Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 387
AD VALVAS — 22 MAART 1985
3
Drs. Paul Slaa: „Geen zaak die onontkoombaar over ons heen komt"
,,Toepassing technologie hangt altijd af van sociale 'setting' van organisatie" „Automatisering, sturen of gestuurd worden", zo luidde de titel van een lezing die door drs. Paul Slaa op 19 maart, in het kader van een cyclus over automatisering georganiseerd door het Vormingscentrum VU, gehouden werd. Volgens hem is de nieuwe informatietechnologie geen zaak die onontkoombaar over ons heen komt, maar zijn er diverse punten waar de technologie in een sociaal wenselijke richting kan worden gestuurd. We hadden hierover een voorgesprek met Paul Slaa, die wetenschappelijk medewerker is bij de vakgroep Algemene Vorming van de faculteit der wis- en natuurwetenschappen van de VU. Paul Slaa onderscheidt een drietal niveaus waarop beslissingen worden genomen over de technologie en waar ook beïnvloedingsmogelijkheden liggen: „Het aanbod van technologie vindt voornamelijk plaats op mondiaal niveau, waarbij er een toenemende integratie en concentratie plaatsvindt. Vanuit Nederland is de beïnvloeding nauwelijks beïnvloedbaar. We hebben dan wel Philips die zich met de ontwikkeling van moderne technologie bezighoudt, maar ook het beleid van Philips is volledig afhankelijk van wat er op de wereldmarkt gebeurt. Je kunt hooguit zorgen dat Philips in Nederland blijft. Die technologie is dus vanuit Nederland zeker niet stuurbaar, je kunt op zijn best zorgen dat die in Nederland ter beschikking komt." Tussen het aanbod van technologie en de toepassingen ervan, bestaat nog een intermediaire sector; software-bureaus en adviesbureaus zorgen voor nieuwe bedrijvigheid. Paul Slaa ziet hier wel mogelijkheden om de ontwikkeling van de technologie te beïnvloeden: „Die bureaus richten zich meestal op de binnenlandse markt. De meeste informatiesystemen werken ook via een datanet of via een telefoonnet. Als dat geen intern netwerk is binnen een bedrijf, dan is het een openbaar netwerk in handen van de PTT. Daar heeft de overheid dus directe invloedsmogelijkheden."
Sociaal beleid
De meest cruciale beïnvloedingsmogelijkheden bestaan volgens Paul Slaa op het niveau van de relatie tussen de intermediaire sector en de toepassingsvelden: „Op dit niveau wordt een informatiesysteem aan de hand van specificaties en eisen die vanuit de gebruiker komen, op basis van allerlei standaardapparatuur en programmatuur die op de wereldmarkt beschikbaar is. Daar vindt die integratie plaats en dat is een strategisch belangrijke functie omdat daar behoeften worden vertaald in een concreet systeem."
die niet slechter functioneren dan andere bedrijven. De conclusie is dat automatisering op die manier kansen tot beter werk biedt. Het is p u u r een kwestie van wie er beslist en hoe zwaar bij de beslissing ook sociale elementen meetellen. „In het begin van de eeuw werd het 'taylorisme' ingevoerd, een strategie gericht op volledige beheersing van het arbeidsproces. Wat er n u aan de hand is, is heel interessant. Bedrijven gaan vanuit economische overwegingen inzien hoe belangrijk het is om goed gemotiveerde werknemers te hebben, en dat het ook belangrijk is om werknemers te betrekken bij het ontwerp van en de controle op het produktieproces."
vakbeweging die altijd al gezegd heeft dat werknemers meer invloed op de produktie horen te hebben. Die gelijkgestemde geluiden van vakbeweging en werkgevers kunnen elkaar raken. Hoewel sommigen al spreken over een nieuwe consensus denk ik toch dat de motieven verschillend zijn. Het kan heel anders uitpakken wanneer je arbeiders erbij betrekt vanuit overwegingen van economische efficiency, dan wanneer je uitgaat van sociale overwegingen. De vakbeweging staat daarom ook vrij kritisch ten opzichte van zulke vernieuwingen. De essentie is echter dat de sociale context van produktievernieuwing n u ook door de werkgevers als probleem wordt gezien en dat
staat om de zaak goed te beoordelen; men heeft onvoldoende know-how en te weinig geld om externe deskundigen in te huren om een plan te beoordelen of een alternatief plan te laten ontwikkelen. Die deskundigheid van de werknemers zou bevorderd moeten worden. Bovendien zou de vakbeweging n a a r haar eigen leden toe duidelijk moeten maken dat er wel een bepaalde invloed mogelijk is." „Kenmerkend voor de technologie is ook dat die vaak wordt ingevoerd op een hoger niveau dan het individuele bedrijf. Zo wordt er in de financiële sector gesproken over een nationaal betalingscircuit; een superstructuur boven alle banken en postgiro. Dat
daar dus in principe overeenstemming zou kunnen worden bereikt." „Op dit moment heeft de vakbeweging nog weinig invloed op de eisen die gesteld worden aan informatiesystemen. Daar ligt een machtsprobleem. Investeringen hebben meestal een heel lang voortraject, soms wel een paar jaar, voordat de ondernemingsraad er in gekend wordt. Dan wordt het op dat laatste moment stikken of slikken. Je k u n t hooguit nog wat schuiven in de randvoorwaarden, de opleidingsfaciliteiten e.d. Dan ontstaat toch het beeld van de technologie die over je heen komt. De ondernemingsraad zou in een vroeger stadium bij de besluitvorming betrokken moeten worden." „Behalve een machtsprobleem is er ook een deskundigheidsprobleem. De vakbeweging is niet in
is een niveau dat niet geregeld is en dan wordt er een stuurgroep ingesteld waarin de vakbeweging geen toegang heeft. Het niveau van besluitvorming verschuift." „Ik heb nu gedaan alsof de technologie indifferent is en p u u r van de organisatie afhangt. Omgekeerd kyn je zeggen dat vanuit een bepaale gewenste organisatievorm, meer gedecentraliseerd en waarin de mensen zelf de apparaten bedienen, er ook weer eisen gesteld kunnen worden aan de apparatuur. Dat leidt tot een andere technologie. Je zou je kunnen voorstellen, net zoals in Nederland veel de nadruk wordt gelegd op milieu-vriendelijke technologie, dat er ook de nadruk wordt gelegd op arbeidsvriendelijke technololgie. Die informatietechnologie is een rare technololgie, heel veelzijdig en kan vele gedaantes aannemen."
Koos Neuvel Het uitgangspunt van Slaa is hierbij dat de technologie niet autonoom en gedetermineerd over ons heen komt, maar altijd in relatie staat tot de arbeidsorganisatie: „De toepassing van technologie vindt altijd plaats binnen een sociale setting. Als een bedrijf wil automatiseren, dan is er vaak verandering nodig van de manier waarop er geproduceerd wordt. Je k u n t niet zom a a r een robot inpluggen, want dat heeft grote gevolgen. De organisatie moet veranderd worden e.d. Technisch gezien zijn er enorm veel systemen denkbaar en mogelijk, en welke er uiteindelijk wordt toegepast hangt af van de organisatie waarbinnen het plaatsvindt, en van de uitgangspunten die bij zö'n organisatie gehanteerd worden. Wanneer een bedrijf bijvoorbeeld veel waarde hecht aan een sociaal beleid, dan zal meer rekening worden gehouden met de kwaliteit van de arbeid, vermindering van de hiërarchie, eventueel decentralisatie van de produktie. Technologisch gezien kan dat."
Drs Paul Slaa (Foto AVC/VU)
„Heel concreet is de organisatorische kwestie bij het automatiseren van de produktie altijd, waar de programmering van het appar a a t plaatsvindt. De twee belangrijkste posities zijn dan: ofwel de programmering vindt plaats in een aparte afdeling werkvoorbereiding. Je creëert een aparte afdeling waar alle robots zijn gekoppeld aan een centrale computer, en die worden op een centraal p u n t van tevoren op afstand geprogrammeerd en aan het werk gezet. Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, de programmering vindt plaats op de werkplek zelf. Er zijn robots die het vroegere werk van de werknemer opknappen en waarbij de werknemer programmeert en controleert. Dat zijn twee verschillende opties. In West-Duitsland bestaan bedrijven waar die werkplekprogrammering al gerealiseerd is en
In J a p a n heeft men het ooit gehad over de onbemande fabriek als eindpunt, de volledige uitschakeling van de menselijke factor. In Nederland zijn de laatste tijd stromingen, een management nieuwe stijl, waar expliciet gezegd wordt dat de know-how van de werknemer, d.w.z. zijn ervaring en informele kennis, gebruikt moet worden bij het produktieproces. Waar vroeger het taylorisme een formalisering van het produktieproces betekende, blijken n u informele elementen onontbeerlijk te zijn. Daarom wordt er geëxperimenteerd met de oprichting van kwaliteitskringen en met meer autonome produktiegroepen. Dergelijke strategieën zijn er op gericht het produktieproces economisch te optimaliseren." „Aan de andere kant heb je de
Kamer tegen meerderheid WP m raden en besturen Een meerderheid in de Tweede Kamer gaat niet akkoord met de plannen van minister drs. W. J. Deetman om de wetenschappelijke staf in vaste dienst de meerderheid te geven in de faculteitsraden en vakgroepsbesturen. De Tweede Kamer wil ook dat in de Wet Wetenschappelijk Onderwijs 1984 opnieuw een "experi-
menteer-artikel" wordt opgenomen waardoor het mogelijk is in bepaalde situaties van de wet af te wijken. De verdere behandeling van de WWO'84 in de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs en Wetenschap werd gekleurd door het fundamentele verschil van mening tussen minister Deetman en de PvdA en CDA over de positie van de hoogleraren, de universitaire hoofddocenten en de universitaire docenten ten opzichte
van de rest van het wetenschappelijk personeel, het niet-wetenschappeUjk personeel en de studenten. Voor minister Deetman staat vast dat de vaste wetenschappelijke staf „een eigen positie en verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot onderwijs en onderzoek." Vandaar dat hij de vaste wetenschappelijke staf een meerderheid in alle bestuursorganen binnen de faculteiten wil geven. Minister Deetman: „Het is duidelijk dat het hier om de macht gaat, en de macht is zichtbaar door de getalsmatige meerderheid Van het vaste weten-
schappelijk personeel." Amendementen van de Tweede Kamer om de zetels in de besturen gelijker over de verschillende geledingen te verdelen, raadde hij af. Het PvdA-Kamerlid J. Wallage hield de minister voor dat het vanuit de „doelmatigheid en efficiëntie van bestuur" niet terecht is dat een groep als de studenten in een marginale positie in de besturen wordt gedrongen. De heer A. Lansink, CDA, verweet de minister een veel te „krappe" afbakening van het begrip wetenschappelijke staf te hanteren.Minister Deetman antwoordde hier enigszins laconiek op dat er onder
deze groep van wetenschappelijk personeel wel eens „overgangsfiguren" kunnen voorkomen; hij bleef er echter bij dat deze groep niet tot de vaste wetenschappelijke staf behoort. De P S P diende een amendement in waarin de mogelijkheid wordt geschapen dat van de wet WWO kan worden afgeweken, Minister Deetman ging fel tekeer tegen dit voorstel. Deetman: „Consistente wetgeving vereist dat een dergelijk artikel overbodig is. De ervaring heeft bovendien geleerd dat het experimenteer-artikel gebruikt werd om de zetelverdeling te veranderen. Dit heeft in het verleden veel moeilijkheden veroorzaakt." De kleine linkse partijen, de PvdA en het CDA steunen dit amendement. „ , , . ,,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's