerkings-

Frans Hogendoorn verband, waarin de drie Nederlandse universitaire instellingen vertegenwoordigd zijn, en waarvan het sekretariaat gevoerd wordt door het Bureau Buitenland van de VU, stelt in een kommentaar onder meer, dat de Nederlandse partners vanaf het begin werden gekonfronteerd met een dilemma. Enerzijds waren daar de PUO-kriteria en verzoeken, aan de andere kant kwamen er wensen van de k a n t van de Indonesische partner. Overigens gaat zij uitgebreid in op de vele konklusies en aanbevelingen van de evaluators. Dit doet ook UGM, dat zich in een reaktie in grote lijnen achter het kommentaar van de Nederlandse partners schaart. Het GadJah Mada-samenwerkingsverband is gestart in 1978. In een Letter of Intent, die door de vier partners werd ondertekend, bestond de eerste fase van samenwerking (die n u geëvalueerd is) uit twee grote subprogramma^'s: Basic Sciences en Integrated Rural Development. In het eerste subprogramma werden drie Projekten ondergebracht: n a t u u r kunde, scheikunde en een speciale natuurkunde bijscholingskursus. Deze laatste viel door interne Indonesische ontwikkelingen al vrij snel weg, en is door de evaluatie-kommissie verder niet bestudeerd. Blijft over n a t u u r k u n d e en scheikunde, respektievelijk uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de VU en de RUU. Doel was volgens de beginselverklaring „de verbetering van de onderwijskundige en onderzoekskapaciteit van de UGM-fakulteit Science a n d Mathematics". Uiteindelijk zou dit moeten doorwerken op het gehele tertiaire onderwijs in exakte vakken in Indonesië. Er werd gekozen voor training van de ,junior staff". Hiermee werd beoogd een vicieuze cirkel te doorbreken „waarbij een laag peil van docenten, een laag peil van afgestudeerden tot gevolg heeft".

Nauwelijks koördinatie

De evaluatie-kommissie komt tot de konklusie dat er eigenlijk geen subprogramma Basic Sciences bestaat: er bestaat tussen de twee afzonderlijke Projekten n a t u u r kunde en scheikunde nauwelijks tot geen koördinatie of organisatie. Overigens zien de leden van de kommissie dit niet als een nadeel. Volgens hen komt het voort u i t de specifieke aard van de wetenschappen en weerspiegelt het een situatie die zich aan veel universiteiten voordoet. Verder signaleert de kommissie een duidelijk verschil in ontwikkeling van beide Projekten. Uitgaande van de rapportage van de evaluatiekommissie, en wijzend op de strukturele problemen binnen het vakgebied natuurkunde, konkludeerde PUO-bestuurskommissie dat de samenwerking op dit vakgebied beter beëindigd k a n worden. W a t betreft scheikunde schaart zij zich achter de konklusies uit het evaluatierapport, dat de fakulteit scheikunde van de UGM n a de tweede (huidige) fase, op eigen benen kan staan. Wel is de PUO-kommissie van mening dat een beperkte voortgezette samenwerking nog z'n n u t kan hebben om aan nog eventueel bij de Indonesische partner levende wensen te kunnen voldoen.

Het IRD-programma

Het Integrated Rural Developm e n t (IRD) subprogramma is veel omvangrijker en ambitieuzer. Het IRD-programma moest „een eerste stap (zijn) ter ondersteuning bij de ontwikkeling van

kennis en mankracht die nodig is voor plattelandsontwikkeling, voortbouwend op wat reeds aanwezig is bij de UGM". Dit zou z'n neerslag moeten vinden in „een gezamenlijk Indonesisch-Nederlandse poging tot het opzetten en uitvoeren van een interdisciplinair probleem- en aktie-georiënteerd training- en onderzoeksprojekt over enkele strategische aspekten en problemen van de ontwikkeling in de Serayu Valley". Om duidelijk aan te geven waar de accenten moesten liggen werd uitdrukkelijk afgesproken dat h e t IRD-subprogramma geen onderzoeksprojekt van Nederlandse

van de wetenschappelijke staf van UGM blijft.

Beëindigen

De NUPFIC/PUO-bestuurskommissie stelt zich op het standpiint het aardwetenschappen-projekt te beëindigen, omdat de gestelde doelen bereikt zijn: de Indonesische fakulteit is sterk genoeg om op eigen kracht verder te gaan. Dit geldt zeker niet voor sociale geografie, ondergebracht als vakgroep bij de fakulteit aardrijkskunde. Akademisch gezien behoort deze vakgroep tot de zwakste van de universiteit. Dit is juist zo teleurstellend, omdat sociale

Gesicht op één van de faculteitsgébouwen universiteiten in Indonesië moest zijn, maar een opleidings/bijscholingsprojekt voor Indonesische stafleden van fakultelten en vakgroepen, die betrokken waren bü het programma. Het subprogramma bestaat uit vier Projekten: aardwetenschappen en rurale gezondheid en ontwikkeUng (beide onder verantwoordelijkheid van de VU), Bosbouw en Natuurbeheer (onder verantwoordelijkheid van de Landbouwhogeschool Wageningen) en Socio-economic Input, onder verantwoordelijkheid van de Rijksuniversiteit in Utrecht. De geïntegreerde, interdisciplinaire opzet en aanpak beschouwt de evaluatie-kommissie als grotendeels mislukt. Ze stelt „dat het IRD-concept nooit gefunktioneerd heeft als een bindend elem e n t ten behoeve van de afzonderlijke Projekten". Overigens had de UGM al in 1980 i n een intern evaluatierapport vastgesteld „dat het IRD-concept gebruikt werd als een paraplu waaronder reeds bestaande en nieuw te starten programma's werden samengebracht, en daardoor de strekking van de samenwerking te veranderen in een meer samenhangend lange-termijn programma, zoals dat verlangd werd n a de veranderde Nederlandse politiek sinds 1977". Vrij vertaald: het IRD werd niet opgezet met de bedoeling een interdisciplinair programma te ontwikkelen, maar meer als alibi om kleinere Projekten doorgang te kunnen laten vinden. Toch is de kommissie van mening d a t de IRD-opzet veel voordelen bezit, en dat äeze s t r u k t u u r kan blijven voortbestaan, mits het uitdrukkelijke doel de bijscholing

deze kommissie ook voortgezet moeten worden, mits de problem e n die zich daar voordoen opgelost kunnen worden. Op het terrein van de bosbouw bestaat een meningsverschil over, in de woorden van de NUFFIC-kommissie, „wat Indonesië wil en wat Nederland bereid is te bieden". De probleem-georiënteerde bosbouw die de Landbouwhogeschool voorstaat valt niet in goede aarde bij de Indonesische partner. Overigens heeft Wageningen om heel andere redenen al aangekondigd, n a afloop van de huidige fase uit het samenwerkingsverband te willen stappen. Gezien het feit dat geïntegreerde

van de Gadjah Mada universiteit (foto Archief NUFFIC)

geografie op een waardevolle wijze kan bijdragen in de ontwikkeling van een land of gebied, dat k a m p t met strukturele problemen op het terrein van by voorbeeld regionale planning, plattelandsontwikkeling of migratieproblemen. De zwakte van de vakgroep vindt zijn oorzaak overigens niet in de laatste plaats in het feit, dat studenten bij sociale geografie neerstrijken, wanneer zij nergens anders meer geplaatst kunnen worden. De NUFFIC-kommissie stelt dan ook voor de samenwerking met de vakgroep voort te zetten. De deelprojekten gezondheidszorg en bosbouw zouden volgens

samenwerking tussen de verschillende deelprojekten niet meer als belangrijkste doel wordt beschouwd, ziet de NUFFIC niet de noodzaak van een voortgaande stationering van een full-time koördinator na 1983. Daarbij m a a k t ze wel nadrukkelijk de aantekening, dat de koördinator de afgelopen jaren waardevol werk heeft verricht. De begeleidingskommissie van de Nederlandse deelnemers in het samenwerkingsverband voelt overigens wel voor een permanente stationering van een koördinator, m a a r wil wel een uitbreiding van de taken op bij voorbeeld projektuitvoerend terrein.

UR aanvaardt motie:

Verlaging studiebeurzen ongewenst De universiteitsraad heeft dinsdagavond unaniem een motie van de VUSO-fractie aangenom e n waarin de in de Voorjaarsnot a van het kabinet aangekondigde bezuiniging van ca. ƒ 60 miljoen op de studiefinanciering scherp wordt afgekeurd. De regering wil de prijscompensatie op de studietoelagen van vier procent voor het komende studiejaar niet door laten gaan. Voorts zullen de beurzen van 18-, 19- en 20-jarigen volgens de Voor-

jaarsnota worden verlaagd tot h e t peil van de RWW-uitkering voor niet-studerende jongeren van die leeftijden. Daardoor worden die beurzen ruim tien procent gekort. De universiteitsraad vond een verdere verslechtering van de financiële positie van studenten ongewenst. De komende j a r e n zou de besparing op de studietoelagen moeten oplopen tot meer den ƒ 300 miljoen volgens de plannen van minister Deetman. (J.v.d.V.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 397

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's