Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 399
3
AD VALVAS — 20 APRIL 1984
Socioloog Dronkers (SISWO) ziet opbloei in zijn vak
„Er is een groter bewustzijn dat diversiteit moet'* „stel dat er een geïnteresseerde belastingbetaler is die zegt, ik ben benieuwd wat die sociologen aan het doen zijn, dan kan hij naar het congres komen om een redelijk beeld te krijgen van wat er gebeurt." Dit zegt Jaap Dronkers van de Stichting voor Interuniversitair Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (SISWO), de stichting welke op 25 en 26 april in het hoofdgebouw van de VU de sociologendagen organiseert. Het is een groot opgezet congres: er zullen 13 inleidingen gehouden worden, er zijn 46 werkgroepen, en er zullen omstreeks 350 papers gepresenteerd worden. Ongeveer 1000 sociologen en antropologen uit Nederland en België zullen de sociologendagen bezoeken. Het thema van het congres is: de balans van de sociologie sinds 1970.
Voor wie al wat langer op de VU vertoeft hoeft J a a p Dronkers geen volslagen onbekende te zijn. Hij studeerde in de jaren zestig sociologie aan de VU. Daarna was hij drie jaar werkzaam als wetenschappelijk adviseur voor onderwijsvernieuwing bij de subfaculteit Sociaal-Culturele wetenschappen, en ook drie jaar als assistent van het College van Bestuur van de VU, bü het bureau planning. In 1976 kwam hij by de SISWO, een stichting die de samenwerking tussen sociologen, bestuurskundigen, planologen e.d. bevordt. Het organiseren van de sociologendagen is daar een uiting van. Zelf heeft J a a p Dronkers tal van publikaties m.n. op onderwijssociologisch terrein op zijn naam staan. Dronkers over de sociologendagen: „Tijdens de jaren zestig waren er wel vaker van dit soort bijeenkomsten met als doel de stand van het vak door te nemen. Door al de troebelen eind jaren zestig, begin jaren zeventig heeft men niet meer de moed gehad bij elkaar te komen. Er bestaat n u meer een bewustzijn van terug naar normaal werk. Bovendien zijn er heel veel afgestudeerden in allerlei functies werkzaam die graag door een congres op de hoogte willen blijven over de stand van h u n vak. Het gaat er meer om de balans op te maken van waar staan we nu en hoe verder? Vandaar dat er veel aandacht is voor actuele onderzoeksthema's. Het niet de bedoeling oude twisten te herkauwen."
Optimistisch Werden die troebelen destijds veroorsaakt door de methodenstrijd? Dronkers: „Vroeger zagen mensen elkaar door die methodenstrijd niet meer zitten als socioloog en gesprekspartner. Die n u geluwd. Ik denk niet omdat één party gewonnen heeft; de tegenstelling tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek is er nog steeds, alhoewel de algemene opinie nu is dat dat geen echte tegenstelling hoeft te zijn. Er is n u stellig een grotere diversiteit aan methodes onstann, en een groter bewustzijn dat diversiteit moet. Zo is er op het congres ook een aparte werkgroep marxistisch onderzoek. Tien jaar geleden was er nog geen marxistisch onderzoek, laat staan een aparte werkgroep. Een winst van de methodenstrijd is dat er een minder automatisch en blind geloof bestaat in de feiten die voor zichzelf spreken; men gebruikt nu minder naief methoden en technieken en men realiseert zich meer de belangen die aan sociologische kennis kunnen vastzitten." Is het aansien van de sociologie sinds 1970 belangrijk veranderd? Dronkers: „Het verschil tussen eindjaren zestig en n u is, dat wat toen begonnen werd, n u uitge-
KoosNeuvel bouwd is." Dat klinkt allemaal heel optimistisch, ja. In het midden van de jaren zeventig heeft veel onderzoek een tijd stilgelegen. Men bleef toen steken in het debat van het waarom en hoe van het onderzoek. Na 1978 is er weer een opbloei van onderzoek maar n u is de band met bepaalde theorieënsterker. Het is ook minder naïef en optimistisch in de zin van als mensen nou m a a r dit lezen zullen ze morgen een betere samenleving inrichten." Geldt dat ook voor je eigen specialisme, de onderwijssociologie? Dronkers: „De centrale gedachte
pen hoe en waarom die samenleving werkt en hoe mensen uiteindelijk met die kennis, maar n a veel meer stappen dan je vroeger dacht, er toch iets aan kunnen veranderen." In dat verband wordt er ook vaak geroepen om een grotere maatschappelijke relevantie van sociologisch ondersoek. Dronkers: „De vraag is watje met de maatschappij bedoelt. Je k u n t het beleid en de overheid noemen als de uitdrukking van ons aller
Interview bij „Sociologendagen'* op VU eind april achter het onderwijssociologisch onderzoek in de jaren zestig was: kan ik gelijkheid in de samenleving bevorderen door mensen meer onderwijs te geven? Dat idee is n a de jaren zestig scherp onder v u u r komen te staan en terecht. Ik wil niet zeggen dat er niks verandert in het onderwijs, maar er worden vaak reusachtig veel mogelijkheden aan het onderwijs toegeschreven die het gewoon niet heeft. De sociologen hebben veel bijgedragen om dat misplaatste optimisme te bekritiseren; zij hebben duidelijk gemaakt dat dat onderwijs veel meer bijdraagt aan de ongelijkheid van de samenleving dan men vaak veronderstelt."
„Sadder and wiser" I n de na-oorlogse periode, de opbouwtijd van de sociologie, stond de maakbaarheid van de samenleving juist met behulp van sociologische kennis, erg op de voorgrond. Als we maar voldoende sociologische kennis hebben, kunnen we die samenleving ook veranderen. Ik denk dat daarop eind jaren zesig een kater kwam, in de zin dat de sociologie niet tot de verlichting van iedereen bleek bij te dragen. Nu is men opnieuw ,,sadder and wiser" aan de slag gegaan. Want het blijft n a t u u r lijk nodig, inzicht in onze samenleving te krijgen; een heleboel dingen gebeuren nog steeds zonder dat precies duidelijk is waarom ze zo gebeuren. Je wilt begrij-
gemeenschappelijKe wil en dus van de maatschappij. Maar iedereen Weet dat het beleid en dé overheid niet altijd ieders algemene wil uitdrukt. Er zijn ook sociologen die zich op specifieke groepen richten, b.v. bepaalde minderheden. De leuze „maatschappij-relevant" is te globaal om te gebruiken, we weten niet precies wat dat is. Anderzijds is het zo, je verzamelt de kennis niet helemaal voor niets. J e moet altijd een rechtvaardiging maken voor elke wetenschappelijke studie, en het is voor mij één van de nevendoelen van het congres dat we een publieke verantwoording afleggen van waar we mee bezig zijn." Zijn er inde huidige sociologie dominante scholen of stromingen? Dronkers: „Er zyn wel bepaalde stromingen als b.v. de figuratiesociologen die zich sterk baseren op het werk van Norbert Elias, m a a r geen enkele stroming is dominant. J e kan wel zeggen dat bepaald soort onderzoek, het kwantitatieve, meer kans heeft geld te verwerven dan een ander. D a t komt omdat het in de ogen van de opdrachtgever minder risico's bevat, meer dan dat het dominant is in wetenschappelijk opzicht. Momenteel zie je, heel interessant, de tendens juist andersom, dat de opdrachtgever kwalitatief onderzoek wenst. Dat levert een leuk plaatje op, leest gemakkelijk weg e.d. Het zijn bepaalde marktverhoudingen die deze omslag dicteren. Er heerst een zekere afkeer van schoolvor-
foto Bram de Hollander ming door slechte ervaringen met strijd. Er is wel een bewustzijn dat er verschillen bestaan."
Balans
Kun je daar tegenover stellen dat in de sociologie een tendens bestaat om meer samen te werken met andere disciplines? Dronkers: „Als je kijkt n a a r wie a a n het congres deelnemen dan blijken dat ook politicologen, juristen en psychologen te zijn. De grenzen tussen de disciplines zyn niet erg scherp meer. Of dat goed is? Het is goed omdat de combinatie van verschillende gezichtspunten tot nieuwe inzichten kan leiden." „Anderzijds bestaat de neiging een nieuw soort inter-disciplinair vak te creëren, allerlei „kundes" zoals onderwijskunde, dat alleen het object tot uitgangspunt neemt en bepaalde vragen over het object- zelf niet zo snel stelt. Men is in hoofdzaak geïnteresseerd in de vraag: hoe funktioneert de school, maar de plaats van de school in de samenleving verdwijnt heel gemakkelijk uit het zicht. Dergelijk inter-disciplinair onderzoek wordt snel uitsluitend toegepast onderzoek, waardoor allerlei fundamenteler vragen niet meer aan de orde komen. Men heeft ook minder snel oog voor de verbanden tussen verschillende maatschappij-sectoren: b.v. het onderwijs en de buurt. Het laatste wordt immers niet meer tot het onderwijs gerekend." „Het is dus niet automatisch, hoe meer inter-disciplinariteit, hoe beter. Er moet een bepaalde balans zijn tussen inter-disciplinariteit en disciplinaire zelfstandigheid." Een veelgehoord verwijt is, dat de sociologie alleen maar open dewren intrapt. Dronkers: „Veel van wat de sociologie doet, is documentatie van hoe de samenleving in elkaar zit. Over onderwerpen als „elites" en „minderheden" wordt veel gekletst zonder dat men van de feiten op de hoogte is. Veel onderzoek is daarom beschrijvend van aard; omdat het over mensen gaat hebben mensen zelf een oordeel over die beschrijving. Het constateren dat het beeld dat dè mensen in h u n hoofd hebben correct is, is belangrijk omdat veel ideeën van mensen over de werkelijkheid ook wel eens incorrect zijn." „Maar in de sociologie is men al lang veel verder dan de beschrijving van hoe de samenleving er-
uit ziet, en gaat het om de vraag: waarom werkt de maatschappij zo? En juist op dat p u n t bestaan allerlei verschillende meningen over de oorzaken ; en natuurlijk zullen er dan mensen roepen: dat wist ik al lang of daar ben ik het niet mee eens."
Dood in de pot
Zo gaat het in de onderwijssociologie om het verschijnsel dat sinds de tweede wereldoorlog er gigantische onderwijshervormingen hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd kan je aantonen dat de relatieve ongelijkheid van onderwijskansen in verschillende sociale milieu's nauwelijks veranderd is. Waar de sociologie zich mee bezig houdt is de vraag : waarom veranderen ongelijke onderwijskansen nauwelijks? En dat is een vraag die al veel verder ligt dan de aanvangsvraag van: hoeveel kindertjes uit welk milieu gaan er n a a r welke school?" Wat sijn de konsekwenties van de voorwaardelijke financiering voor het sociologisch ondersoek? Dronkers: „Het idee is goed, maar zoals het n u uitpakt is het de dood in de pot. Het is goed omdat er immers niet aangelummeld moet worden, men moet onderzoek doen of theorieën ontwikkelen. Maar vanaf de tweede helft van de jaren zeventig neemt de produktie al in versneld tempo toe, de sociologendagen met h u n 350 papers vormen daar een levend voorbeeld van. Ook de produktiviteitscontrole neemt toe. Die tendenzen zyn niet veroorzaakt door de voorwaardelijke financiering. En het betekent de dood in de pot omdatje moeilijk van tevoren k u n t vast leggen waar je over vijf jaar denkt uit te komen." „In spannend onderzoek daar gebeurt het dat men een weg ingeslagen is, en pas naderhand ontdekt dat een ander pad veel vruchtbaarder is. Nu wordt het voorwaardelijk onderzoek beoordeeld op programmeerkunsten, op plannen; dat betekent dat je een premie zet op degene die de mooiste aanvragen weet te schrijven, en dat hoeven niet altijd de beste onderzoekers te zijn. J e zet dan een premie op risico-vermijdend onderzoek want je moet alles in die vijf jaar toch redelijk kunnen afronden allerlei nieuwe ontwikkelingen worden snel afgesneden. Het idee van produktiviteitscontrole is goed. Maar zoals wel vaker kunnen zinnige ge-^ dachten toch slecht uitpakken in een bureaucratisch en voor het hele land geldend netwerk van regels."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983
Ad Valvas | 510 Pagina's