Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 71

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 71

7 minuten leestijd

11

AD VALVAS — 30 SEPTEMBER 1983

2.7. Werving en selectie

2.4. Ontwikkeling getalsverhouding mannen/vrouwen

Het aantal advertenties dat in 1982 werd geplaatst bedroeg 210 (in 1981: 231, in 1980: 302). De daling van het aantal advertenties

Uit onderstaand overzicht wordt duidelijk dat zich in 1982 geen opzienbarende verschuivingen voordeden. Bij het wetenschappelijk personeel n a m het percentage

vrouwen in 1982 iets (verder) toe; by het TAS-personeel n a m het percentage iets (verder) af; in totaal steeg het percentage vrouwen van 27.6 n a a r 27.9.

Ontwikkeling % mannen/vrouwen (exclusief student-assistenten) WP

TAS

TOTAAL

WP

TAS

TOTAAL

1977 1981 1982

87.1 85.4 84.8

56.4 57.3 57.4

72.2 72.4 72.1

12.9 14.6 15.2

43.6 42.7 42.6

27.8 27.6 27.9

MANNEN

VROUWEN

den van het wetenschappelijk personeel betaalde uren het voor 87% mannen betreft en voor 13 % vrouwen, en bij het TASpersoneel voor 62% mannen en voor 38% vrouwen. Een vergelijking van deze cijfers met die over voorgaande jaren leert dat geen verschuiving in deze verhouding is opgetreden.

Doordat vrouwen een lagere gemiddelde werktijdsfactor hebben dan mannen (vrouwen werken vaker deeltijds) is de verhouding mannenZ-vrouwen voor wat betreft het aantal uren dat zü werken een andere: nl. bij het WP: 87 :13 en bij de TAS: 62 : 38. Dit wil zeggen dat van de in totaal aan le-

2.5 Gemiddelde duur dienstverband

Een overzicht van de ontwikkeling van de (gemiddelde) duur van het dienstverband vindt u hieronder: • DUUR D I E N S T V E R B A N D 1977 - 1982 ( E X C L . STUDENT -ASSISTENTEN) 0/ /o

D1982

40

D1977

Sollicitanten 1982 (de cijfers tussen haakjes zijn die over 1981) Totaal Mannen Vrouwen 890 (1.102) 432 (331) W P aantal: 1.322 W P percentage: 67 (77) 33 (23) TAS aantal: 1.326 (1.222) 771 (905) 2.097 TAS percentage: 63 (57) 37 (43) Totaal aantal: Totaal percentage:

Jaar Categorie

zette zich - en dat zal geen verwondering wekken - voort.

(2.324) (65)

2.216 65

Het gemiddelde aantal sollicitanten per benoeming steeg van 6 in 1981 n a a r 9 in 1982. In de verhouding mannen/vrouwen bij de sollicitanten deed zich bij het wetenschappelijk personeel een verschuiving voor: in 1981 was 23% van de sollicitanten n a a r een

1.203 35

(1.236) (35)

(2.127) (3.560)

wetenschappelijk functie vrouw, in 1982 ws dit 33%. In het totale percentage vrouwen dat solliciteerde trad geen wijziging op als gevolg van de daling van het aantal vrouwen dat n a a r een TAS-functie solliciteerde.

Benoemingen 1982 (de cijfers tussen haakjes Mannen 184 W P aantal: W P percentage: 77 TAS aantal: 70 TAS percentage: 52

(242) (80) (140) (45)

56 23 64 48

(62) (20) (135) (55)

Totaal aantal: Totaal percentage:

(382) (66)

120 32

(197) (34)

254 68

3.419

(1.433)

zijn die over 1981) Vrouwen

Totaal 240

(304)

134

(275)

374

(579)

benoemingen wetenschappelijk personeel, in 1982 was dit 64%. Voor een deel is deze verschuiving te verklaren uit de verhouding wetenschappelijk personeel/TAS-personeel bij het verloop: in 1981 betrof 50% van het verloop wetenschappelijke functies, in 1982 was dat 54%. Voor het overige moet deze verschuiving worden verklaard uit een toename van het aantal kortlopende contracten voor wetenschappelijk personeel in de vorm van herDe verhouding benoemingen wetenschap- benoeming of verlenging, wanneer in de pelijk personeel/TAS-personeel wijkt wel loop van het jaar blijkt dat daarvoor nog af van die in 1981: in 1981 betrof 52% van de formatieruimte beschikbaar is.

Dit overzicht geeft aan dat zich in 1982 ten opzichte van 1981 niet veel belangrijke verschuivingen in de verhoudingen voordeden. Opvallend is wel het sterk teruglopende aantal benoemingen. Dit zal echter geen verbazing wekken, wanneer men de verloopcijfers beziet, die eveneens dalen (zie 2.8) en wanneer bedacht wordt dat in 1982 ongeveer 65 volledige arbeidsplaatsen verloren gingen.

2.8 Verloop Verloop in aantallen in 1982 (exclusief student-assistenten en arts-assistenten)

30

20-

10-

0-1 jaar

1-2jaar

1 H^

_E^ 2-4jaar 4-10jaar 10-15jaar 15-20jaar 20-25jaar 25-30jaar 30-35jaar

De grafiek laat een paar dingen zien: • Er zijn in 1982 in vergelijking met 1977 minder mensen korter dan 10 jaar in dienst. Bij de groepen met een dienstverband van 0-4 jaar is dat te verklaren uit het feit dat na 1979 naar verhouding minder mensen werden aangesteld (voor langer dan een jaar) dan daarvoor. Dat de groep medewerk(st)ers die 4 tot 10 jaar in dienst is kleiner is geworden ten opzichte van 1977 laat zich verklaren doordat een deel van deze groep is doorgestroomd naar de volgende. • De grafiek Illustreert dus niet alleen de spreiding over de verschillende groepen, maar laat ook de optredende „vergrijzing" zien.

2.6 Leeftijdsopbouw

Hieronder vindt u een grafisch overzicht van de leeftijdsopbouw van het totale VU-

_m^ 35jaar en langer (duur dv.)

Dat er sprake is van „vergrijzing" blijkt ook uit de gewogen gemiddelde duur van het dienstverband: in 1977 was deze ongeveer 6 j a a r en 5 maanden; in 1982 is deze ongeveer 7 jaar en 9 maanden, met andere woorden: in 5 jaar tijd is de gemiddelde duur van het dienstverband 1 jaar en 4 maanden langer geworden. Het woord „vergrijzing" is tussen aanhalingstekens gezet, omdat deze cijfers niet persé op vergrijzing hoeven te wijzen. Van vergrijzing kan pas worden gesproken als ook de leeftijdsopbouw een verschuiving te zien geeft. Of dat het geval is k u n t u n de volgende paragraaf lezen.

personeel exclusief student-assistenten, in percentages.

LEEFTIJDSOPBOUW 1 977 - 1 982 ( E X C L . STUDENT - A S S I S T E N T E N ) D1982 D1977

0/ /o 30 20

<20

41 20-25

25-30

30-35

35-40

40-45

Er is in dit overzicht een verschil te zien tussen de relatieve groepsgrootte in 1977 en in 1982. In 1977 waren er relatief meer mensen in dienst die jonger waren dan 35 jaar dan in 1982. (In percentages: in 1977 was 52% van de medewerk(st)ers jonger dan 35 jaar, in 1982 was dit 42%.) De gemiddelde leeftijd van alle Vü-perso-

45-50

HM

50-55

55-60

-ITI 60-65

65 enz.> LEEFTIJD

neelsleden exclusief studentassistenten was in 1977; 37 jaar. In 1982 was de gemiddelde leeftijd 38 jaar en 7 maanden. Nadere analyse leert dat de hier te constateren „vergrijzing" zich tot n u toe het meest doorzet bij de TAS: in 1977 was 59% van de TAS-medewerk(st)ers jonger dan 35 jaar, in 1982 was dit nog 45%, voor het WP waren deze cijfers respectievelijk 50 en 40 procent.

Categorie Reden beëindiging Op verzoek Afloop contract Overlijden Ouderdomspensioen VUT Invaliditeitspensioen Andere redenen Totaal M/V Totaal TAS/WP

TAS M

M

25 12

45 11

4 6 10 10

1 1 5 6

47 72 2 3 2 1 3

69

130

-

-

67 136

WP

V 6 24

-

1

Totaal 1982

Totaal 1981

123 119 2 8 9 16 20

178 129 9 23

297

370

20 11

31 161

De „andere redenen" kunnen nader worden gespecificeerd als volgt: - onbekwaamheid/ongeschiktheid: 5 - verstoorde verhoudingen: 3 - reorganisatie/opheffing functie: 1 - onbekende/overige motieven: 11 Zoals uit bovenstaand overzicht blijkt loopt het absolute aantal mensen dat met ontslag gaat nog steeds terug. Dit zegt echter niet veel over het relatieve aantal, het verlooppercentage, doordat het aantal arbeidsplaatsen bij de VU eveneens afneemt. Het verlooppercentage (het aantal vrijkomende formatieplaatsen gedeeld door het

aantal gemiddeld bezette formatieplaatsen X 100%) voor 1982 was 9,6%, in 1981: 9,8% van het aantal bezette arbeidsplaatsen. Uit deze percentages blijkt dat het verloop in formatie minder snel daalt dan de absolute aantallen mensen doen vermoeden. In 1981 vertrok men in iets meer dan 48% van de ontslaggevallen op eigen verzoek, in 1982 was hiervan nog maar in 41 % van de gevallen sprake. Met andere woorden het aandeel in het verloop van aflopende tijdelijke contracten stijgt en als deze ontwikkeling onverminderd doorzet zal het percentage vaste medewerk(st)ers stijgen.

3.1. Taakverdeling en concentratie

lingen een globaal plan maakt waarin staat welke voorzieningen, zoals studierichtingen, bij welke instellingen moeten worden opgeheven. De criteria betreffen: a. het opsporen ' van gebieden waarop taakverdeling nodig kan zijn (bijv. zijn er veel kleine studierichtingen, zijn er veel vacatures, is er een grote versnippering, is er overbezetting) b. het binnen een gebied als hierboven bedoeld vinden van de vestigirig(en) waar (delen van) studierichtingen kunnen worden opgeheven (bijv. hoe is het marktaandeel, hoe is de kwaliteit, hoe is de doelmatigheid). - het verlangde bedrag aan bezuinigingen opleveren - ruimte laten voor nieuwe ontwikkelingen - de uitbouwmogelijkheden van kleine instellingen open houden - kwaliteit behouden - tussen regio en Randstad differentiëren - aantal gedwongen ontslagen beperken - nieuwe numeri fixi vermijden. De TVC heeft een plan opgesteld dat voldoet aan deze min of meer tegenstrijdige eisen. Van de punten die de VU betroffen in het taakverdelingsplan worden er hier enkele genoemd: - opheffing studierichting Sociale Geografie en samenvoeging met en onderbrenging bij de Subfaculteit bij de UvA. - opheffing van de studierichtingen Andragogische Wetenschappen en Westerse Sociologie, met behoud van basisvoorzieningen voor de sociologie.

I n september 1982 bracht de Minister van Onderwijs en Wetenschappen een nota uit getiteld „Taakverdeling en Concentratie in het Wetenschappelijk Onderwijs". I n deze nota worden gedachten en plannen van de minister over de mogelijkheden tot bezuinigingen binnen het wetenschappelijk onderwijs uiteengezet. De nota houdt zeer beknopt samengevat - het volgende in. Vanaf 1977 is er op de personele middelen voor het wetenschappelijk onderwijs bezuinigd. Deze teruggang zal zich voortzetten tot in ieder geval 1987. Tot 1982 werd door de instellingen vrijwel n a a r evenredigheid ingeleverd. Kwaliteit en flexibiliteit van onderwijs en onderzoek zouden in gevaar kunnen komen als de inlevering op deze wijze zou blijven gebeuren. Daarom werd in overleg met de instellingen door de minister geconcludeerd dat structurele maatregelen genomen moesten worden. Onderscheiden worden daarbij: - maatregelen gericht op de loonstructuur van het wetenschappelijk onderwijs (zie hiervoor verder hoofdstuk) en - maatregelen die de taakomvang van de instellingen betreffen. Het gaat daarbij om taakaanpassing, taakverdeling en concentratie, samengevat onder de term: taakverdeling. De minister geeft in de nota een aantal criteria aan de hand waarvan de in te stellen taakverdelingscommissie van de instel-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983

Ad Valvas | 510 Pagina's

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 71

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983

Ad Valvas | 510 Pagina's