Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 72
AD VALVAS — 30 SEPTEMBER 1983
12 - een voorstel tot reorganisatie van de vestigingen van tandheelkunde in Amsterdam en Utrecht, die uiteindelijk moet leiden tot een vestiging in Utrecht en één in Amsterdam. - voorgesteld wordt de subfaculteiten Greologie van de UvA en de VU samen te voegen en bij de VU onder te brengen. - bij bijna alle andere faculteiten en de centrale diensten zal door afslanking verder worden bezuinigd waarbij zware maatregelen, waaronder het opheffen van vakgroepen, noodzakelijk zullen zijn. De minister heeft inmiddels (juli 1983) zijn Beleidsvoornemens uitgebracht, die in hoofdlijnen aansluiten bij het TVC-rapport. Voor de VU is hierbij met name van belang dat de minister streeft n a a r een intensieve vorm van samenwerking tussen de Subfaculteiten Tandheelkunde van de VU en de Universiteit van Amsterdam; het plan voor deze samenwerking is inmiddels ontwikkeld. Met betrekking tot de medische cluster kan nog worden opgemerkt dat de TVC hierover geen voorstellen deed. De gedachten van de minister gaan in de richting van een nadere accentuering van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de medische faculteit bij de VU (en de Rijksuniversiteit Limburg) op het gebied van de zogeheten extramurale gezondheidszorg. De basisfuncties van een medische faculteit (zoals de opleiding tot arts/specialist) en de daaraan verbonden (klinische) voorzieningen zullen blijven bestaan. Aan een nadere uitwerking wordt gewerkt. Rekening moet worden gehouden met aanzienlijke reorganisatie van de faculteit.
3.2. Personele aspecten bij de taakverdelingsoperatie. Over de personele aspecten bij de taakverdelingsoperatie wordt in eerste instantie overleg gevoerd tussen de Minister van O. W. en de instellingen en tussen de minister en de vakorganisaties, zowel op landelijk als op plaatselijk niveau. In de verschillende in de vorige paragraaf genoemde nota's wordt in dit verband op een aantal onderwerpen nader ingegaan, terwijl hierover - uiteraard - ook afzonderlijke notities verschenen. In willekeurige volgorde wordt hierna een overzicht gegeven van de onderwerpen die tijdens de verschillende gesprekken en in de verschillende nota's aan de orde zijn geweest. Het kader waarbinnen de TVC-operatie zich afspeelt wordt gevormd door de bestaande rechtspositieregelingen. (Regelingen voor overplaatsingen, vergoeding voor verplaatsingskosten en reiskosten, ontslag wegens opheffing van de functie of wegens overtolligheid als gevolg van reorganisatie of van vermindering van de werkzaamheden, VUT en toekenning van wachtgeld of uitkering n a ontslaad Voor een ingrijpend^reorganisatie als de TVC-operatie voor een ieder bevredigend te laten verlopen is het hierboven beschreven - reeds bestaande - kader niet voldoende. Mogelijkheden voor verruiming die door de instellingen en de vakorganisaties zijn bepleit zijn de volgende middelen: - Ruime interpretatie van de bepaling dat bij ontslag wegens overtolligheid vrijwilligers vóór gaan. Deze bepaling b.v. ook van toepassing laten zijn voor medewerk(st)ers die zelf niet overtollig zijn, maar wier plaats door interne overplaatsing kan worden herbezet. - Nadere afspraken over de interpretatie van het begrip passende arbeid voor degenen die met gedwongen ontslag zijn gegaan of daarmee worden bedreigd. - Collectieve tijdelijke werktijdverkorting. - Deeltijdontslag met deeltijds wachtgeld, al dan niet gedwongen. - Regelingen ten aanzien van herplaatsing in een andere functie in de eigen of een van de andere instellingen. - Werken met behoud van wachtgeld of uitkering na ontslag als gevolg van de TVC-operatie. - Vrijwillig ontslag bij 40 of meer dienstjaren met direct ingaand pensioen. - Een aparte VUT-regeling voor het wetenschappelijk onderwijs, met een leeftijdsgrens van 55-60 jaar. - Wijziging van de wachtgeldregeling zo, dat bij vrijwillig overstappen n a a r een deeltijdbetrekking wachtgeld op basis van de volle betrekking wordt verkregen indien binnen een jaar gedwongen ontslag (uit de deelbetrekking) volgt. Zoals hierboven al werd opgemerkt gaat het om gewenste mogelijkheden voor verruiming van het sociaal beleidskader. Geactualiseerd n a a r de situatie per 1 augustus 1983 kan vermeld worden de brief van 19 juli 1983 waarin de minister laat weten dat het Kabinet een aantal beslissingen in dezen genomen heeft. Deze beslissingen betreffen: - een wachtgeldgarantie: het Kabinet is bereid aan degenen die dat wensen en die 55 jaar of ouder zijn op het moment dat tot ontslag wordt besloten (in het kader van de TVC-operatie) een wachtgeld te garanderen overeenkomstig de huidige regeling. Gredurende het eerste-jaar zal
het wachtgeld dan echter niet meer dan 80% van het laatst verdiende salaris bedragen. (De huidige regeling biedt in het eerste jaar gedeeltelijk 100 en gedeeltelijk 90%). - handhaving van medewerk(st)ers die door opheffen van de functie als gevolg van de TVC-formatie boven de formatie komen gedurende een overbruggingsperiode: wanneer voor een medewerk(st)er is vastgesteld dat hij/zij binnen V-ti jaar een functie kan gaan vervullen die bij de eigen of een andere instelling vacant komt, kan deze medewerk(st)er in dienst blijven bij de eigen- of reeds in dienst worden genomen bij de andere instelling. De salariskosten komen voor 80% ten laste van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Of betrokkene voltijds aangesteld kan blijven hangt af van de mogelijkheid van de instelling de resterende 20% te financieren. - deelontslag met deeltijdwachtgeld: het Kabinet zal deeltijdontslag en deeltijdwachtgeld, in het kader van de TVC-operatie, toestaan onder de volgende voorwaarden: - het deeltijdontslag moet zijn verleend voor tenminste 20% van de volle werktijd; - het wachtgeld bedraagt vanaf de datum van ingang 70% van het salaris voor de niet gewerkte deeltijd; - bij een algemene arbeidstijdverkorting van 40 naar bijv. 36 u u r wordt de 70% wachtgeld niet meer over 8 uur, maar over 4 u u r toegekend. Bovenvermelde voornemens van de minister komen in redelijke mate tegemoet aan wensen van de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs ten aanzien van aanvullende sociale beleidsmaatregelen naast de bestaande rechtspositieregelingen. De verwachte positieve gevolgen van deze aanvullende maatregelen worden echter in ernstige mate bedreigd door berichten over mogelijke wijzigingen in de wachtgeldregeling. Er zal n a a r moeten worden gestreefd over de inhoud van deze regeling volstrekte duidelijkheid te krijgen aangezien deze de basis vormt voor het te voeren sociale beleid. Het belang van deze en andere bestaande rechtspositieregelingen voor de uitvoering van de TVC-operatie is ook door de minister onderkend. In eerdere stukken heeft hij aangegeven dat wanneer in deze regelingen op belangrijke punten in ongunstige zin wijzigingen worden aangebracht als gevolg van algemeen overheidsbeleid nader overleg over het sociaal beleidskader zal plaatsvinden. In de loop van oktober 1983 zal over de sociale aspecten van de TVC-operatie ten behoeve van de VU-medewerk(st)ers een brochure verschijnen.
4. Organisatie 4.1. Faculteiten Een groot aantal faculteiten heeft het laatste jaar de stap gedaan n a a r de toepassing van de zgn. taakaanpassingsprocedure. In dit verband worden plannen gemaakt voor de re/organisatie van de (sub)faculteit in het licht van de verwachte formatietoewijzing in de periode 1984-1987. In enkele faculteiten is een eerste schets van de herverdeling van taken gereed. Bespreking in de raad heeft plaatsgevonden of zal nog gebeuren. Het landelijke overleg in het kader van de TVC-operatie zal moeten zijn afgerond alvorens een concreet definitief plan voor de meeste eenheden kan worden afgesproken.
4.2. Bezuinigingen Diensten en Bibliotheek Voor de advisering van het College van Bestuur inzake de inlevermogelijkheden bij de Centrale Diensten en de Bibliotheek bestaat al een aantal jaren de commissie Meerjarenplannen Centrale Diensten. Het accent van de werkzaamheden van de commissie lag in 1982 op het bestuderen van de mogelijkheden bij de Centrale Diensten in de periode 1983-1987 in totaal 80 formatieplaatsen in te leveren. Een en ander in overleg met de betrokken diensthoofden, volgens de procedure die werd opgesteld voor het informeren van en overleg met de medewerk(st)ers. In 1983 moeten 15 en in 1984 16,6 plaatsen worden ingeleverd. Op de meeste plaatsen kan deze inlevering nog geschieden door natuurlijk verloop en door vacatures te laten vervallen/slechts gedeeltelijk opnieuw te bezetten. Voor de ca. 50 formatieplaatsen, die in de periode 1985-1987 zullen moeten worden ingeleverd, zijn inmiddels concrete voorstellen door de commissie gedaan. Deze voorstellen zijn tot stand gekomen na gesprekken met de Hoofden van Dienst en de Bibliotheekdirectie. Het overleg hierover is nog niet afgerond. Er moet rekening mee worden gehouden dat op een aantal plaatsen tot opheffing van de functies moet worden besloten, zodat^als herplaatsing niet mogelijk blijkt met gedwongen ontslagen rekening moet worden gehouden. Vanzelfsprekend kunnen formatiereduc-
ties als die waarvan n u sprake is, niet worden gerealiseerd zonder dat een aantal taken wordt verminderd of gestaakt. Er wordt n a a r gestreefd de kerntaken zoveel mogelijk te kunnen blijven vervullen door ondermeer efficiencyverbetering en/of automatisering. Het CvB heeft met de UR de afspraak gemaakt te bezien of een modelmatige verdeling van formatieplaatsen tussen Faculteiten en Diensten plaats kan vinden. Er wordt landelijk gewerkt aan een model, waaraan deze plannen uiteindelijk gerelateerd kunnen worden.
4.3. Reorganisaties diensten Zoals aangegeven in j)aragraaf 4.2 geschiedt het~t)verleg bij de diensten en de bibliotheek over de formatiereductie, sedert 1 januari 1983 volgens een nieuwe voorgestelde reorganisatieprocedure. Op enkele plaatsen was al eerder reorganisatie-overleg gestart door een door het College van Bestuur ingestelde onderzoekcommissie. Het betreft de Bibliotheek, het bureau van het College van Bestuur, rector magnificus en UR-secretariaat, continuedienst van portiers bij het Gebouw Wiskunde en Natuurwetenschappen, de continuedienst voor technici van de wacht. Bü de bibliotheek betrof het een onderzoek n a a r de mogelijkheid van het overbrengen van een deel van de werkzaamheden van de centrale bibliotheektechnische dienst n a a r de deelbibliotheken/met name de alfa-bibliotheek. In de loop van 1982 heeft het College dit onderzoek opgeschort in afwachting van de uitkomsten van de zg. definitie studie over de automatisering van de bibliotheekwerkzaamheden en de benoeming van een nieuw directielid. Voor de bureaus van het College van Bestuur, secretariaat bureau Planning en Juridische Zaken, het bureau van de rector magnificus en het UR-secretariaat is onderzocht of door een meer geïntegreerde organisatie niet een versterking van de ondersteuning zou kunnen worden gerealiseerd en bezuiniging op de formatie. Naast zakelijke organisatorische argumenten vormde ook het eigen karakter van enkele eenheden met name secretariaat UR en bureau rector een belangrijk aspect in de beoordeling. Het organisatie-overleg is gestaakt mede op aandringen van de UR die een zelfstandig eigen secretariaat van veel belang acht. Een onderzoek is verricht naar de noodzaak en de omvang van de continudiensten bij het Radionuclidencentrum, het gebouw Wis- en Natuurkunde, het Hoofdgebouw en het Energiecentrum. Onderscheiden werden a. de technische continudiensten in deze gebouwen en b. de continudienst van de portiers in het gebouw W. N. a. Technische continudiensten. De Onderzoekcommissie moest nagaan in hoeverre het met behoud van een aanvaardbaar veiligheidsniveau en de aan het AZVU te verlenen diensten mogelijk is het aantal mensen dat in de technische continudiensten werkzaam is terug te brengen. In het voorjaar van 1983 werd het eindverslag van de Onderzoekcommissie aan de Contactcommissie en het College van Bestuur gezonden. De commissie concludeert in dit verslag dat op termijn, door het treffen van een aantal maatregelen, bezuinigd kan worden op de personeelsformatie van de technische continudiensten. De belangrijkste maatregel die dan genomen zou moeten worden is het invoeren van vérgaande gebouwautomatisering. (Bijvoorbeeld het electronisch melden van storingen o.a. in het luchtbehandelingssysteem, het electronisch regelen van de temperatuur in de verschillende (delen van de) gebouwen e.d.) Of gebouwautomatisering plaats zal vinden en in welke mate is nog niet bekend. Met deze automatisering gaan namelijk hoge kosten gepaard en een nadere afweging tussen deze kosten en de mogelijke besparing op de personeelskosten moet nog worden gemaakt. In 1983 zal deze afweging n a a r verwachting gemaakt kunnen worden. b. Portiersdiensten. De onderzoekcommissie had de opdracht gekregen na te gaan in hoeverre het met behoud van een aanvaardbaar veiligheidsniveau mogelijk is de continudienst van portiers in het gebouw W. en N. om te zetten in een semicontinudienst en het aantal bezette portiersloges terug te brengen tot twee. Eind 1982 kwam het rapport van de commissie over de portiersdiensten gereed. In dit rapport kwam de commissie tot de slotsom dat de continudienst inderdaad omgezet zou kunnen worden in een semicontinudienst en dat het aantal bezette loges kan worden teruggebracht tot twee. De voorgestelde reorganisatie zal vier formatieplaatsen kunnen opleveren.
Hoewel de Contactcommissie in eerste instantie bezwaren had tegen de door de Onderzoekcommissie gedane voorstellen heeft deze zich na overleg er wel mee kunnen verenigen. De voorstellen zijn vervolgens definitief overgenomen door het College van Bestuur. Dit betekent dat de reorganisatie is begonnen. Naar verwachting zal in 1983 een en ander kunnen worden afgerond. Er zullen geen gedwongen ontslagen noodzakelijk zijn, aangezien drie portiersplaatsen vacant waren, die niet zullen worden vervuld. De vierde formatieplaats is vrijgekomen doordat met de desbetreffende portier in onderling overleg beëindiging van het dienstverband is overeengekomen.
5. (Financiële) Arbeidsvoorwaarden/rechtspositie 5.1. Rangenstelsel wetenschappelijk personeel Zoals in het Sociaal Jaarverslag 1981 werd vermeld is in 1981 in de Kernnota BUWP een aantal voornemens opgenomen van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen die de herstructurering van het wetenschappelijk corps betroffen. Met name hadden deze voornemens ook een verlaging van de gemiddelde personeelslast ten doel. Per 1 juli 1982 werden vooruitlopend op de verdere uitvoering van die voorstellen de salarissen van de wetenschappelijk hoofdmedewerkers, die zijn ingeschaald in schaal 149A - 6 of hoger bevroren. Voor degenen die onder dit niveau waren ingeschaald geldt dat zij niet verder kunnen doorlopen dan tot dit niveau. Deze maatregel zal gelden tot in ieder geval 31 december 1983. Per 1 januari 1984 zal de toegang tot het wetenschappelijk rangen-' stelsel worden gesloten. Er zullen dan overgangsmaatregelen van kracht zijn die beogen het wetenschappelijk personeel in de eerste helft van 1984 in de nieuwe functies (Hoogleraar, Universitair Hoofdcjocent of Universitair Docent) te plaatsen. De belangrijkste beleidsvoornemens van de minister van Onderwijs en Wetenschappen ten aanzien van de nieuwe formatie- en functiestructuur van het wetenschappelijk personeel worden hieronder aangegeven. • Onderscheid wordt gemaakt tussen wetenschappelijk personeel dat in facultair verband is belast met vervulling van de universitaire kerntaken en wetenschappelijk personeel dat ten opzichte van die kerntaken direct ondersteunende taken vervult. • De eerste categorie kan vervolgens worden onderscheiden in degenen die voor zelfstandige vervulling van universitaire kerntaken gekwalificeerd zijn (de wetenschappelijke staf) en degenen die daartoe nog niet zijn gekwalificeerd, maar deze taken juist verrichten in het kader van en ter verdere wetenschappelijke opleiding en vorming (de wetenschappelijke assistenten). • De wetenschappelijk assistenten worden onderscheiden in assistent-onderzoekers en andere wetenschappelijke assistenten, waarbij de laatsten meer onderwijs geven dan de eersten (respectievelijk tenminste' 50 en ten hoogste 25%). • Binnen de wetenschappelijke staf worden tenminste drie functiecategorieën onderscheiden: 1. universitaire docenten (UD) 2. universitaire hoofddocenten (HUD) 3. hoogleraren (HL). • Landelijke en in beginsel per instelling wordt - ook ten aanzien van de bekostiging - gestreefd n a a r een gemiddelde verhouding in omvang tussen de functiecategorieën van HL : UHD : UD : overig wp (wetenschappelijk assistenten) van 1:1,5 : 2,5 : 2 + ?. (De factor 2 kan geleidelijk hoger komen te liggen naarmate de invoering van de nieuwe structuur vordert, doordat de gemiddelde personeelslast dan daalt en meer jonge academici kunnen worden aangetrokken.) • Het reeds in dienst zijnde facultaire wetenschappelijk personeel wordt in de nieuwe structuur ingepast. De besprekingen over de hier genoemde beleidsvoornemens worden in 1983 voortgezet. Met name de mate en het tempo waarin het aantal hoogleraren moet worden teruggebracht en het aantal UHD-plaatsen zijn punten van overleg. (Doordat financiering plaatsvindt op basis van een fictief gemiddeld salaris, is het aantal, bezette, hogere functies bepalend voor het aantal (jonge) onderzoekers dat kan worden vastgesteld; met andere woorden hoe meer hogere functies er zijn, tegen een salaris dat hoger ligt dan het fictieve gemiddelde salaris, hoe minder middelen er beschikbaar zijn voor (jonge) onderzoekers en vice versa). Een ander belangrijk p u n t van bespreking is het aantal wetenschappelijk hoofdmedewerkers dat UHD kan worden, de criteria die daarbij zullen worden gehanteerd en de salariëring van deze categorie personeelsleden n a 1 januari 1984.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983
Ad Valvas | 510 Pagina's