Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 195
AD VALVAS — 23 NOVEMBER 1984
3
OKW-symposium over verbeeldingskracht en wetenschap
'Er bestaat premie op risicoloos onderzoek' De wetenschappelijke methode is, zo leert iedere student, de leer van de weg waarlangs men tot ware kennis komt. In traditionele universitaire handboeken gaat het dan vooral om de empirische toetsing van opgestelde theorieën. Maar hoe ontstaan die theorieën? Welke factoren spelen een rol bij het tot stand komen van een wetenschappelijke ontdekking, een vondst, de beroemde geniale ingeving? Wordt aan de universiteiten creativiteit en verbeeldingskracht niet laag gewaardeerd en bestaat er eerder een premie op lakse voorzichtigheid? Wetenschap en verbeeldingskracht was de titel van het derde symposium van de door NRC/Handelsblad-redacteur K. L. Poll gemitieerde vereniging van Onderwijs, K u n s t en Wetenschap. Impliciet suggereert de symposiumtitel dat het verband tussen beide soms ver te zoeken is. Weliswaar wordt er veel lippendienst bewezen aan de stelling dat bloeiende wetenschap een resultaat is van zowel durf en vernieuwingsdrang als nijverheid en precisie. Maar feitelijk wordt er aan de „gedurfde" kant van wetenschap weinig betekenis gegeven. In een lezing voor het OKW-symposium maakte Louis Boon (psychologie, Utrecht) duidelijk dat deze eenzijdigheid niet van vandaag of gisteren is. Al in de 16e eeuw, het begin van de moderne wetenschap, ziet men volgens hem in het precies toepassen van een methode, een garantie voor een onbevooroordeelde kennisverzameling en voor het opstellen van de wetten der natuur. Verbeeldingskracht of speciale talenten zyn daarbij niet nodig, zo is de ideologie. „Mijn methode heeft het verstand van de mensen goeddeels gelijk gemaakt en laat slechts weinig aan individuele begaafdheid over," stelt de Engelse filosoof en „hera u t van de moderne wetenschap" Francis Bacon al. Anders gesteld: het boek van de n a t u u r kan door een ieder gelezen worden, mits men is voorzien van de juiste methodische sleutels. Een gouden toekomst ligt in het verschiet want op deze manier, zo is de gedachte, zullen ook talrijke maatschappelijke problemen opgelost kunnen worden. Een planmatig toegepaste wetenschap zal een einde maken aan voedseltekorten, ziekten en transportbeperkingen. Van dit ideaal komt uiteindelijk weinig terecht, maar de ideologie is gebleven - tot op de dag van vandaag. Wat veranderd is, is de bemoeienis van de overheid. Sinds de 19e eeuw worden onderzoekers in toenemende mate ambtenaren binnen een bureaucratische universitaire structuur. De greep hiervan op h u n werk is echter nog gering. Maar later, vanaf de tweede wereldoorlog, tracht de staat de almaar groeiende investeringen in wetenschappelijk onderzoek bureaucratisch veilig te stellen. En vooral op het moment dat de gestage aanwas van middelen verandert in een inkrimping, worden de spanningen tussen bureaucratische controle en het inhoudelijke verloop van wetenschap zichtbaar. Per saldo wil men de opbrengst van wetenschappelijk onderzoek vergroten door een meer planmatige organisatie èn een dergelijke planning is alleen mogelijk wanneer wetenschap methodisch verloopt.
Voorzichtigheid
Methodische netheid, haalbaarheid en tijdsplanning komen in de beoordelingsprocedures meer en meer centraal te staan. Stichtingen als het ZWO, die de relatief groeiende tweede geldstroom controleert, honoreren geen risico-dragend onderzoek. En ook het recentelijk ingestelde systeem
Wim Crezee van voorwaardelijke financiering zet een premie op voorzichtige onderzoeksstijlen. Tevoren moet namelijk een schatting worden gegeven van de verwachte resultaten en van de totale productie van een programma. Een gevolg van een dergelijk systeem is volgens Louis Boon dat het ontwikkelen van nieuwe inzichten en ideeën, die niet in een vijQaren-planning kunnen worden verdisconteerd, onaantrekkelijk wordt. Als dan bovendien van bovenaf de eis wordt gesteld dat de onderzoeker moet samenwerken In een team van minimaal vijf mensen is het beeld compleet. „Een handige onderzoeker richt zich met zijn groep op een aandachtsveld, een los ag-
ten, maar hangt af van menselijke creativiteit - de creativiteit een ander theoretisch perspectief te kunnen formuleren. Zo ontstaat volgens Boon de paradoxale situatie dat n u verbeeldingskracht in de wetenschap meer dan ooit nodig is, er minder plaats voor lijkt dan ooit. Daar komt nog bij dat hedendaagse onderzoekers zich steeds vaker in een bureaucratische positie schikken. Hoever sommigen hierin gaan bewees een hoogleraar letteren die vond dat een nieuw studieprogramma beter saai, maar systematisch en „wetenschappelijk" kon zijn dan losser en boeiend. „Men kan dus zelfs trots zijn op zijn bureaucratische bewustzijnsvernauwing", stelde Boon smalend vast. In deze pessimistische situatie zag Booii een „lichtpuntje" in het werk dat verricht wordt door baanloze academici. Deze zijn er immers toe gedwongen, bij gebrek aan kostbare databestanden, het accent te leggen op theoretische vernieuwingen om h u n werk gepubliceerd te krijgen. „Als die ontwikkeling zich doorzet dan zullen deze mensen een belangrijk contrast vormen met de vrij lakse en incompetente situaties die momenteel aan de officiële academies voorkomen."
Bejaard
De Ijeidse bioloog en schrijver Maarten t Hart kon met dit laatste volmondig instemmen. De grote wetenschappelijke ontdekkingen worden immers gedaan
Darwin kwalijk dat hij niet alle ontstaan van alle dingen verklaarde. De evolutietheorie kon niet beantwoorden aan Multatuli's verlangen n a a r een zinvolle ordening, n a a r een alles beheersend, eenvoudig principe volgens welke wij ons hele bestaan kunnen begrijpen en verklaren. De evolutietheorie kon geeneens het bestaan van roksknopen op een frak verklaren . . . Bij mensen als Multatuli ziet men hoe bezwaarlijk het is als literatoren kennis nemen van natuurwetenschappellijke feiten. Ze kunnen niet van die feiten en theorieën afblijven, stelde 't Hart. „Ze willen de evolutietheorie gebruiken om het ontstaan van alles te verklaren. Z^ vermogen niet in te zien dat zo'n natuurwetenschappelijke theorie precies het tegenovergestelde is van een verklaring, namelijk een hypothese die aanzet tot verder onderzoek om de onjuistheid van die hypothese zo mogelijk aan te tonen." „Bestudering van de wijze waarop Multatuli de evolutietheorie bejegende levert de onthutsende constatering op dat hij een echte metafysicus was, iemand die niet kon aanvaarden dat het bestaan een chaos is en dat natuurwetenschappen geen echte sluitende verklaring van het heelal geven," concludeerde 't Hart.
Visioenen
NRC/Handelsblad-redacteur Rudy Kousbroek zag voor de verbeeldingskracht een noodzakelijke maar vooral beperkte plaats in
ring en obscurantisme. Hij had het in dit verband vooral gemunt op Paul Feyerabend. Deze wordt sinds zijn boek Against Method door velen als het enfant terrible van de moderne wetenschapsfilosofie gezien. Wetenschap zou zich volgens hem in het verleden vooral ontwikkeld hebben door een mengeling van retorica en propaganda, maar nooit door een rationeel proces. Zo noemt hij bijvoorbeeld Galilei een charlatan, die door de boel op te lichten de wetenschap vooruit hielp. Omdat dat zo is, benadrukt Feyerabend de creativiteit van de wetenschapper tegenover de gevestigde wetenschapspraktijk. Anything goes, alles mag, want juist het overtreden van methodologische regels is een voorwaarde voor vooruitgang in de wetenschap. Kousbroek verweet Feyerabend echter dat deze „onverantwoordelijke uitspraken" doet. „Hij zegt bijvoorbeeld dat het vliegen met een vliegtuig en het vliegen met een bezemsteel beide wetenschappelijk verantwoord zijn. Als hem dan gevraagd wordt waarom hii dan geen bezemsteel gebruikt, zegt hij: „Ik heb geen tijd mezelf aan te leren hoe dat moet." Feyerabend gaat met andere woorden nergens serieus op in en wil dat ook niet. Het resultaat is uiteindelijk dat mythes, sprookjes, astrologie en wetenschap gelijkwaardig worden. Voor Feyerabend heeft het geen zin met wetenschappelijke middelen ergens achter te komen." Zijn filosofische invloed achtte Kousbroek daarom verderfelijk. „Ik denk dat hij in het wetenschappelijke bedrijf voor miljoenen dollars a a n schade heeft aangericht." Louis Boon zag het tijdens het forumdebat duidelijk anders: „Feyerabend heeft een leuk spelletje bedacht en dat is rationalistje pesten en dat doet hij de laatste tien jaar met groot succes. Mensen proberen hem te vangen op inconsistenties, maar dat deert hem niet. Die mensen houden zich blind voor de zinnige dingen die hij wel degelijk gezegd heeft over de geschiedenis van de wetenschap." Kousbroek had in zijn lezing overigens al toegegeven dat er nog geen goede stok is gevonden om „grappenmakers a la Feyerabend de tempel van de epistemologie (wetenschapstheorie, red.) uit te ranselen."
Koningin
Rudy Kousbroek: 'Ik denk dat Feyerabend in het wetenschappelijk heeft aangebracht.' (Foto Bram de Hollander) gregaat van verschijnselen of processen zoals „sexualiteit", „etnische minderheden", „ruimtelijke ordening" en dergelijke. Hij zal empirisch onderzoek doen n a a r zoveel mogelijk aspecten hiervan en daarbij een werkwijze volgen die een snelle afronding van deelonderzoeken mogelijk maakt. Hü zal zich verre houden van theoretische problemen en de daaromheen spelende disputen. Het is geen strategie die ooit tot grote faam zal leiden, maar een volautomatisch programma met een gestage output brengt hem dicht in de b u u r t van de academisch wetenschappelijke hemel." Er bestaat volgens Boon wèl een efficiënte organisatie voor empirisch voorzichtige strategieën die het mogelijk heeft gemaakt ook middelmatig talentvolle onderzoekers acceptabele resultaten te laten afleveren. Een vergelijkbare organisatie voor theoretisch onderzoek bestaat echter niet. Dat stemt tot pessimisme want juist de meer zeldzame talenten van theoretici leveren de brandstof voor toekomstig interessant empirisch werk. Wetenschappelijke vernieuwing komt immers niet tot stand door het gebruik van grotere en duurdere appara-
bedrij/ voor miljoenen dollars aan schade
door mensen van onder of om en nabij de dertig jaar - dat leert de geschiedenis. Om die reden achtte hij het „nogal stom" deze mensen werkloos te houden en het werk aan universiteiten over te laten aan „bejaarde academici". 't Hart draaide in zijn lezing het onderwerp van het OKW-symposium als het ware om: hij behandelde de invloed van de wetenschap op de verbeeldingskracht, of liever gezegd: op de letterkunde. Zijn lezing ging over Multatuli's afkeurende reactie op de evolutietheorie van Darwin die juist spraakmakend werd op het moment dat de Max Havelaar geschreven werd. Multatuli wees het Darwinisme niet af vanuit een godsdienstige overtuiging: „Ik ben geen christen want ik tracht ernaar een goed mens te zijn," schreef hij eens. Zijn aversie kwam eerder voort uit een geringe kennis van de biologie en de natuur. Hij had geen oog voor enig aspect van de natuur; hij was onze meest onzintuigelijke schrijver, aldus 't Hart. „Een paar maal is in zijn werk sprake van witte mieren. Het zijn voor hem uitsluitend schadelijke, archieven opetende insecten." Daarnaast nam Multatuli het
het wetenschapsproces weggelegd. De geschiedenis laat zien dat geleerden van naam vaak nachtelijke visioenen, zonderlinge fantasieën en curieuze hallucinaties beleefden. Deze roerselen van de geest gaven niet zelden een plotseling vermoeden van hoe een bepaald deel van de n a t u u r in elkaar steekt en vormden zo de sleutel tot de oplossing van een tot dan toe onoplosbaar probleem. Maar opgepast voor irrationalisme!, waarschuwde Kousbroek. Want was het al niet de Nederlandse scheikundige en nobelprijswinnaar Jacob van 't Hof f die inzag dat wetenschappelijke ontdekkingen weliswaar niet uit foutloos en logisch-rechtlynig denken ontstaan, maar óók dat alleen ontdekkingen die achteraf kunnen worden voorgesteld alsof zij uit dat logische denken wèl waren ontstaan, tot wetenschap kunnen worden gerekend. Visioenen en dergelijke zijn met andere woorden niet zelf de oplossing en bevatten die ook niet. Het onvermogen - of de weigering dit onderscheid tussen verbeeldingskracht en wetenschap te maken, is volgens Kousbroek een bron van voortdurende verwar-
Intuïtie, verbeelding, creativiteit - de woorden rolden vorige week zaterdag soms over tafel alsof ze gratis waren. Rudy Kousbroek n a m op een gegeven moment maar zijn toevlucht tot schaker Hein Donner die over zijn spelintuïtie eens had gezegd: „Als ik mijn koningin op dat veld zet, staat ze goed: h a r d en toch zacht." Is intuïtie in de ene hersenhelft te localiseren en verstand in de andere? Kousbroek had geen hoge pet op van dit soort theorieën; „het is meer een kwestie van training". In dat verband memoreerde hij enigszins schertsend het pleidooi van de al genoemde Van 't Hoff uit 1891 voor het HBSonderwijs. De tijd heeft Van 't Hoff gelijk gegeven: op één- n a hebben alle Nederlandse nobelprijswinnaars de HBS als vooropleiding gehad. Mogelijkerwijs heeft dit iets te maken met het feit dat HBS'ers, in tegenstelling tot gymnasiasten, geen geschoolde en geformaliseerde manier van mooi-vinden hebben meegekregen, wat hen in staat stelt oorspronkelijk te zijn. Maar ook dit theorietje, gaf Kousbroek toe, was eerder een product van verbeeldingskracht dan van degelijk wetenschappelijk onderzoek. De Vereniging voor OKW brengt binnenkort een bundel uit met de op het symposium geliouden voordrachten. Degenen die ƒ15,- overmalien op postgironr. 81541 van de Ver. voor OKW te Amsterdam, krijgen de bundel direct na verschijnen toegezonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's