Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 251
AD VALVAS — 28 JANUAR11983
3
Nieuw „kennisloker van VU, UvA en NIKHEF gezamenlijk
Transferpunten: als ze niet bestonden zouden ze uitgevonden moeten worden De transferpunten of „kennisloketten", die onze universiteiten en hogescholen stormenderhand veroveren, blijken goed aan te slaan in het bedrijfsleven. Van kleine onbeduidende burootjes ontwikkelen zij zich tot instanties, waarmee binnen en buiten de wetenschappelijke wereld rekening wordt gehouden. Het sukses ervan is zelfs zó, dat „als ze niet al zouden bestaan, ze zouden moeten worden uitgevonden". Dat konkluderen de bestuurskundigen dr. A.F.A. Korsten en drs. W.A.J. Gooren van de Katholieke Universiteit van Nijmegen in een zojuist verschenen evaluatie-rapport over dit nieuwe koppelfenomeen. Leuk hieuws voor beide Amsterdamse universiteiten die samen met het NIKHEF, het Nationaal Instituut voor Kernfysica en Hoge-Energiefysica, binnenkort een eigen transferpunt gaan openen. En daarvoor samen alvast 3V2 formatieplaats hebben gereserveerd. De gemeente Amsterdam is gevraagd met nóg een plaats dit nieuwe kennisloket te ondersteunen. Dat alles voorlopig voor drie jaar. Wat is nou eigenlijk zo'n transferpunt, waar komt het vandaan en wat is het verschil met de ons al bekende wetenschapswinkel? Het idee ervoor komt nog van de eerste en tevens laatste bewindsman voor het Wetenschapsbeleid, minister A.A.Th.H. van Trier, die deze gedachte in 1979 uitwerkte in zijn Irmovatienota, al waren er op dat moment al enkele initiatieven genomen die het idee benaderden, met name op de technische hogescholen. Kermis wordt gezien als een steeds belangrijker wordende „grondstof' die in ons land met zijn hoog opleidingsnivo per hoofd van de bevolking ruim voorhanden is. Intensiever gebruik van die kermis kan leiden tot meer iimovaties. Aan die vernieuwingen heeft - op de terreinen van technologie en management - niet alleen het bedrijfsleven behoefte, maar ook de nonproflt sector, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderwijs of voorzieningen voor gehandicapten. Een al vaak gesignaleerd probleem bij de overdracht van kennis is het geringe gebruik dat vooral kleine en middelgrote bedrijven - erg belangrijk voor onze werkgelegenheid - hiervan maken. Kleinere bedrijven missen de middelen om er eigen researchafdelingen op na te houden, terwijl ook hun kontakten met onderzoeksinsteUingen en de wetenschappelijke wereld vrij schaars zijn. Er liggen vaak hoge drempels, die een vrije doorstroming van kennis en probleemstellingen belemmeren. En dat terwijl het juist voor die bedrijven vaak innoveren of sluiten is. Om die drempels te slechten is toen in die innovatienota voorgesteld, te komen tot een landelijk systeem van transferpimten: Meine burootjes, die als loket of toegang tot de onderzoeksinstelling fungeren, bezet met mensen die een probleem van een bedrijf kuimen vertalen naar een wetenschappelijk onderzoeker toe. Het bleek te werken, hoewel veel bedrijven eerst de kat uit de boom keken en begonnen met kleine tobberijen als een apparaat dat niet goed uitwerkte: het zogeheten „trouble shooting". Toch was het belangrijk hier serieus op in te gaan, omdat een snelle oplossing van dat soort probleempjes direct resultaat in de zin van produktieverbetering opleverde en aldus veel vertrouwen opwekte. Volgens de Nijmeegse onderzoekers is er nu al een kentering zichtbaar naar meer wetenschappelijke vragen. Bedrijven die aanvankelijk met relatief simpele problemen aankwamen, komen nu terug met veel wezenlijker vragen die resulteerden in onderzoeksopdrachten met een
Jaap Kamerling looptijd van meer dan drie maanden.
Re0ottaie funktie Minister Van Trier legde destijds vooral de nadruk op de bemiddeling tussen het midden- en kleinbedrijf en het technologisch kenniscircuit. De eerste transferpunten onstonden dan ook op de TH's van Twente en Eindhoven en later ook van Delft, het Industrieel Dienstencentrum van TNO en de Rijksnijverheidsdienst. Naderhand werd het kennisaanbod verbreed tot dat uit de alpha- en gamma-faculteiten, die immers op punten als bedrijfsvoering ook him vernieuwende bijdragen konden leveren. Een logisch gevolg op de ontwikkeling was dat ook de universiteiten mee gingen doen aan het landelijk netwerk. Eerst Groningen en Nijmegen, later Leiden samen met Delft, onlangs Rotterdam en nu ook VU en UvA samen. Uitbreiding van het netwerk van transferpunten is daarom zo belangrijk, omdat de pimten elkaar moeten aanvullen en al naar gelang de aanwezige en gevraagde know how naar elkaar verwijzen. Bovendien vervullen de diverse punten een belangrijke funktie voor de economische ontwikkeling van de regio waarin zij Uggen. Voor UvA en VU speelde een rol, dat het ontbreken van een Amsterdamse schakel in het landelijk netwerk zou bijdragen tot een negatieve beeldvorming van de in de regio gevestigde onderzoeksinstellingen. Daarnaast ontstaat door de forse bezuinigingen op het wetenschappelijk onderzoek de noodzaak tot het verwerven van (derde)geldstroomfondsen, teineinde op die manier werkgelegenheid en onderzoekscapaciteit op peil te houden.
Verschil met wetenseliapswinkel Met dat financiële argument in het hoofd, valt eenvoudig aan te geven wat eigenlijk het verschil is tussen een transferpunt en een wetenschapswinkel, tenslotte óók een kennisloket. Het verschil is, dat wetenschapswinkels bemiddelen voor met name „onderliggende groepen die zelf geen onderzoek kuimen bekostigen. Transferpunten daarentegen brengen weliswaar geen bemiddellngskosten in rekening, maar wel kosten van net onderzoek zelf. Hierdoor en dankzij kunnen die kosten laag blijven voor kleinere
bedrijven en nori-proflt instellingen. Dat moet dok wel, wil het onderzoek aantrekkelijk blijven. Tot nog toe is de financiële drempel geen grote belemmering geweest, gezien de enorme vlucht die de vraag naar bemiddeling heeft genomen: in 1981 alléén al op de Eindhovense TH 500 aanvragen (in '82 nog meer), waarvan zo'n dertig procent tot samenwerkingsprojekten tussen bedrijf en onderzoekers van drie maanden of meer leidde. De gunstige financiële voorwaarden dreigen echter te verslechteren. Profiteerden de TH's Groningen en Nijmegen nog van de experimentele aanloopperiode, doordat zij financiële steim van Wetenschapsbeleid kregen voor hun transferpunten, het Amsterdamse punt moet nu al helemaal door de instellingen en de gemeente Amsterdam zelf worden bekostigd. Maatschappelijke dienstverlening zou eigenUjk gewoon één van de universitaire taken moeten worden, een suggestie die ook de Nijmeegse onderzoekers doen. De mogelijkheid dat de transferpunten selfsupporting worden, verwerpen zij omdat dan de deur voor veel bedrijven financieel wordt dichtgegooid. Kleinere bedrijven kunnen zich immers geen niet direct winstgevende aktiviteiten veroorloven, ook al kan het effekt op langere termijn hun winst- en exportpositie zeker versterken.
gangscontrole en de „nazorg". In de meeste gevallen ontvangen de transferpunten de vragen vanuit de klantenkring en geven ze die door aan vakgroepen. Wat er daarna mee gebeurt is echter voor de transferfunktionaris vaak moeilijk na te gaan. Dat kan pijnlijke situaties opleveren: antwoorden die een klant al na drie maanden verwacht, zijn na één jaar nog niet binnen en deze wordt dan bevestigd in het idee, dat samenwerken met de wetenschap toch niets oplevert. Ook de nazorg is een teer punt. Oplossingen die in een laboratorium-situatie goed voldoen, werken niet altijd hetzelfde in de werkelijke bedrijfssituatie. Of, zoals ons zusterblad in Nijmegen optekende uit de mond van de directeur van een textielfabriek, die aan de TH Delft een nieuw droogsysteem had laten ontwikkelen, dat niet bleek te werken: „Wat bij ingenieurs werkt, werkt nog niet bij Tukkers." Ook is het zaak dat de transfermedewerker, samen met de klant, probeert de probleemstelling voor een onderzoek goed helder te krijgen en zó, dat de klant
instituut beschikt trouwens al over een deeltijdse kracht voor dit soort werk. Amsterdam tenslotte zal, als dat lukt, voor de ambtelijke ondersteuning zorgen. Geen vreemde gedachte, gezien de lokale en regionale funktie van het transferpunt. Er zal nauw worden samengewerkt met het al in de hoofdstad gevestigde transferpunt van de Rijksnijverheidsdienst, dat destijds werd opgezet om bedrijven te adviseren op technologisch en organisatorisch gebied. Gezien de verschillen met de wetenschapswinkels, wordt het transferpunt niet daarbij ondergebracht. Wel zal er naar samenwerking worden gestreefd, al wordt over de wenselijkheid daarvan verschillend geoordeeld. Wewi's richten zich immers op heel andere klanten. In de transfemota van de drie participanten wordt er ook op gewezen, dat niet aUe vragen aan onderzoekers persé via het transferpunt moeten lopen. Als bedrijfsleven en instelllingen eenmaal hun weg naar de voor hen interessante onderzoekers weten
Eerst 't keutelwerk Ingaan op de vragen van klanten moet trouwens ook voor onderzoekers bij instellingen interessant zijn. We wezen al op het trouble shooting karakter van veel gevraagd onderzoek. Niet direct „research" waaraan je als onderzoeker veel status ontleent, om nog maar te zwijgen van de publikatie-waarde ervan. De beloning moet 'm veel meer zitten in de meer interessante vervolgopdrachten, die kunnen voortkomen uit het keutelwerk. Van de extra geldstroom die uit de transferbron zou vloeien, moet men zich overigens geen al te grote voorstellingen maken. De kosten van de eerste transferpunten, die de Nijmegenaren evalueerden, overtroffen tot op heden de omzet die ze realiseerden. En naar verwachting zal die situatie in de komende jaren nog wel voortduren. Niettemin een bescheiden bron van werkgelegenheid voor onderzoeksinstellingen en een toekomstige voor afstuderende studenten, die na een profijtelijk verlopen onderzoek, soms door opdrachtgevers in dienst worden genomen. En tenslotte een mogelijkheid de onderzoekscapaciteit op peil te houden. Volgens Korstens en Gooren zouden ook de instellingen zelf het kleinere werk moeten honoreren door vakgroepen, die dat ter hand nemen te belonen met mogelijkheden voor meer fundamenteel onderzoek als die niet al van de opdrachtgever zelf komen. Uit de evaluatie is trouwens gebleken, dat er ook bij onderzoekers wel degelijk interesse is om zelf met hun onderzoek de boer op te gaan via het transferpunt om onderzoek commercieel toe te passen. Aktiviteit kan dus ook van de aanbodzijde zelf uitgaan: de push-funktie van het transferpunt.
„Tukkers" Wil dat transferwerk sukses hebben, dan zal verder aan twee dingen meer aandacht moeten worden besteed, concluderen Korsten en Gooren: de voort-
er echt wat mee opschiet. VUwetenschapsvoorlichter Cees van Rooden, voor de VU betrokken bij de voorbereidingen voor het transferpunt: „Soms weet de klant zelf niet precies wat hij eigenlijk wil en wat hem iets oplevert." Ook moet de onderzoeker van zijn kant bereid zijn op zo'n toegespitste probleemstelling in te gaan. Dat kan belangenstrijd opleveren, evenals het tijdstip dat er resultaat verwacht mag worden. Daarover moeten goede afspraken worden gemaakt. Zoals gezegd, gaat dit jaar het gezamenlijke transferpunt van VU, UvA, NIKHEF van start; het principe-besluit is daartoe al genomen. De VU levert voor het transferwerk één funktionaris voor wiens funktie nu een profielschets en taakomschrijving wordt gemaakt. In februari komen de transferplaimen in de universiteitsraad. Het gezamenlijke buro krijgt zo mogelijk een lokatie buiten de drie instellingen, zodat het niet met één ervan alleen geassocieerd wordt. De UvA levert als grote instelling twee mensen voor het tranferpirnt: één uit de sociale wetenschappen en één uit de betasektor. De VU levert als middelgrote universiteit één funktionaris. Het NIKHEF een halve; dit
te vinden, hoeft het transferpxmt niet meer te bemiddelen.
EerUjk delen Het is niet de bedoeling dat er een soort taakverdeling komt tussen UvA, VU en NIKHEF bij te behandelen vraag en aanbod. De volledige expertise van de drie instellingen moet in principe benut kunnen worden. Behalve de technologische van de betasector, ook die van de alpha en gamma-fakulteiten, waarvoor belangstelling aangeboord kan worden bij gemeentelijke en provinciale overheden, kerken, vakbonden en andere maatschappelijke organisaties. Uiteraard zullen er vragen zijn, die op meerdere plaatsen van de drie instellingen kunnen worden beantwoord. Die moeten dan zó verdeeld worden, dat de instellingen een evenredig deel dienen te krijgen van de uit het transferwerk voortkomende onderzoekskontrakten. Bij de toewijzing van vragen zal tevens rekening worden gehouden met de banden, die tussen maatschappeUjke organisaties en de instellingen bestaan.
Vervolg op pag. 5
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982
Ad Valvas | 490 Pagina's