Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 435
AD VALVAS — 19 APRIL 1985
11
„Vroeger ging het om netjes formuleren, n u meer om effectief overdragen informatie"
Belangstelling voor normatieve taalkunde leeft weer op De eerste docent taalkunde aan de VU was Abraham Kuyper. Hij bestudeerde taal verschijnselen zoals het spreken van de slang in het paradijs en werd geboeid door verschillen tussen de afzonderlijke talen. De talen van de „beschaafde" volken in West-Europa bezaten volgens hem „een ontwikkeling waarbij die van menige negertaai 't eenvoudig niet haalt. Zoo rijk als onze talen zijn, zoo arm zijn de talen dier natuurvolken". De superioriteit van bepaalde talen is één van de achterliggende ideeën die een rol speelden in de taalkunde van de afgelopen twee eeuwen. De ontwikkeling ervan werd ons toegelicht door twee nazaten van Kuyper aan de VU: Theo Janssen, die per 1 april benoemd werd tot hoogleraar taalkunde, en Jan Noordegraaf, die zojuist promoveerde op de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde in de negentiende eeuw. Kopstukken uit twee eeuwen taalkunde, zoals Taco Roorda en Noam Chomsky, krijgen heden de gelegenheid elkander vriendelijk of berispend toe te knikken en tevens licht de nieuwe hoogleraar toe waar zijn onderzoek in de toekomst over zal gaan. „Dat is een idee datje in de negentiende eeuw vaker aantreft," zegt Jan Noordegraaf over Kuypers later ook door hemzelf achterhaalde opvatting: „Het hangt samen met het idee dat taal en volk nauw verweven zijn. Dat wordt gebruikt en misbruikt en het racisme komt dan al snel om de hoek kijken. Als in onze eeuw Carel Scharten als poëziekritikus de poëzie van Jacob Israël de Haan beoordeelt, dan zegt hij dat het wel mooi is, maar dat hij kan merken dat De Haan van Joodse origine is, want de Joodse geest kan zich eigenlijk niet goed uiten in de Nederlandse taal. Had hij in de Semitische taal geschreven, dan was het mooier geweest." De taalkunde van de tweede helft van de negentiende eeuw had veel oog voor de verschillen tussen talen, waarbij de eigen taal boven de andere verheven werd. Noordegraaf: „Je vindt ook veel uitspraken over het Frans en het Duits. Het Frans wordt door de Duitsers een lelijke taal gevonden; het nasale karakter van be-
Advertentie
met onze studentenpas komt u ver over de minimum loongrens De Vakaturebank I UITZENDBURO van Baerlestraat 45 Amsterdam Tel. 020 - 765246
worden met die algemene principes. J e moet dan ook kunnen achterhalen wat het vermogen van de menselijke geest is."
Psychologie
Al vanaf omstreeks 1850 speelt de psychologie een belangrijke rol in de taalkunde. Noordegraaf legt uit dat dit in de jaren twintig van onze eeuw verandert als de Amerikaanse taalkunde zich onder leiding van Bloomfield in de richting van het behaviorisme ontwikkelt. Bij Chomsky draait het weer de andere kant uit. Janssen: „Chomsky neemt de taal als een natuurprodukt, in die zin dat het sterke biologische structuurkenmerken heeft en aangezien het een niet direct waarneembaar object van de mens betreft kom je terecht bij de cognitieve psychologie." Door de opkomst van de transformationele taalkunde veranderde het aanzien van de door taalkundigen gepubliceerde artikelen. Ze raakten doorspekt met boomdiagrammen en termen als 'Nominal
toneelkritieken, hij schreef over het werk van Potgieter en was heel breed georiënteerd. Daarbij had hij geen academische studie achter de rug." De taalkundigen van die tijd waren er doorgaans ook op uit het taalgebruik van de Nederlander te verbeteren en waren dus ook onderwijzer in de meer figuurlijke zin. De taalkunde was normatief. Over twee kopstukken uit het begin van de eeuw. Van Weiland en Siegenbeek, schrijft Noordegraaf in zijn dissertatie: „Hun taak was vast te stellen wat als goed Nederlands kon gelden: h u n visie werd door de daartoe geëigende instanties uitgedragen." Over de latere Matthias de Vries vertelt hij: „Zijn doel was niet alleen descriptie, maar ook verrijking van de taal van het volk. De Vries baseert zich daarbij op de goede schrijvers van vroeger, iets watje bij Van Weiland ook vindt. J e ziet dan dat dichters in grammatica's worden aangehaald. Siegenbeek voert de historicus Wagenaar op als voorbeeld van iemand die mooi kan schrijven en
geslacht, al spreekt men ook van het liefste en zachtste meisje."
Descriptief
Dergelijke discussies lijken op het eerste gezicht in de twintigste eeuw uit de academische taalkunde te zijn verdwenen. De taalkunde werd een descriptieve wetenschap. Noordegraaf zegt echter: „In een bepaalde mate is de aandacht voor normatieve taalkunde nog wel aanwezig. Dat k u n je afleiden uit de belangstelling voor bladen als Ome Taal. Ook kreeg de vorig jaar verschenen Algemene Nederlandse Spraakkunst veel aandacht in de pers. Daarin wordt wel gezegd: we zijn niet normatief, maar soms zegt men toch dat iets niet acceptabel is; men trekt een grens. Dat boek is n u al aan de vierde oplage bezig, dus er is wel belangstelling voor dit soort kwesties bij het grote publiek." ,,De accenten liggen tegenwoordig echter op andere punten. Vroeger ging het om netjes formuleren, terwijl het accent n u meer ligt op het effectief overdragen van informatie. De boekjes gingen vroeger over verkeerd woordgebruik, slechte aansluiting in zinnen, verkeerde samentrekkingen, terwijl de nieuwere boekjes vanuit een andere invalshoek worden geschreven: is de informatie wel optimaal?" De terugkeer van de aandacht voor normatieve taalkunde moeten we volgens Noordegraaf tegen een maatschappelijke achtergrond zien: „Men gaat weer terug n a a r het formelere van voor de
Johan de Koning paalde klanken verraadt al het slechte karakter van die Fransen. In Nederland vind je dergelijke opvattingen ook bij een taalkundige als Matthias de Vries, die vindt dat een Germaanse taal als het Duits veel beter is dan het Frans, omdat je in het Duits nog naamvallen hebt en de vorming van nieuwe woorden nog vrij k a n plaatsvinden. Hij zegt dan: 'Ons woordenboek zal heel veel delen omvatten. En hoe zit het met het Franse woordenboek? Dat zal veel dunner zijn. Dat zegt toch iets over de geestkracht van dat volk.'" In onze eeuw rekende de bekende schrijfster Carry van Bruggen in Hedendaags fetisjisme af met de ideeën over de superioriteit van bepaalde talen. Ze zette zich volgens Noordegraaf bijvoorbeeld af tegen de gedachte dat Grieks bij uitstek een beschaafde taal zou zijn. Onder aanvoering van de Amerikaan Noam Chomsky kwam in de jaren vijftig de transformationele taalkunde op. Haar methode richt zich juist op de overeenkomsten tussen verschillende talen. Men ging op zoek n a a r universele principes waar de grammatica's van de afzonderlijke talen uit zijn af te leiden. Schuilt hierachter n u juist een afwijzing van chauvinistische en racistische ideeën? Janssen: „De uitgangspunten van de transformationele taalkunde zijn in ieder geval van dien aard datje daarin geen basis k u n t vinden om te zeggen dat het ene volk niet gelijkwaardig zou zijn a a n het andere. Men gaat er vanuit dat iedereen in principe over dezelfde competentie beschikt. Kn de taal is zo'n belangrijke component van de menselijke geest en het idee van die gelijke competentie heeft zo'n hoge mate van evidentie gekregen, datje het ook n a a r andere facetten van de menselijke geest mag uitbreiden." ,,Je constateert dat iedereen welke taal dan ook zou kunnen spreken, als hij maar in de omgeving is opgegroeid waar die taal wordt gesproken. Je zou Frans hebben kunnen leren, je zou Engels hebben kunnen leren, je zou Chinees hebben kunnen leren. Dat betekent dat de menselijke geest van dien aard is dat er principes in aanwezig moeten zijn die het mogelijk maken om welke taal dan ook te leren en dat de talen in relatie gebracht moeten kunnen
Jan Noordegraaf (links) en Theo Janssen (rechts) voor de portretten van enkele kopstukken uit de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. (Foto AVC/VU). Phrase' of 'NP' voor een naamwoordsgroep. Het gevolg hiervan is de met name onder leraren veel gehoorde klacht dat de taalkunde niet interessant meer voor ze is. Volgens Janssen is dat echter niet zo'n probleem. ,,Het is de vraag in hoeverre het voor een leraar belangrijk is dat hij op de hoogte blijft van heel specifiek wetenschappelijke ontwikkelingen. Ik denk dat het op zich een gunstige ontwikkeling is dat de taalkunde op een zodanig niveau gekomen is dat je h a a r niet meer losjesweg, nebenbei, k u n t blijven volgen. Het zou kunnen dat er een behoefte bestaat om op de hoogte te blijven van taalkundige ontwikkelingen. D a n zou je het tot taak kunnen rekenen dat je ervoor zorgt dat je dingen die bijvoorbeeld relevant zijn voor de lespraktijk doorvertaalt."
Onderwijzers
In de vorige eeuw was de band tussen de taalkunde en het onderwijs duidelijk hechter. Taalkundigen zoals C. H. den Hertog waren vaak ook onderwijzer en daarbij bleef het dan nog niet eens. Noordegraaf: „Den Hertog schreef behalve over allerlei onderwerpen uit de taalkunde ook
Brill doet dat met Bilderdijk. Later zie je voorbeelden ontleend aan Hooft, Huygens en Potgieter." Taco Roorda kwam hiertegen in de jaren vijftig als één van de eersten in verzet. ,,Bij Roorda gaat het erom dat de levende taal, die gesproken wordt voorop staat. Wat hij onder levende taal verstond was waarschijnlijk toch het taalgebruik van een bepaalde elite, maar het betekende desalniettemin een forseverschuiving." Roorda toonde zich tegenstander van de handhaving van naamvallen in de spelling, omdat die uit de gesproken taal verdwenen waren, en hij zag geen reden om de geslachten van zelfstandige naamwoorden in de geschreven taal te handhaven. Hij ondervond tegenstand van taalkundigen die het bijvoorbeeld stotend vonden om n a a r de hand (een vrouwelijk woord) van een meisje met „hij" te verwijzen. In een weerwoord dat door Noordegraaf wordt geciteerd vraagt Roorda zich af „hoe dan, als de mollige arm, de nette voet, de lieve mond of de boezem van een meisje het onderwerp is, daarover gesproken wordt? Die woorden zijn toch volgens de woordenlijsten van het manlijk
jaren zestig. Er wordt weer meer op gelet of je 'dt' goed schrijft in je sollicitatiebrief. Je moet n u mooie brieven schrijven en daarom zijn er allemaal van die boekjes als Hoe schrijf ik een brief, of voor de universiteit - Hoe schrijf ik een scriptie." Janssen vult aan: ,,Het heeft ermee te maken dat mensen in toenemende mate onzeker zijn ten aanzien van hoe ze überhaupt beoordeeld worden. In het algemeen durft men minder."
Beleefdheid
De academische taalkunde houdt zich echter toch weinig met normatieve kwesties bezjg. Maar ze is ook niet bij Chomsky blijven steken. Janssen onderscheidt naast diens cognitief-psychologische benadering een sociaal-psychologische: „Die benadering stelt vragen als: hoe wordt de taal gebruikt, vanuit wat voor principes ga je met de taal om? Dat zijn principes die in het laatste decennium bekendheid hebben gekregen als de principes van Grice, samenwerkingsprincipes. Als voorbeeld noemt Janssen beleefdheidsstrategieën, waarbij men zich oriënteert op het „gezicht":
Vervolg op pag.15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's