Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 231
3
AD VALVAS — 14 DECEMBER 1984
Faculteit neemt zelf initiatief tot taakaanpassing
Voorwaardelijke financiering drukt op kwaliteit onderwijs bij Rechten De taakverdelingsoperatie heeft bij rechten op de VU tot dusver niet geleid tot ingrijpend snijden in deze subfaculteit. Er moet hier en daar wel wat geld worden opgebracht maar tot inkrimpingen heeft dat niet geleid. Wel is de faculteit op eigen initiatief begonnen met taakaanpassing. Dat vertelt ons beheerder J. van Witteloostuyn, met wie we de situatie bij rechten even doornamen. Rechten is overal in het land een bloeiende faculteit met studentenaantallen die nog steeds groeien. Er kan dus eigenlijk niet bezuinigd worden. Intussen is de minister niet helemaal tevreden over de uitkomst van de doorlichting van de rechtenfaculteiten. Hij heeft een verkenningscommissie van onafhankelijke deskundigen benoemd, die het onderzoek bij alle rechtenfaculteiten in beeld moet gaan brengen. Er wordt als het ware een foto gemaakt van al het bestaande en de plannen voor nieuw onderzoek. Als dat plaatje hem niet bevredigt en de minister bijvoorbeeld ontdekt, dat op sommige plaatsen min of meer hetzelfde wordt gedaan, behoudt hij zich kennelijk het recht voor om toch bepaalde richtingen van faculteiten te sluiten. Niet een hele faculteit maar een richting daarbinnen. Van Witteloostuyn acht het overigens niet waarschijnlijk, dat de v u dan in aanmerking komt. Maar in de toekomst is het niet helemaal uitgesloten, dat de taakverdeling op sommige instellingen toch nog gevolgen gaat krijgen. Een probleem, waarmee rechten op de VU op dit moment nogal worstelt is de taakstelling voorwaardelijke financiering van on-
Jaap Kamerling derzoek en de druk op het onderwijs, die dit meebrengt. De faculteit heeft van het CvB de opdracht gekregen 25 a 30 formatieplaatsen te vullen met dit van overheidswege beschermde onderzoek. De faculteit heeft echter moeite dit volume vol te krijgen. Tot dusverre is er nog maar onderzoek voorca 17 plaatsen doorgestuurd om Haagse bescherming uit te lokken. Het CvB heeft n u gedreigd de faculteit, hoewel zij nog groeit, op de minlijn te zetten wat de formatieprognose betreft. „Als we niet als een haas bij de vierde en vijfde tranche alsnog het resterende volume volmaken dreigen we zo per 1 januari 1986 formatieplaatsen kwijt te raken," vertelt de decaan ons. Hoe komt het dat de voorwaardelijke financiering bij rechten so'n probleem vormt?
Van Witteloostuyn: „Met onze grote studentenaantallen zijn wij al een tijd een zogenaamde tekort-faculteit. We hebben op liefst 1700 studenten slechts 90 personeelsplaatsen. Dat betekent dat we eigenlijk recht hebben op meer formatie dan we in werkelijkheid hebben. Blijven de aantallen n u stijgen dan wordt dat formatie-tekort nog groter. Toch zegt het CvB nu: u moet meer aan voorwaardelijk gefinancierd onderzoek doen. De kans dat we dat als tekort-faculteit aankunnen is echter kwestieus want de onderwijsdruk is groot. Kijk bij de overschot-faculteiten ligt het net andersom. Die kunnen bij teruglopende studentenaantallen met h u n gunstiger formatie-positie makkelijk aan het gewenste onderzoeksvolume voorwaardelijke financiering voldoen. Ons speelt het tekort ons'echter behoorlijk parten." Stel dat het niet lukt om het aantal van 17 plaatsen flink op te krikken? Witteloostuyn: „Dan zijn we op langere termijn een aantal formatieplaatsen kwijt. Van ons armoetje. Van ons wordt verwacht, dat we èn goed onderwijs geven èn tegelijk ook voldoende beschermd onderzoek". Een moeilijke opgave, lijks ons. Dreigt niet het gevaar, dat als gevolg van die spanningsrelatie het onderwijs schade lijdt? „Nou als ik zoiets over een hele lange periode bekijk k u n je dat niet zomaar zeggen. Massacolleges hoeven op zich nog niet slecht te zijn als je maar een goede bege-
manier waren doorgegaan. We moeten tenslotte aan onze onderzoekstaak voldoen. Dat lukt niet zonder taakaanpassing. Als het ons lukt het gewenste onderzoeksvolume te vullen, winnen we geen formatie maar verliezen in elk geval ook niet." Zo dwingt het CvB zelf in feite taakaanpassing af. Het risico daarbij is groot, dat het onderwijs wel degelijk gevaar loopt.
Onderwijs loopt gevaar
leiding hebt en goede syllabi en boeken. Als leek zie ik zelf op dit moment nog geen grote gevaren, er wordt nog het nodige gedaan in werkgroepen. Maar als de middelen constant blijven en de studentenaantallen blijven stijgen voorzie ik wèl problemen."
Paculteitsvereniging QBD is wat dat betreft heel wat pessimistischer dan Van Witteloostuyn. Hanneke Spanninga, tot eind oktober lid van het faculteitsbestuur voor de QBD wijst erop, dat met name bij de propedeuse er schrikbarend is geëxtensiveerd.
Valt er een voorspelling te doen over die aantallen? „Dat is koffiedik kijken. Onlangs hebben we daar met een aantal deskundigen weer eens over vergaderd. De meningen lopen dan nogal uiteen. Voor elke redenering zijn wel goede argumenten te vinden. Maar een factor blijft n a a r mijn mening, dat het in deze tyden aantrekkelijk is om rechten te gaan studeren omdat een jurist n u eenmaal breed inzetbaar is."
Wat wil zeggen, dat er massaler dan ooit college wordt gegeven. Er zijn veel werkgroepen verdwenen en massa-hoorcolleges voor terug gekomen. Vorig jaar bleek het percentage formatie, dat aan onderwijs wordt besteed nog maar 40 procent te zijn terwijl dat vroeger nog 53 bedroeg. Het is intussen vermoedelijk nog lager geworden. Uit een onderzoek van de onderwijscommissie bleek dat andere juridische faculteiten in het land nog met een onderwij spercentage van tussen de 50 en 60 werken. De VU zit dus n u al heel laag. Volgens Hanneke is bij het taakaanpassingsbesluit dan ook door de faculteitsraad aanvaard, dat het onderwijsniveau bij taakaanpassing gelijk zou moeten blijven. „Wü interpreteren dat zo, dat hogere studentenaantallen moeten leiden tot meer formatie.
Om toch aan de wensen voor het voorwaardelijk gefinancierd onderzoek te voldoen gaat de faculteit n u zelf maar via taakaanpassing orde op zaken stellen. Niet om als faculteit af te slanken maar om de bestaande taken zo doelmatig mogelijk te verdelen. „Kijk, totnogtoe hebben we ons als het ware, volgens het aloude groeimodel extrapolerend ontwikkeld. Nooit is er een moment geweest, dat we zeiden: stop, we hebben zoveel informatie en zoveel studenten, n u gaan we de zaak eens opnieuw opzetten. Maar dat moet n u toch maar eens gebeuren. Op eigen initiatief dus, trouwens anders had het CvB het wel opgelegd, als we op de huidige
Als Van Witteloostuyn dat anders ziet is het de vraag of de raad dat met hem eens is". De druk van de voorwaardelijke financiering op het onderwijs blijkt er dus wel degelijk te zijn, al speelt ook de invoering van de tweefasenstructuur een rol bij onderwijsindikking. De ongerustheid, die onlangs in de universiteitsraad over dit schadelijk effect van de VWF viel te signaleren, is dus zeker op zijn plaats.
Congres over anti-racistisch onderzoek
,,Witte wetenschappers zijn soms kleurenblind" Heeft de etnische achtergrond van een onderzoeker gevolgen voor het onderzoeksresultaat? Kan een witte onderzoeker op een adequate manier de problemen van etnische minderheidsgroepen registreren en beoordelen? Deze en talloze andere vragen kwamen vorige week aan de orde op een tweedaags congres over anti-racisme van het PAF, het politicologen anti-racisme-comité van de Universiteit van Amsterdam. Een dagdeel van het congres was ingeruimd voor het onderwerp anti-racistisch onderzoek. Achter de forumtaf el een aantal gekleurde, zwarte wetenschappers. Een niet-alledaags gezicht, want is het niet het gangbare beeld, ook by ondergetekende, dat onderzoekers en universitair geschoolden wit zijn? Aan de universiteiten wordt weinig onderzoek gedaan n a a r racisme, zo werd geconstateerd. Een van de oorzaken van dit gemis ligt misschien in het systeem van zogenaamde voorwaardelijke financiering. Dat systeem werkt conserverend; men wordt als het ware verzocht het eenmaal bezette onderzoeksterrein niet te ver-
Wim Crezee laten. Nieuwe onderzoeksterreinen worden dan vaak afhankelijk van de beoordeling van degenen die aan de kranen van de tweede en derde geldstroom zitten. En dat zijn mensen die niet zelden weinig betrokkenheid hebben met de problemen van etnische minderheden. Ook aan de VU vindt, voor zover bekend, weinig onderzoek naar racisme plaats. (Vorig jaar ketste zelfs een voorstel voor een dergelijk onderzoek af in de universiteitsraad omdat de opzet ervan 'te ideologisch' zou zijn. Dat terwijl diezelfde raad ten tijde van de kwestie-Brookman per motie had uitgesproken dat vooroordelen jegens buitenlanders door middel van onderwijs en onderzoek dienen te worden bestreden.) Het voortouw in het onderzoek wordt momenteel genomen door de ambtelijke departementen. Zo spendeert het ministerie van Binnenlandse Zaken momenteel zo'n zes miljoen aan dergelijke studies. Aanvankelijk waren ze vooral gericht op beleidsondersteuning en daardoor vertoonden ze een nogal kwantitatieve opzet: welke minderheden wonen en werken waar? Deze gegevens werden nodig geacht om bijvoorbeeld welzijnsvoorzieningen te plannen. De laatste jaren is er op het ministerie meer aandacht voor beleidsevaluerend onderzoek en onderzoek naar discriminatie en de wij-
ze waarop dat aangeklaagd en bestreden kan worden. Maar een feit blijft dat dergelijk onderzoek meestal wordt beoordeeld en uitgevoerd door witte onderzoekers. Dat was vanzelfsprekend een doom in het oog van menig forumlid: „Het zijn de witten die praten óver de zwarten. Dat mechanisme bestendigt racisme. Men zegt wie ik ben, hoe ik leef..." Een van de zwarten die toch heeft weten door te dringen in het „witte onderzoekscircuit", is de heer H. Dors, lid van de Advies Commissie Onderzoek Minderheden (ACOM). Op het gevaar af een alibi-functie in de commissie te vervullen, acht hij het toch nuttig het „wit-denken" bloot te leggen. „Er zijn in de loop der tijd 'vanzelfsprekende' mechanismen ontstaan die in het nadeel van etnische groepen werken. Men heeft het bijvoorbeeld over tweede generatie buitenlanders die tussen twee culturen zouden leven. Op het moment dat dat gezegd wordt creëert men een onderzoeksmarkt die gevuld wordt met witte onderzoekers. Men is dan snel geneigd de problemen van etnische groepen sec te onderzoeken, terwijl ik denk dat het zou moeten gaan om onderzoek n a a r een samenleving die op een inadequate wijze de multi-etniciteit beleeft." „Als ik pleit voor zwarte onderzoekers dan doe ik dat niet om ze nog verder etnisch te stigmatiseren, want ook dat is reproductie van de heersende machtsverhou-
Een beeld van een van de groepsdiscussies tijdens het congres. Hier ging het over „Vooroordelen en de Islam". (Foto Bram de Hollander) dingen. We hebben dat kunnen zien bij 'Sonja': zwarte toneelspelers komen pas aan bod wanneer men junks nodig heeft. Ik bedoel maar: ik zou het verdrietig vinden als men mij alleen beoordeelt op grond van mijn kennis van Surinaamse kinderen." Dat zwarte mensen beter in staat zijn de ervaringswereld van 'hun' mensen te onderzoeken, betekent niet dat witte mensen met de armen over elkaar moeten gaan zitten, merkte iemand tijdens de discussie op. „Witte mensen kunnen bij zichzelf en onder h u n eigen mensen het beste nagaan hoe racisme werkt, welke vooroordelen men vaak onbewust heeft." Zwarte onderzoekers staan wellicht zelfs in het voordeel ten opzichte van h u n witte collega's, stelde een andere aanwezige: „Als je in deze samenleving leeft, krijg je van alle kanten kennis van de dominante, witte cultuur: via de radio, t.v. en andere media. Om-
gekeerd hebben Nederlanders niet de hele dag de Surinaamse cultuur om zich heen. Onderzoekers uit etnische groepen zitten wat dat betreft in een gunstiger positie: ze hebben een soort dubbel bewustzijn." Als het gaat om termen 'zwart onderzoeksperspectief' en 'onderzoek door zwarten' valt wel eens de beschuldiging van 'omgekeerd racisme'. Een van de aanwezigen bij het forumdebat was daar echter duidelijk over: „We worden in het daaglijks verkeer steeds aangekeken op ons zwart-zijn. Als wij dan voor onze belangen opkomen worden witte mensen soms opeens kleurenblind." Even later tijdens de discussie bleek dat de veelvuldig gebruikte termen wit en zwart weinig te maken hebben met huidskleur of met voorouders. „Het is duidelijk dat hier in de zaal niemand pikzwart of spierwit is; het gaat om een politieke affiniteit met etnische minderheden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's