Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 335
AD VALVAS — 16 MAART 1984
5
Oudminister Trip (wetenschapsbeleid) bekritiseert 'Haagse offensief'
'Onderzoekers moeten zelf bepalen welke thema's ze willen kiezen' In het facultair Studium Generale over de vermaat schappelijking van natuurwetenschappelijk onderzoek, georganiseerd door de vakgroep Algemene Vorming van de VU hield op 2 maart dr. P. J. J. Trip een lezing over het wetenschapsbeleid van de afgelopen tien jaar. Hij was de eerste minister, in het kabinet Den Uyl ('73'77), die uitsluitend belast was met het wetenschapsbeleid. Al leen in het er op volgende kabinet Van Agt 1 was er nog een afzonderlijke minister voor dit terrein. Daarna werd het wetenschapsbeleid ondergebracht bij de minister voor Onderwijs en Wetenschappen. Trip kan gezien worden als grondlegger van het Nederlandse weten schapsbeleid en hij volgt, blijkens zijn lezing, de ontwik kelingen op dit gebied nog kritisch. Gezien de enorme veranderingen in de universitaire wereld in de afgelopen tien jaar, vooral door het beleid van regering^ en parle ment, lijkt het een goed moment voor een gesprek met Trip over de machinerie die hij in beweging heeft gezet. Wat is er concreet siehtbaar ge worden van 10 jaar wetenschaps beleid? Trip: „Het heeft vrij lang ge duurd voordat men het als een vanzelfsprekendheid aanvaardde dat er een wetenschapsbeleid wordt gevoerd, in de afgelopen tien jaar is dat in ieder geval be reikt. Het is duidelijk geworden dat er een samenhang is tussen de verschillende vormen van on derzoek, binnen de universitei ten, in TNOachtige instituten en in het bedrijfsleven. Het idee datje het beleid alleen maar moet overlaten aan de heren weten schappers is ook een beetje ver dwenen. En vanuit wetenschaps beleid is de wetenschapsjouma listiek en voorlichting sterk op gekomen." Het model dat in Nederland, n a een lange informatieronde door Trip, voor het wetenschapsbeleid is gekozen is de zogenaamde „ge zamenlijke actiemodel". Hierin houdt iedere minister de verant woordelijkheid voor het onder zoek op zijn terrein, m a a r stimu
Maarten de Hoog leert en coördineert de bewinds m a n of vrouw voor het weten schapsbeleid het onderzoek. Dit in tegenstelling tot landen met een centralistisch beleid, zoals Japan, WestDuitsland en Frankrijk waar één groot minis terie voor al het onderzoek zorg draagt. In de Verenigde Staten daarentegen beslist ieder minis terie zelf wat er aan onderzoek moet plaatsvinden. Het gezamenlijke actiemodel is een compromis tussen centraal en decentraal wetenschapsbeleid. Trip heeft het eens verdedigd met de uitspraak dat hij liever 3 mil jard goed coördineert dan dat hij 300 miljoen mag uitgeven. Overi gens is dit model nog wel eens verkeerd begrepen. Men denkt dan te veel aan coördinatie en te weinig aan stimulering van on derzoek. De minister voor weten schapsbeleid is er ook om nieuwe dingen op te zetten waar anderen
zaken laten liggen. Wel moet dan op een gegeven moment een an der ministerie het onderzoek overnemen. Trip heeft dan ook geen moeite met de overgang van een gedeelte van het Directoraat Generaal n a a r het ministerie van Economische Zaken bij de jongste kabinetsformatie: „Dit paste in het 'gezamenlijke actiemodel'. Wetenschapsbeleid deed zelf te veel op het gebied van technolo gieonderzoek, dat hoort bij Eco nomische Zaken. Maar dat bete kent niet datje daarover geen be leid meer voert, in de zin van co ördinatie van het geheel." Opmerkelijk in de lezing van Trip was het pleidooi voor de vrijheid van onderzoek. Hij betoogde dat ieder onderzoeksinstituut, ook buiten de universiteit, een be paald percentage van het onder zoek zelf moet kunnen invullen. Bij een TNOinstituut kan dat 5 ä 10 procent zijn, bij theologie 90 procent en bij de natuurweten schappelijke faculteiten zo'n 50 procent. Met vrij onderzoek be doelt Trip dat op het niveau van de vakgroepen de wetenschap pers zelf bepalen welke onderzoe ksthema's er gekozen worden. In de regeringsverklaring van het kabinetDen Uyl, waar hij deel van uitmaakte, stond nog voorop dat de wetenschapsbeoefening zich meer moest richten op de be hoeften van de maatschappij. In hoeverre is hij nu een andere mening toegedaan? Trip: „Tien jaar geleden was het zo dat de universiteiten zich te weinig aantrokken van h u n om geving, n u dreigt de slinger de andere kant op te gaan. De over heid probeert steeds meer het on derzoek te beïnvloeden onder het motto van de bewaking van de kwaliteit." „Maatschappelijke relevantie wordt misbruikt door andere groepen dan die er destijds voor gestreden hebben. De universitei ten zijn er in doodsnood ook op uit om almaar te zeggen hoe relevant
Beelden in Exposorium Tien, merendeels jonge Ne derlandse beeldhouwers exposeren tot 6 april a.s. in het Exposorium van de VU (restaurant Hoofdge bouw). Deze tentoonstel ling geeft een indruk van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de beeld houwkunst van de afgelo pen paar jaar. De strenge en formele kunst van de jaren '70 deed voornamelijk een beroep op de verstandelijke vermogens van de toeschouwers. De werken speelden algemeen niet in op betekenissen die buiten het kunstvoorwerp zelf lagen. De vormen ervan waren bijvoorbeeld heel vaak ontleend aan de geome trie of vloeiden voort uit het han teren van strikt systematische uitgangspunten. Titels met een verwijzende betekenis werden over het algemeen niet gebruikt. Het kunstwerk ontleende zijn be tekenis uitsluitend aan zichzelf en werd daarmee stil en in zich zelf gekeerd. Het antwoord op de vraag naar het.'waarom' van het
werk werd aan de kijker overgela ten. De reacties op deze uitgangs punten zijn een aantal jaren gele den bijna explosief duidelijk ge worden, met name in de schilder kunst, die na een lange periode van veronachtzaming plotseling weer in de belangstelling kwam te staan. De kunstenaars begonnen weer terug te keren n a a r traditio nele middelen en technieken en de hang n a a r een uitgesprokener betekenis werd duidelijk in het gebruik van figuratie en een ex pressieve (z.g. 'wilde') manier van werken. Binnen de beeldhouwkunst zijn dergeUjke verschijnselen even eens waarneembaar, en deze ten toonstelling, gewijd aan het werk van tien kunstenaars, biedt daar van een reeks voorbeelden, die overigens nog tamelijk ingehou den zijn. De meeste werken lijken een nau we verwantschap te hebben met de rationele vorm en materiaal experimenten van de jaren '70. Die verwantschappen zijn er ook, m a a r er zijn toch ook opmerkelij ke verschillen met de eerdere be naderingen te signaleren, juist op het p u n t van de door de kunste n a a r nagestreefde betekenisin houd. De meeste kunstenaars in deze tentoonstelling hanteren
'WS •*4
"<«,
men wel bezig is. Te grote gebon denheid van het onderzoek, voor al via de derde geldstroom, heeft ook nadelen. De kritische functie wordt uitgehold en samenhangen krijgen minder aandacht." Ieder instituut moet dus een ga rantie krijgen dat ze een bepaalde hoeveelheid onderzoek zelf mo gen invullen. Dit betekent echter niet dat er dan geen beoordeling meer hoeft plaats te vinden. Volgens Trip wordt er in Neder land te veel vooraf gekeken of iets goed is, je krijgt subsidie op een plan, maar het is belangrijker om achteraf te beoordelen, wat de re sultaten van een onderzoek zijn geweest. Als een groep bij voor beeld weinig presteert in zijn „vrije ruimte" kan het percenta ge hiervoor wel wat n a a r bene den. Dit zou ook de beste manier zijn om de kritische functie van de wetenschap te waarborgen. Onderzoekers moeten h u n vrij heid gebruiken om het regerings beleid te bekritiseren. Trip gaf het voorbeeld van de economen die de modellen van het Centraal Plan Bureau hebben doorgere kend en hebben geconstateerd dat daar niet veel van klopt. Als het onderzoek te veel van boven wordt vastgelegd verdwijnen deze mogelijkheden. Aan het slot van zijn lezing bekri tiseerde Trip het antwoord dat de universiteiten hebben gegeven op het „Haagse offensief". „De reacties op de bezuinigingen, de nieuwe procedures, de ingre pen op de autonomie zijn opmer kelijk gering in aantal en rustig van aard geweest."
Waar moeten de universiteiten sich, volgens Trip, eigenlijk sterk voor maken? „Ik heb niet gezegd dat de weten schappers de straat op moeten gaan voor de centen, ze mogen best een veer laten, we moeten allemaal inleveren. De universi teiten moeten voor h u n maat schappelijke rol opkomen. Men heeft zich bij zaken als de taak verdeling en voorwaardelijke fi nanciering vooral door eigenbe lang laten leiden." Volgens Trip slagen vakbonden, bijstandsmoeders, vrachtwagen chauffeurs, schippers en specia listen er beter in om op te komen voor h u n belangen dan de uni versiteiten. De universitaire we reld maakt op dit moment een crisis door en vindt nog maar wei nig waardering in de maatschap pij. Zelfs de PvdA, als oppositie partij, steunt minister Deetman in zijn plannen voor de universi teiten. Welke verklaring heeft Trip hier voor? „Het heeft te maken met het feit dat vooral hoogleraren gewend zijn analytisch te denken en niet synthetisch, bestuurlijk. Het is moeilijk de samenhang van alle belangen van de universiteit aan te geven. Maar vanuit de univer siteit wordt de toekomst bepaald, door de opleiding van mensen. De ivoren toren werd in zekere zin wel gewaardeerd, maar nu men daaruit is afgedaald, is er niets nieuws voor in de plaats geko men. Men zal een nieuwe plaats moeten zoeken, of genoegen ne men met een mindere."
i*'*'^
..^. * ******
i
;i^.i
'Aquarium' van Henk B exkens weliswaar vaak geen duidelijke figuratieve vormen in h u n wer ken, maar de vormen die ze ge bruiken zijn bijna aldoor wél uit gesproken symbolisch bedoeld. Ook de keuze voor bepaalde mate rialen, of de manier van combine ren ervan (het opvallende stape len van verschillende materialen
bijvoorbeeld), lijkt veel meer dan voordien te berusten op persoon lijke voorkeuren van de kunste naar. De tentoonstelling geeft dus een soort momentopname te zien: een overgang van objectief n a a r veel subjectiever. De collectie werken voor deze ten toonstelling werd samengesteld
in opdracht en onder verant woordelijkheid van het Ministe rie van W.V.C. Er is een informa tiefolder beschikbaar ä ƒ 5,00. Inlichtingen over de tentoonstelling zijn te verkrijgen bij: J o h n Vrieze, Exposoriumcommissie, Hoofdgebouw VU kamer OD-03, tel. 548 (4327).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983
Ad Valvas | 510 Pagina's