Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 42

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 42

8 minuten leestijd

AD VALVAS — 10 SEPTEMBER 19821

Sociologen onderzoeken verband tussen eenzaamheid en relatiebeelden

,,We moeten af van het plaatje dat ongehuwden ongelukkige mensen zijn" „Moedeloos, verdrietig, de toekomst somber inzien, depressief, onzeker. Ik ben veel alleen. De muren komen op je af. De verlatenheid, het geïsoleerd zijn. Het hmikeren naar iets leuks, terwijl je dat op dat moment niet in je macht hebt." Een citaat van een geïnterviewde in een onderzoek naar eenzaamheid. Eenzaamheid is een verschijnsel dat als één van de ernstigste problemen van onze samenleving wordt genoemd, maar tegelijkertijd bijna geheel aan de aandacht van de sociale wetenschappen is ontsnapt. Prof. dr. Jenny de Jong-Gierveld van de vakgroep methoden technieken van sociaal-wetenschappelijk onderzoek is sinds 1974 bezig om in deze leemte te voorzien en werkt aan een boek waarin verslag wordt gedaan van een gedeelte van onderzoeksaktiviteiten rondom eenzaamheid. Met haar en met Theo van Tilburg, die enkele maanden geleden zijn studie sociologie voor een skriptie getiteld „Werken aan verwerking van eenzaamheid" voltooide, hadden we een gesprek. Overigens komen in dit artikel niet zozeer de cijfermatige resultaten van het onderzoek aan de orde (de konklusie dat 41% van de geïnterviewden uit de steekproef in meer of mindere mate eenzaamheidsgevoelens kent, zegt immers op zichzelf niet zoveel), alswel de methodologische en theoretische overwegingen bij het onderzoekbaar maken van zo'n „moeilijk" begrip als eenzaamheid. Als een sociaal-wetenschappelijk onderzoeker een willekeurige groep mensen ondervraagt over hun eenzaamheid, zijn die mensen dan ook bereid daar eerUjk over te praten? Gesteld dat dat het geval is: beleven mensen hun (eenzaamheids-)situatie bewust of hebben ze een zelfbeschermend netwerk van legitimaties over hun situatie opgebouwd waar ze ook zelf in geloven? Twee vragen die al aangeven dat empirisch onderzoek naar eenzaamheid geen geringe opgave is. Het onderwerp wordt liever overgelaten aan dagsluiters en literatoren. Eenzaamheid is een taboe; daarover praat je niet makkelijk met anderen. Toen Jeimy de Jong-Gierveld acht jaar terug het onderzoek aanving, was er van een onderzoekstraditie over dit onderwerp geen sprake. Jenny: „In de literatuur las je hoogstens wat opmerkingen van enkele gerontologen. Ook in een ander opzicht was ons onderzoek nieuw: we probeerden niet via vooraf vastgestelde vra-

Wim Crezee genlijsten mensen over hun eenzaamheid te benaderen, maar we zijn heel bewust gestart te kijken hoe mensen zelf denken over him situatie. Eenzame mensen hebben een heel bouwwerk gevormd om voor zichzelf de eenzaamheid leefbaar te maken, te verdringen en te legitimeren. Daarmee moet je goed rekening houden bij het opzetten van je onderzoek." Eenzaamheid is voor geïnterviewden dus een „bedreigend onderwerp". Het Centraal Bureau voor de Statistiek ging hieraan voorbij toen het bureau een aantal jaren geleden een paar honderd Nederlanders de vraag voorlegde: „Voelt u zich wel eens eenzaam?" Zo'n direkte vraag kan volgens Jenny alleen maar diskutabele cijfers opleveren: „Het is voor mensen moeilijk om daar zomaar ja op te zeggen. In de loop van de gesprekken die wij gevoerd hebben, zie je allerlei veranderingen optreden. Zo interviewden we eens een alleenstaande vrouw van 45 jaar, die ons nadrukkeUjk aan het begin van het gesprek meedeelde dat ze beslist niet eenzaam was. Dan praat je over hoe ze haar vrije tijd besteedt, de

Jenny de Jong-Gierveld en Theo van Tilburg

Komponenten Na een aantal vooronderzoekingen werden in 1978 556 gesprekken gevoerd met ongehuwde, gescheiden, verweduwde en gehuwde mannen en vrouwen. De interviewers (veelal doktoraalstudenten sociale wetenschappen) waren geïnstrueerd om na het aflopen van de vragenlijst nadrukkelijk pen en papier neer te leggen. Bijna altijd volgde dan een informeel gesprek waarin de geïnterviewde nogmaals inging op het onderwerp dat ter sprake was geweest. In deze gesprekken-naafloop kwamen vaak de meest wezenlijke verhalen van mensen over hun eenzaamheid naar voren. De interviewers trachtten vaak diep onder de indruk - deze verhalen thuis op schrift te rekonstrueren. Jermy: „Die informatie hadden we niet gekregen

WerkeHjkbeidswaarde Theo heeft in het voorjaar zijn doktoraalskriptie over eenzaamheid afgerond. Daarin heeft hij geprobeerd een aanzet te geven voor een theorie over eenzaamheidsverwerking. Zijn ideeën daarover heeft hij met name geput uit gesprekken met 26 mensen die voor de tweede keer ondervraagd waren over hun eenzaamheidsbeleving. De vaak

Rapport Algemene Rekenkamer krlüseb

Kosten studentenvoorzieningen verschillen nogal per instelling Er bestaan grote verschillen tussen de bedragen die de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs aan hun studentenvoorzieningen uitgeven. Tot deze konklusie leidt een nog vertrouwelijk rapport van de Algemene Rekenkamer, waarop de instellingen kommentaar mogen leveren. De VU blijkt overigens een aardige middenmoter (zie kader).

vakanties doorbrengt enz. en dan komt langzaam een bepaald patroon naar voren: in de weekenden gaat ze naar haar ouders en het hele jaar bereidt ze zich voor op de vakantie met een reisgezelschap. En dan hoor je pas in de loop van het gesprek dat ze eigenlijk erg eenzaam is. Eenzamen proberen natuurlijk him dagen te vullen, zodat ze het voor henzelf leefbaar houden."

als we tijdens de interviews zelf alles op zouden schrijven." In het algemeen blijkt dat de beste onderzoeksresultaten verkregen worden als de interviewers een aktieve, sociale opstelling by hun werk hebben, dat wil zeggen: een goed kontakt en be langstelling tonen voor de geïnterviewde in plaats van de hou ding van afstandelijke en zakelij ke notuUst. De tussenopmerkin gen die geïnterviewden maken, zijn namelijk voor het eenzaamheidsonderzoek echter vaak be langrijker dan het ja of nee op een bepaalde vraag." Het belang van het onderzoek ligt niet zozeer in het meten van de eenzaamheid van de modale Nederlander, maar om het begrip eenzaamheid „in de vingers teji krijgen". De afgelopen jaren ziJn vragen onderzocht als: welke komponenten van eenzaamheid zijn aanwezig bij gescheiden mensen, welke bij verweduwde mensen, is eenzaamheid gekoppeld aan bepaalde woonwijken, hoe beleven werklozen en WAO-1 ers hun situatie? Etcetera. On-p danks de verschillen in beleven» van eenzaamheid is er steeds een > kembetekenis, namelijk de ervaring van het ontbreken van gewenste sociale kontakten met mensen met wie je vertrouwelijk kunt praten. Het is volgens Jenny van belang om typen van eenzaamheid te onderkeimen Het maakt bijvoorbeeld veel verschil of mensen hun eenzaamheid .als een uitzichtloze of a!s een tijdelijke situatie definiëren. „Een andere faktor is of mensen al dan niet „de anderen" de schuld geven van hun eenzaamheid („ik ben in de steek gelaten"). Deze faktoren kleuren talloze andere aspekten van eenzaamheidsgevoelens en beïnvloeden ook de wijze van verwerking van eenzaamheid." Op de vraag of de onderzoekers tijdens de interviews ook mensen zijn tegengekomen die positieve gevoelens hebben bij hun een- f zaamheid, antwoordt Theo: „We l hebben met mensen gesproken die terugblikkend hun eenzaamheidsperiode positief waarderen als een periode waarin men de ervaring heeft opgedaan dat men op zichzelf kan zijn en waarin men zich sterk kan voelen. Ook iemand die net gescheiden is, kan in een diepe ellende zitten, maar de situatie is voor hem of haar soms beter dan daarvoor Eenzaamheid kan dan een uitdaging zijn, namelijk de mogelijkheid om nieuwe relaties aan te gaan en het leven als het ware opnieuw te starten."

De Rekenkamer heeft becijferd dat de universiteiten en hogescholen gemiddeld 431 gulden per jaar voor iedere student uitgeven. Dat geld gaat naar sport, gezondheids-, culturele en geestelijke voorzieningen en de sociale introduktie. Voor een Twentse student is echter 2.179 gulden beschikbaar en voor een Utrechtse of Leidse student slechts 304 gulden. Voor een VUstudent is 389 gulden uit te geven. Dat Twente zo begrotelijk is, komt door de kampus, al zou de hogeschool deze post wel eens heel kritisch mogen bezien, merkt de Rekenkamer op. Niet

kinderachtig met haar rekeningen is verder de Limburgse universiteit (1427 gulden), wat samenhangt met het feit dat deze instelling nog maar weinig studenten heeft. Ook Eindhoven torent meer dan honderd procent boven het gemiddelde uit. In totaal kosten de studenten-voorzieningen jaarlijks 63 miljoen gulden.

Sport Aan personeel dat zich bezighoudt met de studentenvoorzieningen, geven de instellingen 29 gulden per student uit. Limburg en Twente zitten met 446 respek-

tievelijk 384 gulden evenwel ruim duizend procent boven dat gemiddelde, de TH's in Delft en Eindhoven honderd procent. Wageningen en Rotterdam daarentegen voeren nauwelijks kosten op voor deze taak. De zwaarste kritiek heeft de Rekenkamer op de uitgaven voor lichamelijke vorming en sport. In de eerste plaats heeft maar één instelling zich gehouden aan de aansporing van de voormalige staatesekretaris Klein om de eigen bijdrage van de studenten te verhog:en tot 75 gulden. Tevens subsidieren de instellingen rechtstreeks of indirekt de wedstrijdsport, wat in strijd zou zijn met de bedoelingen van het „universitaire bedrijf'. De Rekenkamer trekt verder in twijfel of de toegang van de student tot een burgersportorganisatie wordt afgesneden (zoals Klein nog wel dacht) door andere tijden waarop hij sport. Het is de Kamer een doom in het oog dat imiversitair personeel aan de sportprogramma's deelneemt. Sportleiders zouden bovendien niet op basis van 27 lesuren, maar met een werkweek van 40

lesuren moeten worden aangesteld.

Gezondheid Ook de universitaire gezondheidszorg moet het bij de Rekenkamer ontgelden. Die zou zich moeten beperken tot preventie, maar bezondigt zich in veel gevallen ook aan kuratieve zorg. Anti-konceptie, sportkeuringen het gebeurt allemaal maar. Groningen en Leiden hebben zelfs eigen sportartsen. Het aantal artsen per student verschilt ook alweer enorm: 1 op 2700 in Twente en 1 op 14.600 in Utrecht. De VU heeft zelÊs helemaal geen eigen student-artsen. Aktiviteiten van het Studium Generale voor zover het onderwijsdoelstellingen betreft, mag van de Rekenkamer, maar er wordt ook aan kuituur gedaan. Of dat nu wel tot de taken van de universiteit behoort, trekt zij in twijfel. Beide aktiviteiten zouden in ieder geval strikt gescheiden moeten zijn.' De Kamer vraagt zich af of de psychologische hulp aan studenten op het huidige niveau ge-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 42

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's