Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 476

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 476

10 minuten leestijd

Nu God voor velen een tijdlang dood is geweest, komt hij weer langzaamaan tot leven. De kleine groep studenten bijvoorbeeld, die ondanks alle kritische geluiden over geloven wél religieuze bele­ ving behouden heeft, is aan het groeien. Activiteiten van het studentenpastoraat in VE 90 worden goed bezocht, beter dan de afgelopen jaren, en ook de kerken zien wat meer studenten ver­ schijnen. Van een tendens naar meer religieuze belangstelling wil niemand nog spreken. Daarvoor is de tijd nog veel te vroeg. Maar, „er zit groei in", vertelt pastor Syb de Lange over de belangsteUing voor met name de culturele activiteiten van het pastoraat. Waar­ om geloven die mensen nou? „Ik geloof in God als.. e h . . . ik geloof dus in e e n . . . ja, ik kan het niet uitleggen, maar ik e h . . . " Mijn God, wat is het moeilijk praten over geloven. Een gesprek met vier VU­studen­ten. Vier visies vanuit een christelijke traditie, vier keer worstelen met het onder woorden brengen van gevoelens.

Twintig mei biedt een typische zondagse druilerigheid naast de bijna onnatuurlijke rust die Amsterdam op de zevende dag ten­ toonspreidt. De Amstelkerk staat h a a r driehonderd jaren te weerstaan in het wit en hout, de deuren open, met binnendrup­ pelende kerkgangers. Binnen heerst een verrassend warme sfeer, geel licht en een oud interieur heet iedereen welkom. Achter de kansel is tegen betaling koffie te verkrij­ gen, met plastic bekertjes in de hand wordt gekeuveld terwijl het ruim twintig m a n sterke koor nog wat liederen repeteert. Op de achtergrond klinken Vivaldiklanken uit onzichtbare boxen en ik word benaderd door een man: „Wil je straks helpen met collecteren?" „Nou ik bekijk het liever wat van opzij", onttrek ik mij a a n wat blijkbaar doodnormaal is hier. „Oh, da's ook goed" m a a k t hij er geen probleem van. De Amsterdamse Studentenekklesia komt voort uit de Rooms Katholieke kerk. Aan de hand van onder meer H u u b Oosterhuis zijn de diensten echter sterk oecumenisch geworden en zij genieten een grote popula­ riteit onder de ruimdenkende christenen in ons land. De grote meerderheid in de kerk is twintiger, maar er zijn toch ook veel derti­ gers met kinderen en zo hier en daar ont­ waar ik wat grijze hoofden. In totaal zijn er zo'n honderdzestig mensen op het moment dat het koor a capella een „Morgenlied" inzet. Getuigt dat nog van ingetogenheid, het onmiddellijk daarop aansluitende „Die zegt Grod te zijn" bruist over de hoofden van de gemeente heen en de eerste glimlachen­ de gezichten zijn te ontwaren. Muziek, zang is erg belangrijk in de ekkle­ sia: het koor onder leiding van Antoine Oo­ men loodst de gemeente door melodieuze gezangen met teksten van Huub Ooster­ huis. Voordat de „toespraak" van Guus van Hemert begint, vertrekt een zestal kin­ deren n a a r de kinderkring. „Laten we het vandaag over God h e b b e n . . " begint Van Hemert blijkbaar zonder origineel te willen zijn. Aan de hand van drie gedichten van de onbekende impressionistische en Engelse dichter Hopkins loopt hij de begrippen Va­ der, Zoon en Heilige Geest langs. „Hier is het gedicht, geen gemakkelijk gedicht, m a a r de wereld is ook niet gemakkelijk te begrijpen". De preek komt als een zachte dot watten de ruimte in, opgelezen en wei­ nig expressief. „Maar het grootst is de lief­ de" eindigt het lied na de toespraak en de kinderen komen terug. Na de eucharistie­ viering met rustbrengende pianoklanken op de achtergrond, weer zingen, voorbeden en een swingend slotlied verlaat de ge­ meente na anderhalf u u r met lachende gezichten de kerk, zeh kan ik mijn mond­ hoeken ook niet meer in toom houden. De juichende toon heeft me definitief te pak­ ken.

De kerk „Ik ga nooit naar kerkdiensten. Mijn weer­ zin tegen de kerk heeft dramatische vor­ men aangenomen, dus daar kom ik de eerstvolgende tijden niet meer. Maar mis­ schien verandert dat ooit nog in mijn le­ ven," uit Chris de Valk zijn frustraties. Hij is zevendejaars theologie. „Ik heb het idee dat hoe meer je dingen structureert, hoe systematischer je dan de vitaliteit eruit haalt. En de kerk doet dat zeker. Juist die vitaliteit, het gevoel datje echt lééft, is voor mij de kern van het geloof. Dus zoek je n a a r een plek waar dat het geval is. Het insti­ t u u t „kerk" kan mij dat niet bieden, en ik probeer dan ergens anders een plek te vin­ den waar het leven wél levend is. Dat zou je dan een idealistische constructie van een kerk kunnen noemen. Maar die is dan niet geïnstitutionaliseerd.'' Hans B akker, zesdejaars geschiedenis, gaat zo goed als elke zondag naar de kerk. Voor hem is de kerk wel degelijk een wezenlijk onderdeel van het geloof. Hij speelt orgel in een gereformeerde kerk in het centrum van Amsterdam, maar ook als hij niet aan de beurt is met spelen is hij er te vinden. „De kerk is nog steeds erg nodig om de Bijbel uit te leggen. Die is al zo verschrikkelijk oud, vanaf het jaar 100 is er niets meer bijge­

Aart B ouwmeester schreven. Dat hoeft ook niet, wat erin staat is voldoende. Niet voor niets zegt God in één van de eerste boeken van de Bijbel dat er geen beelden van hem gemaakt mogen worden. Het is dxis duidelijk dat je niet m a a r eindeloos boeken als de Bijbel moet blijven schrijven. Maar de kerk moet die boeken blijven uitleggen n a a r onze tijd." Vierdejaars psychologie­studente Ada Bergsma gaat wel eens naar de kerk, ook al valt er zonder kerk volgens h a a r ook best te leven. Als ze gaat, dan toch vooral om er wijzer van te worden. „Ook al hoor je iets waar je het niet mee eens bent, nou, dan weet je in ieder geval dat je het däär niet mee eens bent. Het is eigenlijk een vorm van algemene ontwikkeling. Verder is de kerk een instelling waar ik me toch niet zo erg in kan vinden. Er worden te veel dingen voorgeschreven. Laatst was ik bij een vrij­ gemaakte avonddienst. Dat duurde ander­ half u u r en er stond een soort volksmenner op de kansel boeman­verhalen af te kondi­ gen . . . Nou, dat vind ik niks. Binnen de gereformeerde kerk kom je dat soort toe­ standen dan wel niet tegen, maar er zijn daar toch ook wel dingen waarin je ge­ dwongen wordt. En ik vind God niet dwin­ gend. Dus probeer ik mijn eigen gang te gaan met mijn geloof achter me, maar in een kerk kan ik het niet zo vinden." „Naar de Keizersgrachtkerk ga ik om op bepaalde problemen andermans licht te la­ ten vallen, naar de Katholieke kerk in Dronten zo n u en dan op zaterdagavonden omdat het zo lekker rustig is en n a a r de Waalse Kerk om te zingen," geeft Aria B ie­ mond, vijf dejaars geneeskunde, h a a r diver­ siteit aan. „Maar de manier waarop de Keizersgrachtkerk werkt vind ik de meest zinnige manier van kerkdiensten houden. Daar gaat het eerder over El Salvador dan over de vraag of de slang in het Paradijs n u wél of niet gesproken heeft. Soms is het heel bedreigend, je k u n t niet wegdromen en later zeggen „ik ben naar de kerk geweest", wat in de Waalse kerk bijvoorbeeld wel kan".

Het geloof Het mag duidelijk zijn: n a a r de kerk k u n je gaan al n a a r de behoefte dat voorschrijft. Het instituut kerk, dat n a a r de buiten­ staanders toe het gezicht van het geloven vormt, wordt door veel gelovigen zelf meer als gebruiksgoed gezien. Dan maar n a a r de kern van de zaak: geloven. Aria geeft h a a r uitgangspunt: „Je moet je goed realiseren dat je altijd ten koste van anderen leeft. Daar kun je met veel vroom geklets omheen draaien maar de diensten die dat nou juist niet doen, die vind ik goed. Juist het zorgen dat de anderen beter kunnen leven, is voor mij de zin van het leven. Wanneer je je in anderen verdiept en probeert het leven voor hen draaglijker te maken, dan heb je voor jezelf ook geen zorgen meer, trouwens daar heb je dan geen tijd meer voor. Wan­ neer ik alleen maar voor mezelf leef, dan wordt mijn leven erg beperkt: mijn studie. Een moeilijk tentamen bij voorbeeld. J e draait dan in een steeds kleiner wordend kringetje en je bent zeker niet gelukkig. Als je het tentamen dan haalt dan heb je ook zoiets van ja, wat heb ik n u wat ik eerst niet had? Maar wanneer je nou iemand bent die zich in anderen verdiept, en er komt ie­ mand naar je toe die zegt: „Ben er alsje­ blieft voor me, ik red het niet meer", nou, dan bestaat zo'n tentamen dus niet meer hè. Uiteindelijk valt het vaak tegen wat je a a n hulp kunt bieden, maar je bent er in ieder geval geweest voor iemand anders. J e hebt het lef gehad om ervan te weten en wanneer je dan achteraf met de brokken in je handen staat k u n je niet zeggen „ik wist nergens van". De moed opbrengen om van te voren het argument van „ik wist het niet" uit te schakelen. Als iets mis gaat, dan

is dat omdat je niets gedaan hebt. Geloven. Ik geloof dat Christus op al die punten waarin ik te kort schiet voor een aanvul­ ling zorgt. Ik schiet altijd te kort. Maar de heilige overtuiging dat Christus, als zoon van God, alles goedmaakt voor mij, en daardoor zorgt dat het zin heeft wat ik doe, geeft de stimulans om het te proberen. Zoeken n a a r de zin van het leven. Dat lijkt de kern van geloven in veel gevallen te zijn. Aria is duidelijk in wat voor h a a r de zin van het leven is: de andere mensen helpen. Dat lukt haar nooit, realiseert ze zich, maar ze denkt dat Christus h a a r in haar goede be­ doelingen zal steunen en waar nodig zelf in zal springen. Het blijft verschrikkelijk jmoeilijk om „geloven" in woorden uit te drukken. Probeer maar eens te vertellen watje precies voelt wanneer je verliefd bent en je loopt tegen dezelfde machteloosheid aan.

De onduidelijkheid „Ik denk dat veel discussies over geloven mis gaan vanwege de verschillende beteke­ nissen die het woord geloven heeft in de Nederlandse Taal. Niet­gelovigen begrij­ pen het vaak verkeerd als gelovigen het over geloven hebben. Dat komt omdat zij zich iets stompzinniger voorstellen bij gelo­ ven dan gelovigen doen. Daar heb je een soort spraakverwarring", illustreert Chris de Valk zijn eigen stelling. „Voor geloven is geen reden aan te dragen. Mensen denken vaak dat iemand gelooft omdat het leven daardoor draaglijker wordt. Maar geloven e n leven is volgens mij hetzelfde. Het doet dan ook helemaal niet ter zake of geloven prettig is. Overigens wil ik daarmee niet

Syb de Lange

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983

Ad Valvas | 510 Pagina's

Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 476

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983

Ad Valvas | 510 Pagina's