Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 302

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 302

10 minuten leestijd

AD VALVAS — 8 FEBRUARI 1985

6

Pleidooi voor vrijpostig, vrolijk leven Op een dag ging de jeugdige Alexander van Macedonië op bezoek bij Diogenes, wiens roem hem nieuwgierig had gemaakt. Hij trof de filosoof aan terwijl deze een zonnebad nam. Hij lag lui op z'n rug, mogelijk in de b u u r t van een Atheens stadion. De jeugdige vorst wilde zijn grootmoedigheid tonen en zei dat de filosoof een wens mocht doen. In plaats daarop in te gaan moet Diogenes toen hebben geantwoord: „Ga uit mijn zon!" Van Diogenes van Sinope Cdie leefde van ongeveer 400-324 v.

Boeken en tijdschriften Chr.) is niet zoveel bekend. Hij heeft geen enkel authentiek werk achtergelaten, want hij behoorde tot de filosofen die leven belangrijker vonden dan schrijven, stelt Peter Sloterdijk in zijn prachtige Kritik der synischen Vernunft, waarvan onlangs een Nederlandse vertaling verschenen is. Diogenes is voor Sloterdijk een antieke held, een grondlegger van de volyke wetenschap, een stoorzender in het wat bedaagde intellectuele milieu van die tijd. Zijn wapen is niet zozeer de analyse als wel de schaterlach, de satire. En filosofische wijsheid berust niet op de eerste plaats op theoretische kennis, maar op een souvereine geest die zich niet laat verleiden door welke vorst dan ook. Bezittingen heeft hij nauwelijks. Zijn hele hebben en houden draagt hij bij zich en alleen zo is hij wendbaar genoeg om te gaan en te staan waar hij wil. Als hij welgesteld kon zijn zonder daarbij zijn onafhankelijkheid te verliezen, dan zou hij daar niets op tegen hebben, want zelfkwelling ziet Diogenes zeer bepaald als domheid. De immer opgewekte Diogenes houdt van het leven en hij ruimt voor het animale, het lichamelijke, een natuurlijke, niet overdreven, maar eervolle plaats in. Dat hy bij de chique Atheense hoeren populair is, wordt wel bewezen door het feit dat hij bij hen gratis terecht kan. Maar ongebondenheid blijft zijn hoogste goed. Als het zo uitkomt masturbeert hij en plein public op het marktplein

van Athene. Dat hij hiermee door zijn filosoferende collega's als een vagebond wordt gezien, stemt hem eerder tot vreugde dan verdriet. Met h u n zogenaamd fijnzinnige theorieën over de eros, denken zé alleen met h u n hoofd en niet met h u n lichaam, is zijn spottende kritiek. De Atheners geven hem de scheldnaam „hond", want Diogenes heeft zijn behoeftes verlaagd tot de levensstandaard van een huisdier. Diogenes, op zijn beurt, draait het scheldwoord om en aanvaardt het als naam voor zijn filosofische stroming: het kynisme (Kyon, Grieks voor hond). En zo staat het kynisme te boek als een subversief, vrolijk denken dat zich niet stoort aan hoogdravende denksystemen; het is polemisch, satirisch, onbeschaamd en moedig.

Maar nu kent hij zijn verplichtingen en verantwoordelijkheden. De cynicus leeft met een dubbele moraal. Hij schaamt zich daar niet voor, want een dergelijke schizofrenie van idealisme noemt hij liever een realistische instelling. Echt lijden aan deze schizofrenie van het leven doet de moderne mens niet. Men heeft hooguit last van een diffuus tragisch levensgevoel. „Men leeft van dag tot dag, van vacantie tot vacantie, van t.v.-journaal tot t.v.-journaal, van probleem tot probleem, van orgasme tot orgasme, in particuliere opwinding en middel-

lange relaties, verkrampt, ontspannen. Door sommige dingen voelt men zich 'getroffen', het meeste hoort echter onverschillig te zijn." Het aardse leven is immers slechts een troosteloze kringloop, zoals ook de n a t u u r steeds weer terugkerende jaargetijden kent. Er is in feite niks nieuws onder de zon, meent de cynicus.

Passend

De geest zoekt een passend lichaam, weten'we uit de fysiognomie. Zo kan ook het gezicht van de machtscynicus zijn schizofre-

Cynisme

Van deze vrijpostige impulsen (die later ook aanwezig waren bij figuren als Voltaire, Diderot, Heine, Nietzsche, Brecht en Feyerabend) is helaas in de moderne maatschappijen weinig meer overgebleven," stelt Sloterdijk. Mensen leven tegenwoordig in een „stadium van georganiseerde ernst", in een „bezorgdheidsstructuur" die het geluksmotief absorbeert. Het kernbegrip waarmee Sloterdijk deze constellatie analyseert is cynisme. Cynisme is een instelling die normaliter hoort bij machthebbers, maar zo langzamerhand integraal onderdeel is geworden van het moderne cultuurpatroon. Cynisch is iemand die meent zich van alle illusies te hebben bevrijd en vindt dat de naakte feiten en de harde werkelijkheid tot een nuchtere en zakelijke aanpak nopen. Het leven bestaat nu eenmaal uit compromissen, zegt de cynicus en schenkt water bij de wijn nog voordat deze gedronken is. Natuurlijk, de cynicus heeft ook zo z'n idealen - zeer verheven en respectabele idealen zelfs. Maar in de praktijk bieden ze hem geen houvast, want het leven van alledag stelt immers andere eisen, daarin moet je vuile handen durven maken. Zeker, geld stinkt, maar de maatschappij draait nou eenmaal om geld, laten we reëel zijn. Heeft hij het geld uitgevonden? Nee toch. Nou dan? Vroeger, toen hij jong was, had hij ook gedachten om de maatschappij te hervormen.

nie niet verbergen. Bij hem ontstaat vaak een scheef glimlachje waarbij een van de ihondhoeken, vaak de linker, omhooggetrokken wordt. „De mond van de machtige maakt de splitsing in zijn bewustzijn duidelijk; de andere helft wéét immers dat er niets te lachen valt. De ene helft van de mond krult wetend omhoog, zodat de andere onopzettelijk n a a r beneden gaat." Zo'n vrijpostige schaterlach als van Diogenes zou hij waarschijnlijk gegeneerd aan-' horen. Sloterdijk maakt duidelijk dat cynisme, de devitalisering van de cultuur, niet uit individuele personen voortkomt - dat zou psychologische onzin zijn - maar zich aanbiedt aan individuele personen, in hen groeit en zich dóór hen ontwikkelt, door, dat wil zeggen: met h u n kracht, maar over h u n hoofd heen. In twee dikke delen (van in totaal 900 pagina's) laat Sloterdijk de diverse vormen van cynisme de revue passeren; het militaire, sexuele, medische, religieuze en het wetenschappelijke cynisme. Bij dat laatste vergelijkt hij moderne wetenschap met oorlogvoering en wetenschappers met spionnen en geheime agenten die er op uit zijn verdachte bewegingen van de vijandige werkelijkheid op het spoor te komen en ongedaan te maken. Het Engelse „intelligence" heeft niet voor niets ook de betekenis van „inlichtingendienst". Het wenkend alternatief voor Sloterdijk, het „kynisme", is uit de aard der zaak niet in een vastomlijnd systeem van richtlijnen en moralismen te verankeren. Uiteindelijk komt het er op neer om, zoals de „hondenfilosoof" Diogenes, om zich heen te bijten zonder verbeten te worden, de moed je eigen verstand te gebruik en je lichaam spontaan te laten meedelen van wat zich in de ziel roert. De vergelijking is minder banaal dan die lijkt: wie geraakt wordt door de twistlustige en provocerende filosofieën van Freek de Jonge, zal waarschijnlijk dit boek van Sloterdijk met rode oortjes lezen. Kynische impulsen, satire, vitaliteit, vindt men af en toe in het theater of in andere kunstvormen en helaas nauwelijks meer in het moderne wetenschapsbedrijf. (W. C.)

De Atheense tophoer Phyllis geseten op de rug van filosoof Aristoteles, een van de vele illustraties m Sloterdijks boek.

Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, 2 delen. Prijs / 65,-, uitg. De Arbeiderspers.

Universiteit als proeftuin democratie Het studentenactivisme dat vooral eind jaren zestig en begin jaren1 zeventig tot grote bloei kwam, blijkt een intrigerend fenomeen1 te blijven. Aardig wat wetenschappers hebben zich al over ditt buitensporig verschijnsel gebogen, en Jacques Janssen en Paul1 Voestermans voegen daar h u n1 zienswijze aan toe. Het boek: ,,Studenten in beweging" is een1 bewerking van h u n al in 1978 verschenen proefschrift „De vergruisde universiteit". Interessant is het boek vooral1 daar waar gepoogd wordt een1 nieuw verklaringsmodel te bieden voor de plotselinge uitbarsting en de zich later doorzettende3 verbrokkeling en neergang, waarbij de auteurs met name de; ontwikkelingen aan de katholieke Nijmeegse universiteit analyseren. Wie veronderstelt dat het studenten verzet automatisch op de universiteit een toestand van polarisatie teweeg bracht, kan uit hett boek van Janssen en Voestermans concluderen dat dat in ieder geval in de beginfase niet hett geval was. In 1968 werd het rapport Maris gepubliceerd, waarin1 een vernieuwing van de universitaire bestuursorganisatie werd1 voorgesteld. Het managements-

model was ontleend aan het bedrijfsleven, sterk hiërarchisch en piramidaal gestructureerd. Een kaste van beroepsbestuurders zou een centrale rol vervullen en diende niet n a a r beneden maar alleen naar boven toe verantwoording af te leggen. Niet alleen de studenten maar ook het Nijmeegse universiteitsestablishment keerde zich tegen het rapport-Maris. De auteurs concluderen: „Samenwerking tussen hoogleraren, staf en studenten was op dit p u n t dan ook direct mogelijk. Er lagen hier convergerende belangen: de autonomie van de universiteit, die dreigde te worden aangetast, was voor alle groeperingen - zij het om uiteenlopende motieven ( . . . ) een heilig goed." Erg lang heeft die coalitie niet bestaan, na de acties van 1969, ontstond een globale oppositie tussen enerzijds de studenten en anderzijds staf en hoogleraren. Ook de broze coalitie tussen verschillende studentengroepen viel na 1969 geleidelijk uiteen in een groot aantal zeer principiële secte-achtige clubs die elkaar te vuur en te zwaard bestreden. Waarschijnlijk heeft dit in geen andere universiteitsstad alsNijmegenzohevigplaatsgevonden.

Model

Janssen en Voestermans maken duidelijk dat de opstand niet een zaak van een klein stel opruiende beroepsactievoerders was, maar dat de democratiseringsidealen wel degelijk door een behoorlijke massa van studenten ondersteund werden. De auteurs wagen een poging om het democratiseringsélan in een verklarend model te passen. Volgens hen moet dat élan van studenten gezien worden als een poging om de toenemende onzekerheid aangaande h u n maatschappelijke identiteit te overstijgen: „Zij hoopten binnen de veilige veste van een democratische universiteit concrete ervaringen op te doen die een zinvolle anticipatie op het latere beroep zouden moeten opleveren, want daaraan schortte het binnen de traditionele universiteit." De universiteit zou een proeftuin van democratie moeten worden, een model voor de verandering van de samenleving, waarin daarna de nieuwe academici een waardevolle en leidende rol zouden kunnen gaan vervullen. Is t h a t all there is? vraag je je af n a het lezen van zo'n verklaringsmodel. Waarom dan al die heisa, had dat niet allemaal achterwege

kunnen blüven? Als het werkelijk niets anders is dan een poging van een nieuwe generatie academici om h u n beroepsmogelijkheden in een veranderende samenleving veilig te stellen, is het dan nog wel de moeite waard om je er mee bezig te houden? Ik denk dat Janssen en Voestermans de studentenbeweging hiermee weinig recht doen. Misschien is het wel het makke van dit soort modellen dat de verklaring, van in dit geval het studentenverzet, altijd elders gezocht wordt. Door n a a r zulke determinanten te speuren, of het n u vadercomplexen of carrièremogelijkheden zijn, het te verklaren fenomeen wordt er eigenlijk door gekleineerd. Het maakt het overbodig om de argumenten van de studentenbeweging, h u n kritiek op universiteit en samenleving serieus te nemen. Omgekeerd kun je ook stellen dat de kritiek van de studentenbeweging zich voor een groot deel tegen dit soort quasi-gedistantieerde en objectiverende benaderingen van wetenschap gericht heeft.

mentatie over de verdere ontwikkeling van de studenten beweging in de jaren 70. „De kynische impuls", om met Peter Sloterdijk te spreken, het opgeruimde, creatieve verzet, maakte voor een deel plaats voor een verstarring, waarbij verschillende fracties elkaar met de juiste leer om de oren sloegen. Het is dan ook terecht wanneer Janssen en Voestermans die in dit geval wel inhoudelijk op argumenten ingaan, de studentenbeweging kritiseren: „Men streefde een bondgenotenpolitiek na, een solidarisering met het proletariaat; maar tegelijkertijd werden alle denkbare organisaties waarin arbeiders vertegenwoordigd waren, als 'reformistisch' afgewezen. Men stelde zich op het standpunt van een proletariaat dat alleen in de hoofden van studenten bestond: een proletariaat dat vanuit de marxistische theorie geconstrueerd was." Zulke fragmenten maken het boek incidenteel nog de moeite waard. (K.N.)

Bondgenotenpolitiek

Dit betekent niet dat het hele boek huilen met de pet op is. Het boek bevat een leerzame docu-

Jaques Janssen, Paul Voestermans - Studenten in beweging: politiek, universiteit en student, Nijmegen/Ba^irn: A m ^ i 1984.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 302

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's