Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 71

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 71

8 minuten leestijd

AD VALVAS — 14 SEPTEMBER 1984

KATERN — 5

Tabel VIII Percentage deeltijdniedewerk(st)ers en gemiddelde werktijdsfactor VU-medewerkers in 1979 en 1981 t / m 1983 (excl. stud.ass.).

Onderwerp Jaar

Percentage deeltijdmedew. gemiddelde werktijdsfactor 1979

1981

1982

1983

1979

1981

1982

1983

Categorie WP mannen W P vrouwen

22 42

24 50

27 53

28 58

0.88 0.77

0.87 0.75

0.85 0.73

0.85 0.70

W P Totaal

25

28

31

33

0.87

0.85

0.84

0.83

TAS m a n n e n TAS vrouwen

13 51

15 62

18 66

20 66

0.92 0.80

0.91 0.75

0.91 0.74

0.90 0.73

TAS Totaal Totaal Generaal

29 27

35 31

38 34

39 36

0.88 0.87

0.84 0.85

0.84 0.84

0.83 0.83

5.7 Voorziening werkgelegenheid voor jongeren

5.8 Leeftijdsgrens hoogleraren en benoemde leden C.v.B.

Per 1 mei 1983 is de regeling van kracht, die gericht is op het ontwikkelen van plaatsingsmogelijkheden voor werkloze jongeren, teneinde zinvolle werkervaring op te doen. Het gaat hierbij om twee groepen jongeren: 1. werkloze schoolverlaters in de leeftijd van 18 tot 23 jaar, die nog geen voor h u n opleiding relevante werkervaring hebben opgedaan; 2. werkloze pas-afgestudeerden op universitair- en H.B.O.-niveau, jonger dan 30 jaar, die nog geen voor h u n opleiding relevante werkervaring hebben opgedaan.

Met ingang van 16 juli 1983 is van kracht geworden de wet „houdende afschaffing van de bijzondere functionele leeftijdsgrens van hoogleraren, lectoren en leden van colleges van bestuur van de universiteiten en hogescholen en van de besturen van de academische ziekenhuizen". De inhoud van deze wet komt kort gezegd hierop neer: - voor hoogleraren wordt de functionele leeftijdsgrens - dat wil zeggen de leeftijd waarop men met pensioen gaat - teruggebracht van 70 n a a r 65 jaar; - met ingang van 1 augustus 1984 zal aan de zittende hoogleraren, die de 65-jarige leeftijd hebben bereikt of per die datum bereiken eervol ontslag worden verleend; - aan de hoogleraren, die benoemd zijn vóór 4 september 1982 (datum indiening wetsontwerp) en op het moment waarop zij de 65-jarige leeftijd bereiken nog geen 25 voor de berekening van het overheidspensioen geldige diensttijd hebben, zal op h u n verzoek - het ontslag in beginsel eerst worden verleend op het moment dat zij deze 25 dienstjaren hebben opgebouwd. In ieder geval wordt eervol ontslag verleend bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd. Zo'n verzoek is door 22 hoogleraren ingediend.

De werkloze jongeren kunnen op vrijwillige basis voor ten hoogste een jaar te werk worden gesteld. Zij behouden hierbij h u n uitkering. Slechts additionele werkzaamheden kunnen in het kader van de regeling als project worden aangeboden. Dit betekent dat: - het geen structurele werkzaamheden mogen betreffen waarvoor binnen de vastgestelde en toegewezen formatie ruimte is; - het aantrekken van werkloze jongeren niet mag leiden tot afstoting of verschuiving van taken van personeel dat reeds in dienst is; - het niet mag leiden tot verstoring van concurrentieverhoudingen. Het additionele karakter maakt het verwerven van geschikte projecten moeilijk. Voor 1983 werd gestreefd naar een tewerkstelling van ongeveer 25 jongeren. Eind 1983 waren 7 personen geplaatst. De stand van zaken medio 1984 is als volgt: Bij de Regionale Toetsingscommissie voor Amsterdam (R.T.C.), waarin onder andere zitting hebben vertegenwoordigers van de werkgevers, werknemers, gemeenten, GAB en belangenorganisaties voor uitkeringsgerechtigden, zijn 53 projecten ingediend: 29 zijn er goedgekeurd (13 voor WP-personeel, 16 voor TAS-personeel), 24 afgekeurd (10 voor WP-personeel, 14 voor TAS-personeel), terwijl 4 projecten nog in behandeling zijn. Vijf projecten zyn WVM-projecten (WVM = Werkverruimende maatregelen) geworden. Het vinden van geschikte projecten blijkt in de praktijk voor academici (met name WP) eenvoudiger te zijn dan voor werkloze schoolverlaters. Academici kunnen veelal werkzaamheden verrichten in het kader van een bepaald onderzoek dat binnen de VU wordt verricht. Als eis wordt gesteld dat de richting en inhoud van het onderzoek niet door hen beïnvloed mag worden. Bestaande projecten die in dit verband kunnen worden genoemd zijn onder meer het verwerken van de uitslagen van enquête-onderzoeken, alsmede het verrichten van voor-onderzoeken ('pilot-studies'). Zowel de werkloze academici als voor de schoolverlaters zijn allerlei voorzieningen zoals ruimte, materiaal, e.d. noodzakelijk teneinde de projecten überhaupt mogelijk te maken. Tot op heden heeft dit geen problemen van betekenis opgeleverd. Daarnaast bestaat sinds 1979 de regeling gastvrijheidverlening. Hierbij gaat het om het verlenen van toestemming aan personen om anders dan ingevolge een arbeidsovereenkomst met de V.U. werkzaamheden te verrichten binnen de V.U. (bijvoorbeeld afronding van een proefschrift). In 1983 is 26 keer toestemming verleend. Hoewel personen aan wie gastvrijheid wordt verleend in het algemeen ook werkloos zijn, is de regeling Voorziening Werkgelegenheid voor Jongeren niet op hen van toepassing. Deze blijft beperkt tot jeugdige werklozen zonder werkervaring.

6. Personeelsbudget In 1983 bedroeg de omvang ven het personeelsbudget Mf. 237,1. In totaal werd er Mf. 235.3 besteed, terwijl Mf. 1,0 werd gereserveerd ten behoeve van het Sociaal Fonds TVC van de VU, zodat er een overschot was van Mf. 0,8. De faculteiten, die niet al h u n formatieruimte van 1983 hebben verbruikt, mogen hiervan tot een bedrag van Mf. 1,9 in 1984 besteden, zodat er feitelijk sprake is van een tekort van Mf. 1,1. Ieder jaar neemt de gemiddelde personeelslast (g.p.1.) per bezette formatieplaats toe, met name als gevolg van bevorderingen en periodieke verhogingen. Een verlaging van de g.p.1. door het vertrek van ouder personeel en de instroom van jonger, lager ingeschaald personeel, weegt niet op tegen deze verhogingen. De verandering van de g.p.1. wordt incidentele looncomponent (i.l.c.) genoemd. Eén consequentie van het hebben van verhoudingsgewijs jonge medewerk(st)ers, zoals de leeftijdsopbouw vna de VUmedewerk(st)ers kan worden getypeerd, is een relatief hoge i.l.c, ook in de toekomst. Universiteiten met relatief oude medewerk(st)ers zullen h u n i.l.c. immers minder zien stijgen dan .jonge" universiteiten, omdat veel medewerk(st)ers reeds zijn gesalarieerd in de maximaal haalbae schaal c.q. op de hoogste periodiek. In 1983 bedroeg de i.l.c. 1 procent, een jaar daarvoor constateerde men nog een i.l.c. van 1.5 procent. Het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen financierde in 1983 de instelling op basis van een stijging van de g.p.1. van slechts 0.6. Vergeleken met 1982 is de i.l.c. in 1983 0.5 procent minder gestegen. Een gedeeltelijke verklaring hiervoor is: a. toename van het aantal wetenschappelijke assistenten, dat wil zeggen jonge academici die lager worden ingeschaald dan degenen die vertrekken; b. bevriezing van salarissen w.h.m.'s die een bepaalde salarisanciënniteit bereiken. Bij het beheer van het personeelsbudget kan een keuze worden gemaakt tussen een toewijzing aan de faculteiten/diensten in formatieplaatsen dan wel in geld. Bij de VU wordt ieder jaar aan de facultaire budgethouders en centrale diensten een aantal formatieplaatsen toegewezen. Dit betekent

dat slechts één van de twee factoren die de totale personele kosten bepalen (hoeveelheid en prijs) expUciet als middelen wordt toegewezen. Als er sprake is van aanzienlijke verschillen in gemiddelde personeelslast binnen een cluster, kunnen onbillijkheden tussen budgethouders optreden. Bovendien ontbreekt in dit systeem een financiële stimulans om een zorgvuldige afweging te maken met betrekking tot de vraag of het werk niet beter door meer mensen met een lagere gemiddelde personeelslast kan worden gedaan. Er is dus geen volledige financieel-economische koppeling in het huidige systeem aanwezig. De tweede kosten-bepalende factor, namelijk de prijs, zou beter bewaakt kunnen worden wanneer de faculteiten en diensten jaarlijks een hoeveelheid geld ter beschikking wordt gesteld. Voor de bewaking van de besteding per eenheid (en in totaal) zouden dan mogelijk slechts de uitgaven in guldens behoeven te worden bewaakt. Een vergelijkbare methode is de toewijzing van een aantal punten (waarbij één p u n t staat voor een som geld) aan een faculteit of dienst. De mogelijkheden en moeilijkheden van deze laatste methode zijn in 1983 geanalyseerd. Op grond van deze analyse is besloten om in 1984 met een beperkt aantal faculteiten, gespreid over verschillende clusters, een exercitie uit te voeren met een toewijzing en derhalve een bestedingsbewaking in punten. Na verkenning van de wensen van de faculteiten omtrent h u n voorkeur voor toewijzing in plaatsen of punten, is gekozen voor de (sub/inter)faculteiten Letteren, Scheikunde, CIF en IFLO. Na de proefperiode zal worden bekeken of het aantal „proef-faculteiten" kan worden uitgebreid.

7. Emancipatiebeleid De Emancipatiecommissie stelde in juni 1983 een werkplan op voor 1983/1984, dat door het C.v.B. werd goedgekeurd en door de UR werd vastgesteld. De commissie heeft drie subcommissies, die zich bezighouden op het terrein van de werksituatie, vrouwenstudies en studieloopbaan. De subcommissie werksituatie besteedde in 1983 onder meer aandacht aan: - de ondersteuning van de begeleidingscommissie Onderzoek Werksituatie/Werkbeleving van TAS-vrouwen. In de zomer van 1984 zal het onderzoek worden afgerond. - de ondersteuning van de begeleidingscommissie Onderzoek Stage Vorming en Opleiding TAS-vrouwen. Het onderzoek is inmiddels in februari 1984 afgerond. - de universitaire discussie over arbeidstijdverkorting. - de totstandkoming van een profielschets en een sollicitatieprocedure voor de benoeming van een emancipatiemedewerkster. - de ontwikkelingen bij het kinderdagverblijf 't Olifantje. De subcommissie vrouwenstudies hield zich in 1983 onder andere met de volgende zaken bezig: - het leveren van een bijdrage aan de per 1 september 1982 tot stand gekomen pool vrouwenstudies. Op basis van deze onderzoekpool - die vijf formatieplaatsen voor 2' a 4 jaar bevat - zijn de plaatsen verdeeld over de volgende acht (sub)faculteiten: Godgeleerdheid, Geneeskunde, Wiskunde- en Natuurwetenschappen, Politicologie, Pedagogiek/Andragogiek, Geschiedenis, Sociale Geografie en Culturele Antropologie/Niet-Westerse Sociologie. Er is een contactgroep Vrouwenstudies gevormd. - het inventariseren van de mogelijkheden voor publicaties van scripties e.d. op het gebied van vrouwenstudies aan de VU. - het opstellen van een inventarisatie vrouwenstudies en vrouwengroepen aan de VU, in samenwerking met het Vormingscentrum van de VU. Deze inventarisatie kwam in april gereed en werd op ruime schaal verspreid, in en buiten de VU. - het verlenen van financiële steun aan UvA/VU E.V.A. - het organiseren van een themadag derde wereld - vrouwen-literatuur in samenwerking met de Novib. Deze dag zal plaatsvinden op 4 oktober 1984, aan de VU.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 71

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's