Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 247
AD VALVAS — 11 JANUAR11985
7
Twaalf VU-andragologen presenteren boek met dwarsdoorsnee van hun vak
„De opheffing van andragologie is en rare gewaarwording'' Zullen er over pakweg tien jaar nog wel eens mensen stilstaan bij het feit dat er ooit een universitaire studierichting bestaan heeft die andragologie heette? Als het vak niet helemaal in de vergetelheid is geraakt, zal men er dan op terugblikken als een typisch tijdsgebonden, modieus vak dat in de jaren zestig en zeventig een korte bloei doormaakte en vervolgens noodzakelijkerwijs moest afsterven? Of zal men erkennen dat het werk van de andragologie misschien onder een andere naam en in andere vormen een voortzetting heeft gekregen? Stel dat men vanuit een historisch bewustzijn of een inhoudelijke interesse, een dwarsdoorsnede zou willen krijgen waar de andragologie zich mee bezig hield, dan zou men eventueel een boek kunnen raadplegen dat heet: „Ontdekkingsreis door het agogisch labyrint" (VU-uitgeverij); een boek dat in 1984 verscheen en waar een twaalftal VU-andragologen artikelen in schreven. „Wat met andragologie gebeurd is, is symptomatisch voor het welzijnswerk: er zijn zeer machtige externe factoren werkzaam die een afknotting tot gevolg hebben. Eigenlijk kun je spreken van een maximale amputatie waarbij de beentjes, de armpjes worden verwijderd en er alleen een rompje overblijft." In zeer plastische bewoordingen stelt prof. P. Kraemer de diagnose van zijn vak andragologie. We zitten in theater De Stalhouderij waar de presentatie van „Ontdekkingsreis door het agogisch labyrint" plaatsvindt. De naam van het theatertje mag geen overdrijving genoemd worden. Een poppenvoorstelling voor een kleine groep kinderen variërend in leeftijd van drie tot zeven is er misschien nog acceptabel in, op een groep van bijna 50 andragologen (in spé) is het zaaltje duidelijk niet berekend.
KoosNeuvel bewijs van levenswil, een wil om door te gaan. Misschien kan de minimale basis waarop andragologie blijft bestaan, in de toekomst wanneer er weer wat betere tijden aanbreken, functioneren als een bruggehoofd waarmee een verdere uitbouw tot stand gebracht kan worden." Andragologie is een vrij kleine studie-richting met een instroom van studenten die al jaren schommelt rond de twintig, en met 14 wetenschappers die zo'n 8 formatieplaatsen vullen. Al die wetenschappers zijn samen met „sociale pedagogiek" in één vakgroep ondergebracht. Voor wie zich bij het horen van het woord andragologie geen enkele concrete voorstelling kan maken: het vak houdt zich bezig met de socia-
Prof. Kraemer overhandigt drs. Noorda (CvB) een exemplaar van het hoek van de andragologen. (Foto Bram de Hollander) De overhandiging van het eerste exemplaar van het boek vindt plaats aan het lid van het College van Bestuur, drs S. Noorda. Deze geeft te kennen dat het CvB niet bij de presentatie van ieder „VUboek" aanwezig kan zijn, maar dat men in dit geval graag een uitzondering heeft willen maken. Schuldgevoel? Al voordat landelijk besloten werd dat andragologie afgebouwd moest worden, was het CvB al tot die stellingname gekomen. Een diepgewortelde rancune tegen deze houding van het CvB is, althans op deze middag, onder de andragologen niet waarneembaar. Uit de woorden van professor Kraemer klinkt zelfs af en toe een voorzichtig optimisme door: „Dit boek is een product van volwassenheid, een
lisatie van volwassenen, zoals de pedagogiek zich bezig houdt met de socialisatie van kinderen, in welzijnswerk, vormingswerk, volwasseneneducatie e.d.
Onzekerheid „Sommigen zeggen dat de opheffing van andragologie deels te wijten is aan de naamgeving. Toen ik afstudeerde vroeg mijn moeder nog de dag ervoor wat ik nu eigenlijk gestudeerd had, dat kon ze niet goed onthouden," zegt Jan Nauta. Mieke Lunenberg vult aan: „In het buitenland is echter ook altijd aandacht besteed aan het vakgebied, alleen dan onder andere namen. Die naamgeving hebben we met ons meegesleept." Beiden zijn wetenschappelijk me-
Het theatertje „De Stalhouderij" was duidelijk niet berekend op de komst van circa 50 VU-andragologen (in spé) die getuige waren van de presentatie van de vakbundel. (Foto Bram de Hollander) dewerker en ze hebben de redactie gevoerd over de bundel „Ontdekkingsreis in het agogisch labyrint". Een dag voor de presentatie van het boek spraken we over oorzaken en consequenties van de opheffing van andragologie en over de reden om tot een gezamenlijk boek te komen. Van de bestaande acht formatieplaatsen zullen er twee overblijven, wat voor het personeel grote onzekerheid over hun toekomst teweeg brengt: „Die reorganisatieprocessen zijn slopend. Het enige wat al een paar jaar vaststaat dat zijn die twee formatieplaatsen die in 1988 overgebleven zullen zijn, voor de rest weet je niet waar je aan toe bent. Dat betekent dat je niet weet of je nog een onderzoek kunt starten. Als je dienstbaar onderzoek wilt doen, moet de praktijk op je kunnen rekenen; dan moet je afspraken maken en een rapport kunnen afleveren." „Daar komt nog bij dat er de afgelopen jaren al bezuinigd is op formatie, terwijl we al met een vrij kleine staf zitten. We hebben al twee keer nieuwe onderwijsprogramma's gemaakt die het volgende jaar al niet meer op het programma stonden. Ook dat is slopend. Als je je onderwijs serieus neemt, is de voorbereiding een zeer intensieve aangelegenheid en je ziet dan hoe het onder je handen weer wordt afgebroken." Niettemin hebben de andragologen zich niet mokkend willen terugtrekken in een hoekje. Juist die onzekerheid is volgens Jan Nauta en Mieke Lunenberg één van de redenen geweest voor het starten van een gezamenlijk project: „Je kunt helemaal lamgelegd worden door reorganisatieperikelen waarbij iedereen nadenkt over zijn individuele belangen. Er ontstaat gemakkelijk een situatie waarbij mensen tegen elkaar uitgespeeld worden, dat er onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die nog wel en mensen die geen perspectief hebben. Zo'n gemeenschappelijk project brengt toch een bepaalde eenheid. Je discussieert ook weer eens over wat andere dingen dan alleen maar over die reorganisatie." De bundel bevat artikelen van uiteenlopende aard: vormingswerk, een geschiedenis van bestaansredenen voor het buurthuiswerk, alfabetisering in Nicaragua etc. De bundel is vooral een momentopname van datgene waar andragologen mee bezig zijn. Ondanks de uiteenlopendheid van de behandelde terreinen, zijn er bepaalde thematieken die in de meeste verhalen aanwezig zijn. Dat geldt met name voor de rol van de deskundige, de betaalde
professionele kracht versus de vrijwillige zorg. Het gaat hier vooral om een debat met de opvattingen van Hans Achterhuis zoals die neergelegd zijn in zijn in 1979 verschenen boek „De markt van welzijn en geluk". Eén van zijn hoofdstellingen in zijn zeer invloedrijke boek was dat het welzijnswerk onwelzijn produceert, dat het een nieuwe afhankelijkheid creëert van de betaalde professionele kracht. Als mogelijk alternatief voor dit welzijnswerk wijst Achterhuis onder meer op de onbetaalde feministische zelfhulp zoals die gepractizeerd wordt in Blijf van mijn lijfhuizen. Die liefde van Achterhuis voor het feministisch alternatief is niet wederzijds. In scherpe bewoordingen becritiseert Mia Euverman, docente vrouwenstudies, de conceptie dat vrouwelijke kwaliteiten het beste tot hun recht komen in een onbetaalde setting: „Ik denk dat we wat dit laatste betreft te maken hebben met een van de bekende uitsluitingsmechanismen: verhef de feministen tot madonna's (kijk eens hoe goed deze vrouwen haar verantwoordelijkheid voor de zorg oppakken), waardeer de kwaUteiten die zij inzetten in morele en normale termen zodat ze bijgevolg uitgesloten kunnen worden van de politiek-economische realiteit." Dat de opheffing van andragologie iets te maken heeft met de kritiek zoals die aangezwengeld is door Achterhuis, wordt bevestigd door Mieke Lunenberg en Jan Nauta: „Het kwam het beleid goed uit. We verwijten Achterhuis hierin toch een soort naïviteit, dat heeft hij trouwens zelf ook toegegeven. Het bevestigde het beeld van de zachte sector, van mensen die voor veel geld maar wat aanrommelen. Je kunt ook zien dat er bepaalde raakvlakken zijn tussen de radicale en conservatieve kritiek op de verzorgingsstaat en welzijnswerk. Het idee van „self-reliance", het idee dat mensen het zelf moeten doen, is zowel bij rechts als bij links aanwezig, alleen vanuit andere motivaties. Er wordt zo wel een veld gecreëerd waarbij allerlei voorzieningen zomaar kunnen verdwijnen. We zijn de afgelopen jaren bezig geweest een speld tussen dit monsterverbond te krijgen, maar politiek ligt die coalitie er nog altijd."
Betutteüng Dat het gebruik van de kritiek uit de hand is gelopen betekent nog niet dat Achterhuis zelf alleen maar onzin verkocht heeft: „Hij wijst terecht op het misbruik van deskundigheid en op de pretenties die op een gegeven moment in
het welzijnswerk bestaan hebben. In de jaren vijftig en zestig was het beter weten en het betuttelen duidelijk aan de orde. Hij vestigt ook terecht de aandacht op gevaarlijke elementen die in een hulpverleningsrelatie zitten waarbij iemand die hulp vraagt wordt overgeleverd aan een deskundige die alles wel even voor hem regelt. Je komt dan bij essentiële vragen als: op welke grond mag je überhaupt iemand helpen en wie legitimeert jouw ingrijpen in het leven van een ander persoon. Deze elementen waren sterk in discussie toen Achterhuis dat boek schreef. Je kunt heel eenzijdig de lijn van de jaren vijftig doortrekken en de betutteling naar voren halen, maar je kunt ook het accent leggen op de vraag hoe er over die specifieke deskundigheid gediscussieerd wordt." Jan Nauta en Mieke Lunenberg stellen een meer genuanceerde wijze van kijken voor, die wel de kritiek op het welzijnswerk in zich opneemt: „Je moet gaan onderzoeken wat je maatschappelijk aan voorzieningen toch nodig hebt en door wie die voorzieningen bemand moeten worden. Dat hoeven niet altijd zwaar betaalde beroepskrachten te zijn die enorm doorgespecialiseerd zijn. Het hangt ook samen met wat mensen zelf aan maatschappelijke verantwoordelijkheid toebedeeld kunnen krijgen; in het CDA wordt hierover gediscussieerd onder de noemer van de zorgzame samenleving. Wat momenteel echter plaatsvindt is dat vrijwilligersorganisaties hoogst gekwalificeerde krachten vragen die wel dertig uur per week beschikbaar moeten zjjn en dat steeds meer beroepskrachten vervangen worden door evengoed gekwalificeerde vrijwilligers. Er wordt dan geargumenteerd dat die betaalde kracht niet nodig is, maar ondertussen gebeurt het werk gewoon wel. Dat zijn ontwikkelingen waarbij je vraagtekens kunt plaatsen." Het ziet er echter naar uit dat het wetenschappelijk onderzoek naar dergelijke ontwikkelingen niet meer zal plaatsvinden. De opheffing van andragologie betekent ook dat een kwalificatie nietig wordt verklaard, wat de kansen van afgestudeerden op de arbeidsmarkt niet zal vergroten. Met de erkenning van deze waarschijnlijkheden toont Jan Nauta aan dat je de zaak ook nog op een iets andere wijze kunt benaderen: „Dat andragologie wordt opgeheven is een rare gewaarwording. Ik ben zo cynisch om te zeggen: het vak is dan zo bijzonder geworden dat iedereen er naar vraagt, net zoals dat gebeurt bij zeldzame postzegels en bij wijn uit bepaalde jaren. Ik ben daar niet pessimistisch over."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's