Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 359
AD VALVAS—8 MAART 1985
7
VU"psychologen onderzochten besluitvormingsprocessen
Herwaardering van management op universiteit Besluitvormingsprocessen aan universiteiten blijken steeds minder in overeenstemming met bepalingen uit de WUB te verlopen. Op (sub)faculteitsniveau wordt door bestuurders steeds meer gekozen voor een aanpak waarmee al enigszins gepreludeerd lijkt te worden op de komende WWO. Tot deze conclusie komen de arbeids- en organisatiepsychologen Paul Koopman en Paul Lenoir na een onderzoek naar 15 besluitvormingsprocessen op een zestal subfaculteiten psychologie. Zij constateren een afname van de tijd die nodig is om een besluitvormingsproces af te ronden en plaatsen dit feit in het streven naar een grotere doelmatigheid van bestuur zoals die in de WWO beoogd wordt. „In de omgeving van de universiteit is nogal wat veranderd. Kort samengevat: de omgeving van de organisatie is bedreigender geworden," zo schetst Paul Koopman de setting waarin de laatste jaren een verandering van de besluitvormingsprocedures heeft plaatsgevonden. „Het functioneren van een organisatie is minder vrijblijvend geworden; er worden sterkere eisen gesteld, meer tijdsdruk, meer behoefte aan efficiency. Als je het functioneren van de universiteit bekijkt, dan zit die naar ons gevoel tussen een oude en een nieuwe fase in. De oude structuur was erop gebouwd dat er ruimte rondom de organisatie bestond. Er was weinig tijdsdruk, de middelen waren gegarandeerd en conflicten waren bijna altijd op te lossen vanuit het extra van het budget van het volgende jaar. Er kon dus erg veel. Nu is het interessante als zo'n organisatie van buitenaf bedreigd wordt, dat dan min of meer automatisch de besluitvormingsstructuur zich gaat wijzigen." De belangrijkste wijziging die zich voordoet is dat besluiten veelal niet meer voorbereid worden door een onderwijscommissie of een onderzoekscommissie, welke daarvoor bedoeld zijn in de WUB, maar door ad-hoc commissies. Lenoir: „De oorspronkelijke bedoeling van de WUB was om deskundigen in die commissies te zetten die een bepaald voorstel zouden formuleren. Naarmate je in een situatie terechtkomt waarin de pijn steeds moeilijker te verdelen valt, wordt het onderhandelen steeds belangrijker. Als de budgetten steeds toenemen word je het betrekkelijk snel eens. In een tijd van bezuinigen zijn de vakgroepen gaan zeggen, hoewel het één het ander niet uitsluit, het gaat niet alleen om deskundigheid maar er moet ook een sterke vent in zitten die ons belang kan verdedigen."
Terugfluiten
Volgens de beide psychologen hangt het instellen van ad-hoc
dat een plan later weer van tafel geveegd wordt." Jullie sien die ad-hoc commissies niet als een juridisch probleem, in de sin dat het eigenlijk niet mag? Koopman: „Dat is zeker niet het geval. Het maakt hooguit misschien een wat oneigenlijke indruk wanneer de grootste onderzoeksreorganisatie in een ad-hoc commissie plaatsvindt." Wordt de snellere besluitvorming misschien ook veroorsaakt doordat de situatie op de universiteit minder gepolariseerd is, door het goeddeels wegvallen van de studentenopposttie? Koopman: „De complicatie die vroeger nogal eens bestond was dat studenten in een wip-positie zaten zodra het ging om beslissingen over de formatie, waar de be-
Hiermee lijkt een einde te komen aan een experiment dat , in 1971 zijn oorsprong vond. In dat jaar werd de Wet Universi-
organisatie de belangrijkste „power" zit en behoort te zitten. Het goed functioneren van onderwijs en onderzoek bepaalt het voortbestaan van de universiteit, en de kennis daarover zit in de werkunits." „Deze visie zegt dat de macht over de besluitvorming ook bij de basis behoort te liggen en niet daarbuiten, en niet bü de minister en zijn technocraten, planners. Dat is een botsing van twee strijdende concepties en ik ben er nog niet zo zeker van welke kant de bal zal gaan uitrollen." „Kan een minister wel of niet een universiteit naar zijn pijpen laten dansen? Het lijkt er nu op dat hij een stapje terug doet. Deetman wil een stukje autonomie aan de universiteit teruggeven en
KoosNeuvel commissies samen met een veranderde mentaliteit ten opzichte van het besturen. Koopman: „Vanouds was het zo dat lid worden van commissies en raden een kwestie was van toerbeurt, een klus die de leden van het wetenschappelijk personeel om beurten moesten opknappen. De impliciete norm was dat je zo weinig mogelijk moest besturen omdat dat niet meetelt. Onderzoek daar ging het om. Doordat die afvaardiging zo'n willekeurige zaak was kon het gebeuren dat een vertegenwoordiger van een vakgroep een bepaald standpunt innam en daarna weer teruggefloten werd. Er ontbrak een zekere consistentie in beleid." „De situatie is nu aan het verdwijnen dat de besluitvormers de mensen zijn die niet echt geïnteresseerd zijn in de besluitvorming, dat ze weinig inzicht hebben in wat er gebeurt, en dat er vanuit de betrokken werkunits weinig belangstelling bestaat. Mensen realiseren zich dat ze snel zullen moeten reageren, als ze hun voortbestaan veilig willen stellen. Er is een opwaardering van het management-gebeuren." Het instellen van ad-hoc commissies heeft tot gevolg gehad dat de tyd die een besluitvormingsprocedure in beslag neemt aanzienlijk bekort is. Dat wordt volgens Lenoir veroorzaakt door twee factoren: „In de eerste plaats is er een groter besef van tijdsdruk, gekoppeld aan een strakke planning. In de tweede plaats wordt het onderhandelingsproces beheersbaarder wanneer mensen van werkunits die 'ja' op een besluit hadden gezegd, de volgende dag niet meer teruggefloten worden. Het inzetten van meer serieuze bestuurders werkt naar twee kanten. Enerzijds heeft het als voordeel dat de achterban het gevoel heeft dat ze zo goed mogelijk vertegenwoordigd is. Anderzijds heeft het als voordeel dat vrijwel altijd voorkomen wordt
De arbeids- en organisatiepsychologen Paul Koopman en Paul Lenoir (Foto AVC/VU) langen van de vakgroepen verdeeld lagen. Zo'n situatie kun je bij het onderwijs nog verdedigen, maar bij het onderzoek wordt het al moeilijker en in het kader van de voorwaardelijk gefinancierde programma's wordt het zelfs onacceptabel."
Loskoppeling
Onlangs pleitte de voorzitter van de Raad van Advies voor Wetenschapsbeleid (RAWB), prof. H. van Bueren, voor een loskoppeling van het bestuur van onderzoek van het bestuur van onderwijs. Hij beklaagde zich er over dat hierin niet werd voorzien door de WWO. Koopman en Lenoir verklaren dat op hun subfaculteit zo'n loskoppeling zich al aan het voltrekken is: „Met de invoering van de voorwaardelijk gefi-
WWO'84: doelmatig besturen voorop De nieuwe wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO '84) beoogt vooral de doelmatigheid van het universitaire bestuur te vergroten. Dat begrip „doelmatigheid" wordt daarbij ingevuld als in contrast staand met een „democratisch" bestuurde universiteit, waarbij ook studenten en niet-wetenschappelijk personeel een zekere mate van zeggenschap hebben.
nancierde programma's wordt de knop omgezet. Er is geen collectief meer dat democratisch overlegt. De aansturing van de programma's, de beoordeling van de medewerkers, de bewaking van de planning wordt allemaal de verantwoordelijkheid van de programmaleider. Het enige wat in overleg met alle deelnemers gebeurt is de opstelling van het programma en de planning. Hier wordt dus al de lijn gevolgd dat het niet realistisch is dat studenten of tassers een zeggenschap van enige omvang krijgen als het gaat om het onderzoek." Op welke wijse preludeert het instellen van ad-hoc commissies op de WWO? Lenoir: „In de nieuwe wet wordt vooral de nadruk gelegd op de
taire Bestuurshervorming ingevoerd, een tijdelijke wet die de universitaire gemeenschap opdeelde in geledingen: studenten, wetenschappelijk personeel en niet-wetenschappelijk personeel. Bovendien kreeg de belastingbetaler enige invloed: buiten-universitaire leden moeten de maatschappij in de universiteitsraad, het parlement, vertegenwoordigen. De WUB was een compromis tussen de „one person - one vote' eis van de studenten en het adviescollege dat de hoogleraren voorstonden. De ver-
houdingen tussen de geledingen lagen zo dat in de faculteitsraden het wetenschappelijk personeel minstens de helft van het aantal zetels kreeg. Niettemin werd toch het bezwaar tegen de WUB geopperd dat beslissingen eventueel genomen zouden kunnen worden zonder instemming van de professionele kern, het w.p. In de WWO wordt daarom gegarandeerd dat de meerderheid van de zetels van de faculteitsraad bezet zal worden door het w.p. Dat is niet de enige wijziging. Ook de verhouding tussen be-
doelmatigheid van het bestuur. De ad-hoc commissies die ingesteld zijn om de doelmatigheid te vergroten passen in de geest van de WWO." Maar gaat het hier niet om een vorm van decentraal bestuur, terwijl voor de WWO centralisatie juist kenmerkend is? Koopman: „Inderdaad, de minister probeert op een aantal beleidsterreinen de universiteit in zijn pas te laten lopen. De essentie van deze visie is dat de belangrijkste machtsgroepering zich buiten de organisatie bevindt. De organisatie is een relatief onmachtig instrument in handen van een externe „powerholder". Die visie staat volstrekt in spanning met een andere visie die zegt dat de universiteit eigenlijk een soort omgekeerde piramide is, in die zin dat op de bodem van de
stuur en raad wordt anders geregeld. Aan de faculteitsraad komt een limitatief opgesomde reeks bevoegdheden toe: het vaststellen van het faculteitsreglement, het onderwijsprogramma, examenregelingen, onderzoeksprogramma's en een facultair begrotingsplan. Het faculteitsbestuur vervult alle overige taken. De functie van de raad zal daarmee beperkt worden tot een verantwoordelijkheid voor de hoofdlijnen van het beleid. Het zwaartepunt van het universitaire bestuur verschuift dus van de gekozen raden naar de benoemde besturen. Het is ook de bedoeling dat in de faculteitsraden voortaan leden van maat-
ik denk dat we dat in toenemende mate te zien zullen krijgen." Zijn die twee concepties niet heel goed verenigbaar? In de sin dat in de hogere bestuurslagen een centralisatie plaatsvindt, en op de lagere bestuursniveaus een decentralisatie? Koopman: „Er komen inderdaad van bovenaf heel duidelijke voorstellen over wat er moet gebeuren. Men zegt welke studierichting opgeheven moet worden en hoeveel een faculteit moet inleveren, vrij concreet gespecificeerd naar subtaken. Op facultair niveau kun je dan een commissie in het leven roepen waarin vertegenwoordigers van verschillende vakgroepen zitten. Maar wat zo'n commissie op lokaal niveau nog kan uitonderhandelen is niet zo veel natuurlijk."
schappelijke organisaties buiten de universiteit zullen plaats nemen. Voor zeggenschap van studenten is in de nieuwe wet niet veel plaats. Zij zullen in ieder geval niet in de benoemde besturen zitting hebben. Studenten zullen wel ruimschoots mee mogen praten in de zogenaamde „studierichtingscommissies" die opgericht zullen worden ter compensatie van het wegvallen van het subfacultaire bestuursniveau. Helaas voor studenten bezitten deze studierichtingscommissies geen enkele reële mogelijkheid van zeggenschap, zij hebben alleen een adviserende functie. (K.N.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's