Ad Valvas 1983 - 1984 - pagina 243
3
AD VALVAS —27 JANUARI 1984
Medewerker aan TF-punt Amsterdam dr. Ernst Weeda (VU): »Legio mogelijkheden voor contracten"
„Transferpunt past in trend van deze tijd" „Op dit moment is er een trend in de maatschappij die het verschijnsel transferpunt ondersteunt. Als je drie jaar geleden met dit idee was gekomen, had iedereen je hier uitgelachen. Er is een verandering van mentaliteit op gang, men ziet in dat een universiteit zich maatschappelijker moet gaan opstellen." Dit zegt dr. Ernst Weeda, sinds 1 december medewerker aan de VU voor het gezamenlijke transferpunt van de VU, UvA en NIKHEF (Nationaal Instituut voor Kern en Hoge Energie Fysica). De tijd is er dus rijp voor, maar niet alleen het grote geld lokt, volgens Weeda kan het universitaire onderzoek aan kwaliteit winnen, als men in zee gaat met bedrijven en onderzoekers gedwongen worden over de toepassingen van h u n werk na te denken. Weeda is zelf direct van achter de experimenteertafel bij het transferpunt begonnen. Na zijn studie biologie in Utrecht promoveerde hij in '81 aan de Landbouwhogeschool te Wageningen en tot 1 december '83 werkte hij bij de medische faculteit van de VU, waar hij toepassingsgericht onderzoek deed. Een bewuste keuze, omdat hij vindt dat de universiteit te fundamenteel gericht is. De werkgelegenheid is echter ook voor biologen niet zo groot en begin '83 begon hij een eigen adviesbureau, naast zijn werk, en hij schreef zich in bij de Kamer van Koophandel omdat hij inzag dat het voor hem als onderzoeker wel eens snel afgelopen zou kunnen zijn. Toen zich de mogelijkheid voordeed om bij het nieuwe transferpunt te beginnen, zag hij daarin een betere gelegenheid om daadwerkelijk te proberen de wetenschap dichter bij het bedrijfsleven te brengen. Het transferpunt van de VU, UvA en NIKHEF (gevestigd in het oude pand van de wetenschapswinkel van de UvA) ging 1 oktober van start en werd op 19 december officieel geopend door de Amsterdamse wethouder Heerma van economische zaken.
No-nonsense In de innovatienota van de regering uit 1979 wordt voor het eerst het idee van transferpunten geopperd. Het Nederlandse bedrijfsleven zou niet innoverend genoeg zijn en daardoor h a a r concurrentiepositie in gevaar brengen. Er moest geïnnoveerd worden en dat zou het beste gaan als er meer gebruik gemaakt zou worden van wetenschappelijke kennis bij de vernieuwing van Produkten en processen. Eén van de methoden om het bedrijfsleven meer te laten profiteren van de kennis die op hogescholen en universiteiten aanwezig is, zou de instelling zijn van bureaus die bemiddelen tussen bedrijven die kennis willen kopen, en onderzoekers. Aan de drie Technische Hogescholen werd een subsidie toegekend om dit idee in de vorm van transferpunten uit te proberen, en een evaluatie, die in 1982 werd uitgevoerd door de Nijmeegse bestuurskundigen Gooren en Korsten was positief: „Als transferpunten nog niet bestonden, moesten ze alsnog worden uitgevonden." Transferpunten richten zich vooral op het midden- en kleinbedrijf, omdat deze tot n u toe de minste contacten hebben met wetenscaappelijke instellingen.
Maarten de Hoog Voor grotere bedrijven is het al veel langer gebruikelijk dat ze, al dan niet betaald, profiteren van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Het duurde tot halverwege 1982 voordat op de VU het initiatief werd genomen om deel te nemen a a n het inmiddels landelijke transfercircuit. Er werd besloten om gezamenlijk met de UvA en het NIKHEF te komen tot één transferpunt. Met de snelheid van een no-nonsense-aanpak, die bij een transferpunt hoort, werd een opzet bedacht en eind 1983 draaide het bureau. Drs. Ingrid Riphagen, coördinatrice van de wetenschapswinkel op de VU, is nogal verbolgen over het feit dat het transferpunt zo snel werd gerealiseerd, terwijl het bij de wetenschapswinkel zes jaar duurde voordat er eindelijk iemand werd aangesteld. Als oorzaak ziet zij dat dit initiatief afkomstig is van het College van Bestuur en de centrale diensten, terwijl de wetenschapswinkel vooral werd gesteund door de Universiteitsraad.
Door drie studenten van de vakgroep Wetenschapsdynamica is onder begeleiding van de peetvader van de wetenschapswinkel daar. Loet Leydesdorff, een onderzoek verricht n a a r de vraag- en aanbod-problematiek. Hieruit blijkt dat in de Amsterdamse regio, waarop het transferpunt zich richt, vooral contact gezocht moet worden met branche-organisaties om een effectieve overdracht van kennis mogelijk te maken. Ook komt uit dit onderzoek naar voren dat veel bedrijven zijn geïnteresseerd in samenwerking met de universiteit. Het is echter de vraag of de universiteiten wel het juiste aanbod hebben om de vragen uit het bedrijfsleven te beantwoorden. Uit het onderzoek van Gooren en Korsten, en in mindere mate uit
aanwezig zijn om dit soort vragen te beantwoorden. Toch ziet Weeda wel problemen om vragen te kunnen plaatsen. Veel mensen denken nog ouderwets over de wijze van wetenschap bedrijven, waarbij men zich richt op fundamenteel onderzoek en geen ruimte is voor toepassingsgericht werk. Volgens Weeda is het echter zo dat de hoogleraren, die in de top tien van de kwaliteitsparade hoog scoren, allemaal mensen zijn die veel contacten met bedrijven hebben en in landelijke organen zitting hebben. Vakgroepen en instituten doen er h u n voordeel mee op- wetenschappelijk gebied als medewerkers veel contacten hebben met de „buitenwereld". Contractresearch is daarom niet alleen interessant vanwege het
Ritssluiting Voor het goed functioneren van een transferpunt moet de vraag n a a r kennis en het aanbod eerst in kaart gebracht worden. Transferpuntmedewerker Weeda richt zich in eerste instantie op de aanbodkant, hij heeft al zo'n 30 gesprekken gevoerd met mensen van de verschillende faculteiten en zijn indruk is dat er heel wat mogelijkheden liggen voor het sluiten van contracten tussen de VU en bedrijven. Zijn twee collega's a a n de UvA, afkomstig uit het bedrijfsleven, houden zich in de beginfase bezig met de inventarisatie van de vragen, die bij het bedrijfsleven liggen te wachten op een wetenschappelijk antwoord. Het transferpunt Amsterdam, zoals het samenwerkingsverband is gedoopt, richt zich vooral op de zogenaamde tweede lijn. Hiermee wordt bedoeld vragen waar een bredere, voor een gehele branche van belang zijnde, problematiek achter schuil gaat en waar de universiteit een substantiële bijdrage kan leveren aan de oplossing. De eerste lijn betreft vragen waarop een direct antwoord mogelijk is, zoals: „Wat doe ik met 10 vaten chemisch afval. Voor beantwoording van dergelijke vragen kan men al bij vele instanties terecht. Bovendien beschikt de universiteit veelal niet over deze specifieke kennis. Weeda noemt als voorbeeld van een tweede-lijnsvraag het probleem van de Amsterdamse ontwerpster die op het idee kwam dat schoenen ook met een ritssluiting open en dicht kunnen. Helaas bleek geen schoenfabrikant geïnteresseerd en er werden slechts 600 exclusieve modellen vervaardigd, maar tot verbazing van de ontwerpster liep in de zomer van 1982 half Nederland op schoenen met een rits. Voor deze massatoepassing van haar idee heeft ze helaas nog nooit een cent ontvangen. Het achterliggende probleem, waar een transferpunt op in kan spelen, is hierbij de bescherming van een ontwerp, zodat niet anderen en, volgens Weeda, meestal fabrieken in het Verre Oosten de winst opstrijken die zij n u juist zo goed kon gebruiken. Oplossing van het probleem, betere bescherming van ontwerpen, zou een grotere groep ten goede komen en niet alleen de Amsterdamse ontwerpster, die n u wellicht op h a a r zolderkamer een nieuwe schoen moet bedenken om alsnog rijk te worden.
Ernst Weeda (Foto AVC/VU) het Amsterdamse onderzoek, blijkt dat veel vragen technisch van aard zijn. De technische mogelijkheden van een universiteit zijn zelfs voor 51 % van de bedrijven de grootste stimulans om samenwerking met een iiniversiteit te zoeken. Gooren en Korsten merken op dat de meeste vragen betrekking hebben op „troubleshooting", het opsporen van fouten in installaties of processen, die doorgaans snel te vinden zijn. Slechts één derde van de vragen resulteert in een onderzoek van drie mensmaanden of langer. Het oorspronkelijke doel van transferpunten, succesvolle innovaties werd slechts in enkele gevallen bereikt.
Niet alleen geld Weeda betwijfelt of het merendeel van de vragen technologisch van aard zal zijn, er wordt een actieve acquisitie verricht en niet alleen bij bedrijven. Het transferp u n t wil zich ook richten op nonprofit organisaties, waar de problemen toch meestal niet zo technisch zullen zijn als bij bedrijven. Verder is het niet de bedoeling om alleen stafleden in te schakelen, in principe kan iedereen op de universiteit contractresearch verrichten. Voor technische vragen wordt ook gedacht aan de verschillende werkplaatsen waar veel kennis en mogelijkheden
geld. Ook de terugkoppeling met de praktijk komt het (fundamentele) onderzoek ten goede. Op de faculteiten, waar de transferpuntmedewerker ondertussen op bezoek is geweest, viel het hem op dat er aan de VU al veel derde geldstroom onderzoek plaatsvindt. Het is niet zijn bedoeling om hier invloed op te gaan krijgen. De contacten die onderzoekers op dit moment zelf hebben blijven buiten de bemoeienis van het tranf erpunt en ook in de toekomst blijven medewerkers vrij om zelf de boer op te gaan om geld te krijgen voor h u n onderzoek.
Goedkoop Het transferpunt zal een eenvoudig tarievenstelsel gaan hanteren. Vergeleken met TNO is het tranferpunt wel goedkoop. Een dag onderzoek door een TNO-medewerk(st)er kost minstens 1000 gulden. Weeda zegt dat dit via zijn bureau minder dan de helft zal gaan kosten. Toch zijn dit reële prijzen. Men is door de minister verplicht om bij contractresearch de werkelijke kosten in rekening te brengen. Er mag namelijk geen concurrentievervalsing gaan optreden. Dat betekent geen aanbiedingen en geen voorjaarsopruiming van met opheffing bedreigde groepen. Onderzoek dat via het transferp u n t binnenkomt moet passen binnen het onderwijs- en onderzoeksprogramma van de desbetreffende vakgroep. De wetenschapswinkel, die kennisbemiddeling verzorgt voor (kans)arme groepen in de samenleving, werkt met ditzelfde criterium. Volgens Ingrid Riphagen moeten wetenschapswinkel en transferpunten vechten om dezelfde marge in de programma's van vakgroepen. Bestaat er dan geen gevaar voor het bevoordelen van de „particuliere patiënten" boven die van het „ziekenfonds"? Ernst Weeda: „Wetenschapswinkels komen voort uit de ideeën van de jaren '60. Werken voor een winkel betekent Tuezen voor een ideologie. Het is iets dat je eigenlijk vrijwillig zou willen doen. Het is wel zo dat er ruimte voor dat soort werk moet zijn, maar het transferpunt past meer in de trend van deze tijd." Ingrid Riphagen verwacht wel concurrentie tussen wetenschapswinkel en tranferpunt. Beiden zijn van mening dat een goede samenwerking noodzakelijk en mogelijk is. Riphagen ziet wel iets in het Leidse systeem, waarbij de inkomsten uit contractonderzoek ten goede komen aan alle vormen van dienstverlenend onderzoek, dus ook het wetenschapswinkelwerk. Een moeilijk p u n t is wel wie er terechtkomt bij de wetenschapswinkel en wie zich moet melden bij het transferpunt. Er bestaat een grote grijse sone tussen beide bemiddelingsbureaus. Ta bemiddelt de wetenschapswinkel wel voor een kleinschalig ideëel MEMO-bedriJfje, m a a r zodra dit winst begint te maken, moet dit dan verwezen worden n a a r het transferpunt? Anderen vinden wellicht dat het FNV genoeg geld heeft om voor haar onderzoek te kunnen betalen. Het is mogelijk dat voor een zelfde probleem de directie van een bedrijf aanklopt bij het transferp u n t en de ondernemingsraad bij de wetenschapswinkel. Er is dan grote kans dat beide vragen bij dezelfde onderzoeksgroep terechtkomen. Wat er dan moet gebeuren weten de bemiddelaars nog niet.
Advertentie De redaktie van Ad Val vas zoekt ter aanvulling van haar team op korte termijn een free lance
journalistieke medewerlc(st)er Taak: Regelmatig leveren van bijdragen t.b.v. de universitaire nieuwsvoorziening (verslaggeving, interviews, rubrieken, etc). De redaktie vraagt: Een journalistieke pen (gevoel voor nieuws, heldere, bondige schrijfstijl) en betrokkenheid bij het universitaire gebeuren, met name op de VU. De journalistieke medewerk(st)er zal algemeen inzetbaar moeten zijn. De journalistieke medewerk(st)er zal minimaal een jaar beschikbaar moeten zijn. Voor zijn/haar bijdrage(n) ligt een redelijke vergoeding in het verschiet. _ Geïnteresseerd? Sollicitaties zenden naar: Vrije Universiteit, redaktie Ad Valvas (kamer O D - 0 1 , hoofdgebouw), postbus 7161,1007 MC Amsterdam. Nadere informatie? Bel tel. (548)6930.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1983
Ad Valvas | 510 Pagina's