Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 417
^^.-^t-a'jgyi^-aia.
AD VALVAS — 4 ME11984
Proï^sor Esmeijer deze week met emeritaat
'Ik had wel abdis willen zijn in een Middeleeuws klooster' Een zonnig licht vertrek op de achtste verdieping van het hoofdgebouw. Vanuit het ruime venster uitzicht op de strakke contouren van het Energiecentrum tegen een staalblauwe lucht. Een vrolijk interieur met veel wandversiering en van een vertederende rommeligheid. Op de tafel een bos oranje tulpen. Aan de tafel Ank Esmeijer de studenten noemen haar meestal mevrouw - hoogleraar kunstgeschiedenis aan de VU samen met haar interviewer. Een vriendelijke, charmante vrouw - modieus gekleed - en heel gastvrij. Ze gaat direct koffie halen en als ik wegga vraagt ze of ik nog een kopje wil. Mevrouw Esmeijer gaat met emeritaat, zoals dat bij hoogleraren heet. Deze week was er de afscheidsreceptie en werd in het Exposorium van de VU een tentoonstelling speciaal ter ere van haar geopend. Van het werk van Gerard Verdijk, een Haags kunstenaar van wiens werk mevrouw Esmeijer in 1967 als^conservator van het Haags Gemeentemuseum de eerste grote tentoonstelling organiseerde. Ank Esmeijer is een veelzijdige vrouw, ook als kunsthistorica. Ze begon haar loopbaan in de kunst met een schildersopleiding aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag en zette zich pas later, na de oorlog, aan de wetenschappelijke studie kunstgeschiedenis in Utrecht. Ze werkte aan twee universiteiten, als wetenschappelijk hoofdmedewerker en later lector en hoogleraar en daar tussendoor conservator van twee musea. Ze was daarvóór ook nog korte tijd lerares aan een middelbare meisjesschool en gaf rondleidingen aan museumbezoekers. In Utrecht doceerde ze middeleeuwse kunst en iconologie maar in Den Haag was ze hoofdconservator moderne kunst. Aan de VU, waar ze sinds 1977 lector en sinds 1978 hoogleraar kunstgeschiedenis is, doceert ze beeldende kunst tot aan 1860 maar in feite kon elke student kunstgeschiedenis met welke specifieke interesse ook steeds een beroep op haar doen. Of je n u zestiende eeuwse tapijten wilde gaan doen of middeleeuwse fresco's. „Ik heb zo vaak gewisseld van werkkring dat ik me op veel gebieden kan redden." Ank Ksmeijer, een typische generaliste op haar vakgebied met een voorliefde voor Middeleeuwen en moderne kunst. Wat schilderde u het liefste toen u in Den Haag aan de Academie sat? „Hangt er een beetje van af. Indertijd vooral stillevens en portretten ook wel en op reis landschappen of stadsgezichten. Ik heb later erg veel plezier van die opleiding gehad omdat je dan snel even een schetsje k a n maken." Wat vindt u mooi, of mag ik dat eigenlijk wel vragen? „Nee dat mocht nooit van mijn leermeesters op de universiteit maar je hebt natuurlijk toch je voorkeuren. J e zou eigenlijk bij me thuis moeten komen kijken. Dan zie je dat die voorkeur zich ook weer kan verschuiven. Ik heb zelf veel gekocht toen ik eind jaren zestig hoofd was van de afde"ng moderne kunst van het aags Gemeentemuseum. Dat gaf mijn belangstelling nieuwe stimulansen. Ik denk dan a a n mensen als Peter Struycken, Dekkers, Verdijk en daarvóór de schil<^srs van Cobra zoals Appel. Ik oud ook erg van Mondriaan. Ik i^ocht voor het museum destijds nog een Mondriaan uit de jaren dertig. Dat was toen nog moeilijk door B en W te krijgen. Dat moest ik zelf gaan verdedigen. Burgemeester Kolfschoten had wel begrip want die was eerder burgemeester van Eindhoveiv geweest waar je het Van Abbe museum hebt. Die kende het verhaal dus wel. Maar die raadsleden kon ik maar met moeite overtuigen, dat dit de laatste mogelijkheid was om zo de afsluiting van de Mon-
toeschouwer en beeld bestudeerd." Met de methode van de visuele exegese probeerde mevrouw Esmeijer na te gaan wat de toeschouwer in dit fresco, dat oproept tot meditatie, gezien kan hebben. Haar proefschrift ging ook over de visuele exegese, een methode die gelijkenis vertoont met de exegese-methodes van de theoloog. Voelt u sicliself aangetrokken tot die tijd? Zou u in de 12e, 13e eeuw geleefd willen hebben? „Nou, ik weet het niet hoor, ik denk dat de huizen toen te koud waren maar misschien had ik wel abdis van een groot klooster willen zijn in het Rijnland van de 12e eeuw." Abdis ja? „Ja in die functie. Je had in die tijd heel artistie-
ding van het vakgebied n a a r letteren en geschiedenis. Er is een vrije studierichting gecreëerd met het programma „woord en beeld" waar letteren- en kunstgeschiedenisstudenten elkaar tegenkomen. Voor de Middeleeuwen zijn ook plannen. „Je k u n t zo in je laatste studiefase een eigen gevarieerd pakket maken, dat je kansen op een baan zou kunnen vergroten." Die kansen zijn op dit moment niet zo best. „Anderhalf j a a r geleden begon het eigenlijk pas echt moeilijk te worden om een baan op ons terrein te krijgen. Dat heeft ook te maken met de enorme groei van het aantal kunstgeschiedenisstudenten. Toen ik afstudeerde (in 1957) was het overigens ook erg moeilijk. Onze hoogleraar adviseerde ons toen al tijdens de studie wat te gaan zoeken. Dan moest de studie maar wat langer duren." Daarin kwam in de jaren vijftig verandering. Daarvóór bleven de banen beperkt tot de universiteit, musea en enkele rijksdiensten als het rijksbureau voor kunsthistorische documentatie, monumentenzorg, archieven en enkele bibliotheken. Eind vijftiger jaren kwam er een enorme opleving. De universiteiten gingen h u n staf uitbreiden en in de musea kwam meer ruimte om bijvoorbeeld de collecties van musea te gaan bestuderen en catalogiseren. Daar werden posten voor gecreëerd.
Er is ook een heel leuk plan voor een nieuwe ruimte voor het Exposorium onder de luifel van de entree van het hoofdgebouw. Die luifel van 24 meter lang zou met glas afgeschermd kunnen worden. Er ontstaat dan een schitterende expositieruimte, een soort etalage van de VU. De bestaande ingangen zouden er als sleuven langs lopen. Het zou een echte blikvanger kunnen worden. De kunst zou zo kunnen gaan functioneren binnen een omgeving waar het altijd wel levendig en gezellig is. Helaas is het plan financieel nog niet rond en gaat het mogelijk de ijskast in. Maar omdat toch de afwatering van de entree verbeterd moet worden moet het idee toch wel realiseringskansen hebben. De kunstuitleen loopt intussen uitstekend. Er zijn al een paar duizend werken uitgeleend.
Jaap Kamerling driaan-collectie tegen een enigszins redelijke prijs te krijgen. Beetje deprimerend eigenlijk dat dat zo moeizaam ging" - terwijl ze in Den Haag toch een unieke Mondriaan-collectie, de beste ter wereld, hebben (red.).
Wilhelmina-monument
Als inwoonster van de residentie weet mevrouw Esmeijer n a t u u r lijk ook het een en ander van de perikelen rond het Wilhelminamonument dat er na tientallen jaren culturele strijd nog altijd niet is. „Het laatste ontwerp van Aldo van Eijk vond ik op zichzelf wel leuk maar de plaats was verkeerd gekozen. De ruimte op het Voorhout was te klein en er moesten bomen voor gekapt worden. Het begon allemaal eens met een figuratief beeldje maar dat vond ik niet erg bevredigend, te weinig tijdloos en groots, hoewel het bij de Haagse bevolking wel in de smaak zou zijn gevallen. (Die wil Willemien 't liefst op 'n paard in een bontje, red.). Een smaak die mevrouw Esmeijer minder bevalt. „Dat Wilhelmina-beeld in Rotterdam in het Park aan de Maas van Charlotte van Pallandt vind ik erg goed. Nèt aanduidend en toch groots en stoer. Dat in Amsterdam aan het Rokin vind ik ook wel aardig maar het valt te veel weg in het geheel. J e bent er voorbij vóór je er erg in hebt. Het is moeilijk hoor een goed monument maken." Is er veel veranderd in de wetenschappelijke benadering _ van de kunstgeschiedenis? „Ja, ten dele wel. In de tyd dat ik in Utrecht bij prof. Van Gelder studeerde - een heel grondige, gevarieerde opleiding - draaide het vooral om stilistisch onderzoek: het scheiden van handen (wie maakt wat), het onderscheiden van vals en echt, of 't een leerling was van die of niet. Of een werk vroeg of laat was in het leven van een schilder. Het iconografisch onderzoek kwam toen in Nederland pas op. Het is mij ooksteeds meer gaan boeien. Wat wordt er voorgesteld en waarom. Het begon vaak met van iconografische reeksen in de tijd gezien. De Paradijsvoorstelling bijv. vanaf de vroegste tijd. Zelf doe ik dat niet meer. Ik ben n u meer geïnteresseerd in dwarsdoorsneden op eenrfciepaald moment waardoor je het ktinstwejck k u n t plaatsen, te« gen. de achtergrond van een he^ paalde tijd, met de ideeën die daarop invloed hebben. Dat heb ik ook gedaan met het 13e eeuwse fresco van het Lignum Vitae in een klooster in Florence. Daarbij heb ik ook de interactie tussen
houd van uitkering zouden wellicht enigszins - hoewel niet ideaal - moeten worden benut. Ik merk, dat de studenten a c h aanpassen a a n de situatie en met veel vindingrijkheid toch vaak nog een baantje bij elkaar weten te harken. We komen op het p u n t kunstbeleving van VU-personeel en studenten. Mevrouw Esmeijer was jarenlang voorzitter van de Exposoriumcommissie. „Ik vind het heel prettig en ook uniek dat de VU zoiets in huis heeft." Met zijn exposities kan de commissie goed aansluiten op interessant ontwikkelingen in de kunst maar ook op congressen, lezingen en activiteiten van allerlei faculteiten. We proberen als exposoriumcommissie zo gevarieerd mogelijk te werken en dat betekent niet alleen moderne kunst. Elk jaar is er ook een expositie over fotografie waarvoor grote belangstelling is. We hebben ook wel eens computerkunst laten zien t.g.v. een congres. Met een klein budget wordt heel veel gedaan. Het is jammer dat de formatie voor het Exposorium is gekort maar op allerlei manieren, door hulp vanuit onze subfaculteit, proberen we daar toch nog een mouw aan te passen. Het is overigens plezierig dat het CvB achter onze ideeën staat en ons werk een belangrijke functie voor de VU-gemeenschap toekent."
Kunstcritici
^I^K ^ ^ ^ ^ ^
'^.-^^s^:^:>
'^•~."''*^m0^'^ (Foto: AVC/VU)
ke kloosters, machtig en rijk a a n kunst. Die abdissen waren theologisch ook goed geschoold en werden bovendien vaak geraadpleegd in moeilijke staatszaken. J a dat was nog wel te overwegen geweest."
Enorme groei Terug n a a r de subfaculteit. Twee dingen vallen op. I n de eerste plaats de nog steeds groeiende belangstelling voor de studie kunstgeschiedenis met ook veel bijvakstudenten terwijl de staf in verhouding a a n de kleine k a n t is. Wat verder opvalt is de specialisatie die zich binnen het vak op de VU is gaan aftekenen. Het is begonnen met prof. Rookmaker als enige hoogleraar, n u zijn er drie richtingen met drie hoogleraren: Bouwkunst met prof. Van Swighem, beeldende kunst tot 1860 met mevrouw Esmeijer en n a 1860 met prof. Blotkamp. Vroeger was alles ook minder strak geregeld. E r moet n u met die grotere studentenaantallen en de tweef asenstructuur meer worden gepland. Het ideale studieprogramma, dat eens voor de herprogrammering was ontworpen, is wat teruggeschroefd, aldus mevrouw Esmeijer maar „we proberen toch zoveel mogelijk de kwaliteit te bewaren". Nieuw is ook de recente verbre-
Educatieve diensten werden uitgebreid, alle scholieren gingen wel een paar keer per jaar met de school n a a r een museum. De laatste jaren is die ontwikkeling echter geremd. Als er iemand weggaat wordt die niet meer vervangen. Erg jammer, zowel voor de studenten als voor het publiek, dat juist een beetje over de drempel begon te komen en van kunst ging genieten.
Met fantasie toch 'n baantje Toch constateert mevrouw Esmeijer, dat net als in h a a r tijd de studenten zich niet laten afschrikken door de slechtere perspectieven. „Op voorlichtingsdagen zeggen we hoe die perspectieven zijn maar men laat zich niet afschrikken, vindt kennelijk dat je met wat fantasie misschien best zelf wat kan creëren. Zo gaan er ook wel mensen de kunsthandel in. Als je dat voorzichtig opbouwt kan dat wel lukken. En waar ook nog een flink gat in de m a r k t zit dat is de buitenschoolse educatie. Steeds meer mensen willen voorbereid worden op h u n reizen of op het bezoeken van een expositie. De belangstelling voor kunst is enorm toegenomen. Initiatieven voor eigen culturele burootjes zouden beter moeten worden gecoördineerd. Ook de mogelijkheden om te werken met be-
Wat mevrouw Esmeijer tenslotte van de Nederlandse kunstcritici vindt. Ze gaat zeker niet blindelings af op de critici van haar krant, NRC/Handelsblad. Vindt niet dat de Nederlandse kunstkritiek echt een eigen gezicht heeft en wat h a a r steekt is dat er vaak zo ad hominem - dus niet op de bal - wordt gespeeld. Vaak over de rug van de lezers onderlinge vetes uitgevochten. Dat is wel komisch m a a r de meeste mensen willen wel wat anders voor h u n abonnementsgeld. Er wordt teveel voor een bepaalde incrowd geschreven. En verder zou er misschin vanuit wat meer enthousiasme voor een bepaalde stroming geschreven kunnen worden. D a t gebeurde vroeger meer. Gerrit Komrij, die al evenmin een hoge pet op heeft van de kunstkritiek, vindt de Nederlandse museumdirecteuren te trendgevoelig. Ze missen eigen visie. „Je moet wel bedenken, dat een m u seumdirecteur zijn beleid lang tevoren uitstippelt en moet vastleggen, je zit in een bepaald circuit. Als bijvoorbeeld straks directeur De Wilde van het Stedelijk Museum vertrekt kan het 'n tijd duren voordat zoiets in het beleid kan doorwerken. Zo modieus kan een directeur dus niet zijn! Overigens vindt ze dat het kunstaanbod in de musea tegenwoordig heel breed is. Een vraag die h a a r bezig houdt is wel hoe „voorop" een museum kan lopen. Wat dat betreft vindt ze de Duitse oplossing wel aantrekkelijk. In de grote Duitse steden heb je musea met een vaste collectie en een Kunsthalle. De eerste hebben minder experimenteerruimte omdat er steeds moet worden aangesloten bü de vaste collectie m a a r de Kunsthalle, die meestal geen eigen kunstbezit heeft, kan volop experimenteren met tentoonstellingen. Een aardige tip voor het Nederlandse kunstmanagement.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983
Ad Valvas | 510 Pagina's