Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 384

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 384

8 minuten leestijd

AD VALVAS — 15 MAART 1985

16

Mijn eerste wetenschappelijke ontdekking Mij hebben ze nooit verteld, waar de kleine kindertjes vandaan komen. Of liever: waarom twee lieden van beiderlei kunne getrouwd moeten zijn, eer er kijk op nakroost is. „Later, later," zeiden mijn verzorgers steeds en zo werd ik jarenlang met een kluitje het hooi ingestuurd. Op een gegeven moment pik je zoiets niet langer en je gaat zelf op onderzoek uit. Ik zag maar één mogelijkheid: de openbare bibliotheek. Ik sloop op een vrije woensdagmiddag de stadsbibliotheek binnen, spoorde de Algemene Leeszaak op en tilde de Winkler Prins uit de kast. Thuis hadden we de Christelijke Encyclopaedie met de onwaarschijnlijkste trefwoorden, maar niets wat een knul van dertien hevig interesseert. Ik begon bij de Q van Geslacht, werkte Geslachtsziekten door; verwijzingen brachten me tot Menstruatie, Embryologie, een hele ris onsmakelijkheden, rijk geïllustreerd met kleurendoorsneden van het urogenitale apparaat en plaatjes van stuitende huidziektes. Maar nergens werd die éne dringende vraag beant-

woord; de encyclopedisten gingen ervan uit dat de lezer de basisfeiten al op straat gehoord had. Maar toch, langzamerhand daagde er iets voor de Jonge Onderzoeker in dit schemerachige rariteitenkabinet en gaandeweg werd het haast ondenkbare zekerheid. Als het zó in elkaar stak (je hield het niet voor mogelijk!), dan begreep ik toch die obscure passages, dan snapte ik ook die moppen, die altijd een brullend gelach opriepen. Dan werd ook de inhoud van het veelvuldige bijbelwoord „een hij ging tot haar in" aan mij geopenbaard.

Het is n u jaren later en ik weet heel zeker, d a t ik toen gelijk had. Achteraf gezien was het een echte wetenschappelijke ontdekking - mijn eerste - gedaan door combineren en deduceren op basis van een hoop lectuur, gevolgd door een mij onsympathieke, maar onvermijdelijke conclusie. Maar ik ontdekte nóg iets: namelijk, dat je ontdekkingen alleen moet doen. Sinds dat moment zijn niet meer voogden, verzorgers, leerkrachten, vormingsleiders, studentenpredikanten of andere goedwillende voorlichters mijn leidslieden, doch boeken, boeken emiög eens boeken.

In eerste instantie was ik perplex, sloeg gechoqueerd de 27 delen WP extra hard dicht en staarde het raam uit. Hoe is 't mogelijk dat je die lichaamsdelen ook daarvoor k u n t gebruiken! Maar de doorsneden logen niet en toonden gedienstig de alternatieve banen, waarlangs de erfdragende vochten gemeenlijk vloeien. Ze kruipen, waar ze haast niet gaan mogen.

En die vind je in een bibliotheek; vooral in een universiteitsbibliotheek, de ubee. Dat is voor my de plaats waar je nog eens wat kunt ontdekken en bij elke quiz in het leven rep ik me naar de wbee met het voornemen „Dat zoeken we op!"

Op bezoek bij Bredero Men hoort wel beweren dat Gerbrand Adriaensz. Bredero begraven ligt in de dikke rode banden waarin zijn werken tegenwoordig zijn uitgegeven. Dat dit pure laster is moge alleen al blijken uit het enthousiasme waarmee Amsterdam zich opmaakt om morgen, 16 maart, de vierhonderdste verjaardag van zijn dichter te vieren. Bredero leeft. Ter gelegenheid van het festijn stond hij ons - iets wat hij niet vaak doet - een interview toe. Toen wij hem telefonisch benaderden toonde hij zich aanvankelijk bescheiden: „Ik ben een eenvoudig Amsterdammer, die slechts een weinig kindschoolfrans in het hoofd rammelde." Daarbij had hij op dat moment met zijn gezondheid te kampen: ,,Verder laat ik u weten dat ik ziek en niet wel te pas ben, vermits ik ongelukkig met de slede door het ijs gebroken ben en tot mijn lendenen in het water gezeten heb, waarop ik - zoals u wel denken moogt dapper verkouden geworden ben, zodat ik noodzakelijk mijn kamer bewaren moet, hetwelk mij een onzegbaar verdriet is." Gezien deze omstandigheid besluiten we hem thuis te gaan opzoeken. Sinds zijn zeventiende jaar woont Bredero aan de Oudezijds Voorburgwal op nummer 244, boven een pannekoekenhuis, vroeger de schoenmakerij van ziJn vader. Nadat we enkele malen vergeefs aan de bel hebben getrokken, zien we hem tot onze verbazing in de verte komen aanwandelen, gezond als een kip. 't K a n verkeren, blijkbaar. Hij excuseert zich dat hij zijn amoureuze correspondentie even op de post moest doen en ziet ons zorgzaam aan, alsof wij niet wel te pas waren. „Drink met mij een roemer wijn," zegt hy joviaal terwijl hij de deur opent en ons voorgaat, „dat is wel zo goed voor jou." Bredero schenkt twee roemers wijn tot de rand toe vol en vervolgt: ,,Laat ons beginnen te drinken en te spreken. Waarover zullen wij het hebben?"

Bredero neemt het niet te zwaar op: „Wij hebben binnen ons zo veel te herstellen en verschikken, dat wij niet eens buiten ons zelf behoeven te treden om werk te vinden.

vermits in ieders tuin genoeg te doen valt. Maar wat gebeurt er? Een ieder ziet n a a r buiten en niemand ziet in." We lachen gemoedelijk om de woordspe-

ling en terwijl Bredero ons nog eens inschenkt, reciteert hij: „Het rechte recht al van de kan/is drinket uit en knopet an." Terwijl hij zichzelf een kluizenaar noemt, heeft hij toch de naam een losbol te zijn. Tal van letterkundigen hebben zijn liefdesleven bestudeerd en hebben hem wel een „meisjesgek" genoemd. Gaan uw amoureuze avonturen niet ten koste van uw letterkundige arbeid? „Ik ben niet van zin u hier de bijzonderheden daarvan te vertellen, maar wel wil ik u vrijmoedig belijden, dat ik van kindsbeen af boven alle andere zoete tijdsbestedingen de lieflijke poëzie heb verkozen en overal zulke gezellen gezocht en bemind heb, die mij hierin gelijk waren, om in plaats van andere ongeoorloof dheden met hen te verkeren." Eén van die gesellen was P. C. Hooft. Naar hem werd een literaire prijs vernoemd, die minister Brinkman weigerde toe te kennen aan een schrijver die sich bedient van pseudoniem,en als Stoker en Eter. Wat is uw mening daarover? Bredero slaakt enkele krachttermen die doen vermoeden dat Brinkman van geluk mag spreken dat de prijs niet n a a r hem vernoemd werd. Hij besluit: „Voorts waarschuw ik al onze verachters ons scherpe Etertje niet al te hard a a n te tasten, of het zou h u n opgeblazen kikkerogen en houten baviaansbakkesen flink open schrabben." Ook aan uw eigen werk wordt wel aanstoot genomen. Voert uw uw realisme bijvoorbeeld in uw toneelstuk De Spaanschen Brabander niet wat al te ver door? „Al ziet men de lui, men kent ze niet," mompelt de dichter beledigd. Hij schenkt zichzelf nog eens in en antwoordt: „Ik was gezien de voorgenomen inhoud genoodzaakt twee lichte vrouwen te laten spreken. Nadat ik de moeilijkheid had overdacht, vond ik niets beters dan ze ook van haar nering te laten spreken. Zoals te vermoeden valt, doorzoeken ze de Schrift niet al te kieskeurig en scherpzinnig en bemoeien ze zich meer met vleselijke dingen dan dat ze met bovennatuurlijk verstand landen en lieden in de waagschaal stellen. Is haar, geilheid wat ongebreideld en gewaagd, de Grieken en de Latijnen hebben het ons met veel genoegen voorgedaan."

Mijnheer Bredero, wij sien dat u nogal smal behuisd bent. Past dit wel bij een levensgenieter als u? De dichter noemt zichzelf liever een kluizenaar, die meestal in zijn stille en afgezonderde kluisje zit. „Maar," zegt hij, ,,merk op, als in het groene en ruime gras de kleurtjes uit de kooien komen, hoe ze huppelen en springen." In het „kluisje" werden tal van werken geschapen, die zonder uitzondering klassiek mogen heten.

Maar doen de keuse van de personages en de woordkeus niet een sekerheid losheid bij de schrijver self vermoeden? Gerbrand Adriaensz. Bredero, met wie wij toch zo een genoeglijk onderhoud hadden, kijkt ons vertoornd a a n en zegt met klem: „Denk o Adams kind, dat wij al tesamen Adams kinderen zijn, die nog dagelijks de verboden vruchten eten en smaken." Zijn blik wijst n u naar de deur: „Hiermede beveel ik Uw Edele a a n in Gods hoede." Zodra wij op de stoep staan maken wij aantekening van de wisselvalligheid van Bredero's stemming en vragen ons af of die soms - evenals zijn gezondheid - in verband moet worden gebracht met zijn lijfspreuk, 't kan verkeren.

Welk doel tracht u met uw letterkundige arbeid te dienen? „Ik stel u de misbruiken van deze laatste en verdorven wereld naakt en schilderachtig voor ogen, de gebrekkigheid van onze tijd en van de kerk en de fouten van de gewone man die op straat liggen, maar daarbij heb ik mijn eigen zwakheden niet vergeten." U gaat dus in op actuele kwesties. Wat is bijvoorbeeld uw mening over een verschijnsel als de werkloosheid?

BRACCHUS

J.d.K.

Huise Bredero (Foto Bram de Hollander)

Advertentie

Galgala

KUPEBUS/BV

Na IS H e r EEKJ gl-jZ-OMOER,

D E PROF Grmr NiJ Z^hl ARTIKEL ?^C>-F\LS1ZEN.

WETEN^cH^PPEi-jK flRriKEL

X>lT IS EEN EW0OM WETENroH^PPEi-aK,

AUTOVERHUUR V. d. Madeweg 1, Amsterdam, telefoon 924755 naast metrostation Duivendrectit Middenweg 175, Amsterdam, telefoon 938790 STUDENTEN 20% KORTING

^

^

^

^

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 384

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's