Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 145

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 145

9 minuten leestijd

AD VALVAS — 5 NOVEMBER 1982

Ontwikkelingsonderzoek moet drastisch om

Pronks vijf-fasenplan moet wereld redden \

Sinds de oude koloniale tijd wordt er aan de Nederlandse \iniversiteiten „ontwikkelingsrelevant" onderzoek verricht. Om de overzeese tropische broeders te helpen dan wel uit te buiten. Zoals in de loop van deze eeuw de verschillende ontwikkelingsstrategieën elkaar in snel tempo opvolgden, zo zigzagde de research van de academische vorsers flexibel mee. En nu bevindt de wereldeconomie zich in een crisis. Zo ook het ontwikkelingsonderzoek. Daarbovenop komt nog dat vele onderzoekers, die met het ontwikkelingsonderzoek een aardige boterham verdiend hebben, hun labeur door de huidige reorganisaties in onderzoek en onderwijs bedreigd zien. Dus wordt het eens tijd voor bezinning op het nut van het huidige universitaire onderzoek. In Tilburg deed men donderdag 21 oktober een poging. Zelfs oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, werd erbij gehaald. Hij ontvouwde een vijf-fasenplan om de wereld te redden. Daarin kan de academische wereld een steentje bijdragen. Maar wel op een andere manier dan men gewend is. „Velen van u zullen wellicht met een zekere mate van weemoed terugdenken aan onze vorige huisvesting in het houten noodgebouw in de bossen, dat ons qua sfeer en faciliteiten zo gemakkelijk kon doen denken aan werkomstandigheden in ontwikkelingslanden", zo verwelkomde de heer B. Evers, directeur van het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken (IVO) het gehoor. Het instituut had eeit feestje te vieren. Het had een onderkomen gekregen in het splinternieuwe gebouw S van de Katholieke Hogeschool Tilburg. Nieuwe bureaus, telefoontoestellen en vergaderzalen zijn leuk, maar dan moet er wel werk zijn. Daarom een symposium georganiseerd: „Ontwikkelingsproblematiek in de tachtiger jaren; prioriteiten voor onderzoek". De eerste spreker, de Tilburgse hoogleraar L.J. Jansen, zet gelijk het spook op tafel: de nieuwe financieringsregeling voor onderzoek. Dwaag Is het tot nu toe nog het geval, dat het onderzoeksgeld van de overheid min of meer gelijkelijk over het wetenschappelijke personeel wordt gespreid, zoTioudt Janssen het pubUek voor, in de toekomst zal de financiering in twee delen uiteenvallen. Het betreft een zogenaamd A-deel, waarbinnen een deel volgens de oude regeling aan de vakgroepen wordt toegewezen. Om een ander deel moeten de academici birmen de universiteit zelf maar knokken. Het B-gedeelte is volgens Janssen een typisch voorbeeld van „hoe de overheid de financiering gebruikt om bepaalde organisatievormen af te dwingen". Het gaat hier om de al prenataal berucht geworden voorwaardelijke financiering.

Janssen: „Een groep onderzoekers stelt een gedetailleerd, samenhangend en meerjarig onderzoeksprogramma op, dat zij gebonden zijn uit te voeren. Daartegenover garanderen de universiteit en de minister de financiering^ gedurende die tijd. Als de groep niet aan zijn verplichtingen voldoet, houdt de financiering op en moet er gekort worden op het onderzoeksbudget van de instelling. Eventueel ten koste van ontslagen." In eerste instantie noemde de minister taakstellingen van vijf manjaren gedurende vijf jaar. In de praktijk betekent de eis van vijf manjaren echter werk voor minstens tien mannen of vrouwen, omdat niemand full-time voor onderzoek beschikbaar is. Janssen: „Zou er aan deze eis worden vastgehouden, dan kunnen we taakstellingen op het terrein van ontwikkelingsonderzoek wel vergeten." Maar de minister zal er wel van terugkomen zo denkt hij. „Ik zou er zelfs voor willen pleiten baanbrekend individueel onderzoek te beschermen, zelfs als dat niet zo goed in de taakstelling past." Omdat de precieze voorwaarden voor het toekennen van de taakstellingen en een landelijk zwaartepuntenbeleid voor onderzoek nog niet definitief bekend zijn, heeft de toekomstige regeling al heel wat gelobby veroorzaakt. Zowel binnen de universiteiten- als op „Haags" niveau.

diepgravende. Nee, het moet iets toevoegen aan de bestaande kennis over de ontwikkelingsproblematiek." Pronk: „Het is bijvoorbeeld nietmeer zo nodig onderzoek te doen naar de positie van de vrouw op Sri Lanka, dat wéten we al." Er bestaat volgens hem een dringende behoefte aan investigative journalism; action research: „Zoals een Amsterdamse groep een tijd geleden deed: precies uitzoeken welke maatschappijen de Rhodesiè-boycot ontduiken. Déór hebben we wat aan." Pronk noemt dit beleidsondersteimend onderzoek. Maar dan wel anderssoortig onderzoek

voor een anderssoortig beleid. De wereldeconomie bevindt zich volgens hem in een „diepere en fundamentelere" crisis dan in de jaren dertig: de werkloosheid stijgt met de dag, de geïndustrialiseerde landen werpen steeds hogere barrières op tegen de export van ontwikkelingslanden, de tot gigantische hoogten gestegen schuldenlast van de derde wereld, een bewapeningswedloop tussen Oost en West, waarvan de arme landen slechts de dupe worden, intergouvernementele organis aties die tot niets in staat zijn en multinationale ondernemingen die door alle internationale economische besluiten heen fietsen. Dus moet er een ander beleid komen. Een heel ander internationaal beleid, zo vindt Pronk. De ontwikkelingsstrategieën van de vorige decennia hebben gefaald, zo zegt hij, zowel de linkse als de rechtse.

Noodprogranuna Volgens de deputy-secretary van de UNCTAD voldoet geen van de oude beleidsopties meer. En zeker niet warmeer we praten over de doelen van een progressief ontwikkelingsbeleid: armoede-

Pronk: „Heeft het Nederlandse ontwikkeUngsonderzoek effectieve invloed op de internationale besluitvorming? Bij de Verenigde Naties? Nee. En wel om een uitermate laag-bij-de-grondse reden: omdat het overgrote deel van het onderzoek in het Nederlands gesteld is. Daar kan ik niks mee aan in Geneve." Er moet m.aar eens een tijdschrift komen, waarin in goed Engels, onderzoek van hoog niveau gepubliceerd wordt, zo vindt hij. Bovendien zou dat voor het Nederlandse onderzoek vraagverhogend werken. En we zitten met ons onderzoek helemaal goed, wanneer we in al het onderzoek een ontwikkelingsdemensie inbouwen. De academische wereld moet uit Pronks betoog maar oppikken wat ze wil. Voor hemzelf bleef het „een uitermate persoonlijke ontboezeming van iemand, die slechts een klein deel van de problematiek kan overzien". (UP, Wageningen; Herman Fleer).

Kiitiseb niveau Het lijkt als afgesproken; de volgende spreker is de heer Evers. Hij onderstreept het belang van het door zijn instituut verrichte onderzoek. Als mogelijke kwalijke gevolgen van de nieuwe financieringsstructuur noemt hij het verdwijnen van kleinere onderzoekseenheden, overmatige specialisatie en een vermindering van kritisch niveau. En dat zou toch wel jammer zijn, zo vindt de IVO-directeur, want Nederland heeft ook economische belangen bij de samenwerking met ontwikkelingslanden. Dus ook bij het daarop gerichte. onderzoek. Evers: „Ter vergelijking: men moet zich voorstellen dat we de toegang tot onderzoeksinstituten voor een periode van tien jaar zouden blokkeren voor specialistisch opgeleide ingenieurs in de micro-electronica." Evers' instituut mikt ook op een actieve participatie in de toekomstige tweede fase. Daarin wil het r v o de afgestudeerde eerstefasers de vaardigheden bijbrengen, die zij in hun beroepspraktijk in de ontwikkelingslanden nodig hebben. Er zijn "echter meer en grotere universitaire instellingen, die ook wel zo'n beroepsopleiding willen verzorgen. Daarom moeten er tussen de universiteiten maar eens afspraken over terreinafbakening gemaakt worden, vindt Evers, zodat de kleinere instituten niet uit de boot vallen. ' Het Tilburgse instituut heeft dan ook al een verlanglijstje klaar. Het wil zich straks graag blijven bezighouden met studies over exportindustrieen, grondstoffenhandel, internationaal toerisme, handelsbeleid en vraagstukken in industriële herstructurering, de rol van multinationale ondernemingen en_ meer van dat moois.

Drs. Jan Pronk

Biochemici krijgen lof De Nederlandse biochemici leveren, ook vergeleken met het buitenland, gemiddeld veel werk af en ook nog van goede kwaliteit. Het maatschappelijk nut van hun werk is vooralsnog niet erg erkend, maar de perspectieven zijn veelbelovend: talloze producten en productieprocessen zijn te verbeteren door een gerichter gebruik van micro-organismen in de voedings- en geneesmiddelenindustrie, in de landbouw en zelfs in de energiewinning. De basis voor deze toepassingen wordt geleverd door het meer fundamentele onderzoek aan de universiteiten en hogescholen. Om dat niet in gevaar te brengen, moet ondanks de geldnood bij de overheid inkrimping van het onderzoek zoveel mogelijk worden voorko-

Action research Daar sloot de opvatting van Pronk weer mooi bij aan. De oud-minister is tegenwoordig werkzaam bij de UNCTAD, de VN-prganisatie voor Handel en Ontwikkeling. Hij heeft behoefte aan concreet beleidsondersteunend onderzoek: „Niet van dat

Dit is af te leiden uit het rapport „Over leven", dat de verkenningscommissie Biochemie heeft aangeboden aan minister Deetman. Biochemie is een brugdiscipline, begonnen als koppeling tussen chemie en geneeskunde, maar later doorgekoppeld naar

bestrijding, een eerlijker inkomensverdeling en de bestrijding van machtsongelykheid. Nee, dan liever Pronks vijf-fasen noodprogramma. In de eerste fase moeten we voorrang geven aan crisisbestrijding: een reddingsplan als vangnet ten behoeve van de stabiliteit van de ontwikkeling in de derde wereld. Daarna kunnen we pas gaan denken aan een planmatig beleid op de hoofdterreinen van de financiële en monetaire poUtiek: energie, voedsel en handelspolitiek (Pronk: „Als het niet in één keer kan, dan sector voor sector"). De derde fase besT;aat uit het koppelen van de besluitvorming en discussie over internationale economische politiek met die over de nationale politiek. Ten vierde moet de gedachte terugkomen, dat economische politiek en economische groei sociale en politieke consequenties hebben. En als dat allemaal voor elkaar is, is de wereld rijp voor Pronks vijfde fase: het creëren van nieuwe instituties (Pronk: „Andere institutionele machtsvormen; een monetaire politiek, gebaseerd op overeengekomen uitgangspunten en algemeen aanvaarde machtsmechanismen"). Het universitaire onderzoek kan hierbij een duit in het zakje doen door zich concrete prioriteiten te steUen, die overigens niet ideologisch bepaald dienen te zijn. Pronk noemt zaken als analyses van de oorzaken van armoede in concrete situaties, onderzoek naar de zich feitelijk afspelende internationale economische betrekkingen van multinationals en grote banken. Voorts moeten analyses van het ontwikkelingsbeleid en het doen van evaluatiestudies leiden tot uitgewerkte beleidsopties waar nationale en internationale overheden iets mee kurmen.

alle levenswetenschappen. Ook micro-organismen zijn in het vizier gekomen en juist die tak heeft voor spectaciüaire doorbraken gezorgd. In Nederland heeft de industrie daar weinig belang bij gehad. De publieke opinie zorgde voor een kritische houding ten opzichte van het recombinant- DNA werk, waarbij de erfeUjke eigenschappen van organismen zodanig worden gewijzigd, dat zij op grote schaal stoffen gaan produceren zoals insuline of menselijke groei-hormonen. Richtlijnen voor dit al dan niet gevaarUjke onderzoek waren streng en hoewel zij in het eind van de jaren 70, versoepeld zijn, is de achterstand in het onderzoek nog aanzienlijk. De verkenningscommissie is vol lof over de verrichtingen van de Nederlandse biochemici en maakt zich zorgen over de vlucht naar het buitenland van vakbekwame recombinant-DNA-onderzoekers, die door de huidige beperkingen in Nederland niet aan de slag kunnen. De commissie constateert ook dat de biologische vakgroepen aan de universiteiten te weinig bij de bioche-

mie betrokken zijn. Een biologische inbreng is met de huidige ontwikkelingen noodzakelijk, zo stelt zij, gebeurt dat niet, dan wordt de ontwikkeling van de biochemie danig afgeremd. Het algemene punt van zorg aan de universiteiten, leeftijdsopbouw van de onderzoeksstaf, doet zich ook bij biochemie gelden. Om aankomende veelbelovende onderzoekers ondanks de stagnering in onderzoeksplaatsen een kans te geven, adviseert de commissie hen via speciale beurzen toch aan de universiteit aan te stellen.

Advertenties voor Ad Valvas opgeven bij Bureau Van Vliet Postbus 20, 2040 AA Zandvoort Tel 02507-14745

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's

Ad Valvas 1982 - 1983 - pagina 145

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1982

Ad Valvas | 490 Pagina's