Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 199
7
AD VALVAS — 23 NOVEMBER 1984
Nimda Schelhaas promoveerde op theologie van GoUwitzer
'Christendom en marxisme toch niet verenigbaar' 'Ik ben diep in het marxisme gedoken en wat ik ook gevonden heb, hoe je het ook wenden of keren wilt, het is atheïstisch. Marx vond de godsdienst illusionair.' Dit is één van de ondubbelzinnige conclusies die Nimda Schelhaas trekt in een gesprek dat we hebben ter gelegenheid van het verschijnen van zijn proefschrift. Christendom en marxisme zijn volgens hem uiteindelijk toch niet verenigbaar. Schelhaas is tot zijn bevindingen gekomen na een diepgaande studie over één van de meest omstreden en strijdbare theologen van het na-oorlogse WestDuitsland: Helmut Gollwüser, leerling van Karl Barth. Het proefschrift is ook als boek uitgegeven by Kok in Kampen, en zal in de winkel ƒ 27,50 gaan kosten.
Nimda Schelhaas is al sinds 1962 a a n de VU in de theologie afgestudeerd. Hij is niet aan de VU werkzaam, maar is predikant in Apeldoorn. Op een stralende herfstdag zoeken we hem op in zijn huis dat naast de kerk staat. Schelhaas is een joviale man die met een aanstekelijk werkend enthousiasme over zijn proefschrift kan vertellen. Hij vindt het prachtig en is in zijn element wanneer ik zo n u en dan ook wat tegengas probeer te geven. Het onderzoek van. Schelhaas n a a r GoUwitzer is het verslag van een fascinatie: „Die m a n en zijn theologie hebben mij ma-te-loos geboeid," zegt hij met extra nadruk, „ik heb al mijn vrije tijd er in 'weggegooid'. Het socialisme, Karl Barth etc. hebben mij altijd geïnteresseerd omdat politiek mij altijd geïnteresseerd heeft." Toch is deze fascinatie door GoUwitzer niet hetzelfde als aanbidding. De uitdrukking 'haat-liefde verhouding' lijkt meer recht te doen aan de gevoelens die Schelhaas voor GoUwitzer koestert: „Eigenlijk heb ik grote bewondering voor de man hoewel ik afscheid neem van zijn christenmarxisme. Dat is een afscheid met pijn en verdriet. In een aantal opzichten voel ik me beslist a a n hem verwant, alleen kan ik de wending n a a r het marxisme zoals hij dat invoert In de theologie, onmogelijk meemaken. Ik vind dat hij dat theologisch ook niet waargemaakt heeft. Een hele goede vriend die het proefschrift las, die zei: 'Je moet toch behoorlijk pijn hebben ondervonden dat het hem naast je neer hebt moeten leggen.' Ik antwoordde: 'Dat heb je verdraaid goed aangevoeld.' Dat is beslist waar, maar ik kan niet anders. In politicis voel ik mij meer verwant met een figuur als Barth dan met GoUwitzer." Schelhaas verwijt GoUwitzer dat hij zijn politieke ambities legitimeert met theologische argumenten: „Hij deduceert via de indirecte weg. GoUwitzer vindt dat het evangelie opteert voor gerechtigheid, barmhartigheid etc. Vervolgens zegt hij: 'Als ik dat vandaag de dag bekijk is dat een zuiver socialistische doelstelling. Dus tendeert het evangelie n a a r het socialisme'. Daarna, en dat vind ik een hu2a.renstukje op zich, wordt die indirecte weg gepresenteerd als 'de' weg."
Klassenstrijd
Schelhaas moet ook niet veel hebben van het klassenstrijd-begrip dat GoUwitzer hanteert. Dat Marx het begrip gebruikte is voor hem nog voorstelbaar, maar dat iemand in de tweede helft van de 20e eeuw nog de klassenstrijd als uitgangspunt voor zijn theorie
vertekend beeld van de mens, een verschraald mensbeeld. Marx pint de mens vast op zijn economische positie, zijn positie-keuze in het productie-proces." Ik dacht dat juist die reductie van de mens tot sijn economische positie bekritiseerd werd door^Marx; dat de arbeider tot koopwaar wordt, iemand die alleen nog maar sijn arbeidskracht kan verkopen? „Ja, zijn bei^waar lag wel in het feit dat de arbeider uitsluitend gedegradeerd werd tot koopwaar op de markt. De klassenstrijd is echter beslissend voor de ontwikkeling van het productie-proces. Als elk mens op gelijke wijze toegang heeft tot de productie-middelen en n a a r behoefte daarvan kan leven, dan zou de problematiek van de samenleving opgelost zijn. Giodsdienst is overbodig en kan afsterven. Aan de ene kant deel ik dat bezwaar van Marx wel, maar niet zijn oplossing. De ver-
pen. Ik denk dat het de essentie van de theorie van Marx is." ALs je christendom en marxisme met elkaar vergelijkt, vergelijk je dan geen appels en peren, twee verschillende grootheden die sich met verschillende zaken besighowden? „Ik heb bij GoUwitzer geleerd: God redt de mens niet uit de geschiedenis, maar God redt de mens met de geschiedenis. Het christendom heeft natuurlijk heel veel met deze aardbodem te maken, dat geldt voor het marxisme idem dito met een sterretje. In zoverre zijn het geen appels en peren. Beiden houden ze zich bezig met de politieke en sociale realiteit van de samenleving. De kerk heeft daar n u aanzienlijk meer begrip voor dan vroeger en daar ben ik blij om." Schelhaas vindt dat het marxisme het christendom een spiegel voorhoudt en er een uitdaging
KoosNeuvel
Hebben veel christenen en marxisten niet gemeenschappelijk dat se voortdurend in de weer sijn met het vaststellen van de juiste leer; dat se de vermeende oorspronkelijke suiverheid ervan willen afschermen tegen vreemde invloeden. Waarom souden mensen niet meer als ketters te werk mogen gaan en uit theorieën mogen oppikken wat se waardevol vinden?
neemt, daar kan Schelhaas mej zijn pet niet bij. Hij roept een aantal neo-marxisten als kroongetuigen aan: „In de Frankfurter Schule vind ik nauwelijks de klassenstrijd terug. Wel de strijd tegen de technocratie en voor een mentaliteitsverandering. Die klassenstrijd is toch geënt op het idee dat de geschiedenis staat of valt met de strijd van twee klassen. Ik denk dat dat een fictie is. Als je ook over die klassenstrijd leest bij Marx, dan komt het toch neer op de vernietiging van de tegenstander. Marx jongleerde natuurlijk graag met de revolutie, maar ik denk dat dat niet erg evangelisch is." Moeten we die klassenstrijd niet anders opvatten, meer als erkenning ervan dat er tegenstellingen bestaan die niet sonder meer op één noemer gebracht kunnen worden. Wat niet betekent dat mensen elkaar direct de hersens moeten inslaan, maar als iets wat ook onderhandelingen en overleg met sich mee kan brengen? Deze vrijmoedigheid wijst Schelhaas zonder pardon van de hand: „Als je het woord klassenstrijd links en rechts anders k u n t interpreteren dan moet je het woord klassenstrijd niet meer gebruiken. Dan moet je maar een ander begrip uitvinden. Dat vind ik oprecht bij GroUwitzer die aan dat soort nieuwe interpretaties niét meedoet, hoewel hij die begrippen wel relativeert. Maar hij weet toch, als hij die begrippen hanteert, dat hij met Marx zelf te maken heeft. De klassenstrijd is een concreet en duidelijk omschreven begrip. In de gedachten van Marx omschrijft het de werkelijkheid zoals die is. Het is bovendien een normatief gegeven, van hoe de strijd gestreden dient te worden. Onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers noem ik geen kwestie van klassenstrijd meer. Maar nog altijd blijft over dat je dan de zaak toespitst op de tegenstelling tussen werkgevers en werknemers. J e k u n t niet volhouden dat we in Nederland nog te maken hebben met het pure kapitalisme, dat is al lang niet meer zo. Kapitalisme is hier gesociaUseerd kapitalisme met hier en daar vervelende, lelijke uitwassen. Neem de Ogem-directie, dat zijn schandalige dingen die daar plaats vinden. Veelal zijn werkgevers echter ook niet anders dan zetboeren.
Koopwaar Die klassenstrijd gaat uit van een
lie want het evangelie verkoopt het niet aan jou. Bij Marx zit het kwaad natuurlijk in de maatschappelijke structuren en verhoudingen. Als je het evangelie leest dan blijkt duidelijk dat Jesus heel goed oog had voor de sociale wanorde in deze wereld. De rijken krijgen er van langs en de armen worden zalig gesproken. Dat zijn zaken die ik zeer belangrijk vind. Uiteindelijk eindigde de missie van Jezus echter wel by het kruis, het was het rebelse h a r t dat fout zat. Structuren, dat heb ik bij GoUwitzer geleerd, worden door mensen gemaakt. Wij mensen maken ordeningen en er zijn heel wat ordeningen die inderdaad veranderd moeten worden voor het menselijk heil en geluk. Dat verhindert mij niet om te zeggen dat je die dingen niet domweg samen op k u n t laten lopen. ALs het evangelie het heeft over bevrijding, dan gaat tegelijkertijd het appèl uit tot de mens om zich te laten bevrijden. Door Jezus en door niemand anders."
CDA
(Foto Bram de Hollander) maatschappelijking van de mens was zijn oplossing. Een klassenloze maatschappij waarin de hele bovenbouw volgens een n a t u u r wetenschappelijk proces zal wegvallen: religie, moraal, recht en staat. Zo zou de mens 'allseitig' worden, een complete mens die niet meer vervreemd is van zijn eigen identiteit. Die weg vind ik onmogelijk." Het anti-religieuze karakter van het denken van Marx staat voor Schelhaas als een paal boven water: „Hij heeft het zelf geschreven. Kritiek op de godsdienst is vooronderstelling van elke andere kritiek, je vindt dat letterlijk terug in de Frühschriften. Dat is heel duidelijk. GoUwitzer denkt dat het accidenteel is, iets wat je van Marx en Engels k u n t afstro-
voor vormt, maar toch zijn het volgens hem uiteindelijk twee onmogelijk met elkaar te verenigen grootheden: „Ik heb er bezwaar tegen om het marxisme zo voor te stellen dat het keurig past binnen de christelijke proposities. Het is niet waar, en daar doe je Marx en het marxisme ook geen recht mee. Wie is er bij gebaat om een christen voor een halve marxist te verklaren en een marxist voor een halve christen. In zoverre zijn het inderdaad appels en peren."
De juiste leer
„Het marxisme is een immanent systeem dat de bevrijding uitsluitend verwacht van de eigen zelfverwerkelijking van de mens. Hoe je dat verhaal ook verkopen wil, je verkoopt het niet aan het evange-
„Ja, dat is heel frappant. Ik denk dat dat zoeken n a a r de juiste leer een theologische trek van ons allemaal is. Uit alle theorieën die over straat gaan pikje natuurlijk wel dingen mee. Toch denk ik dat je voorzichtig moet wezen. GoUwitzer noemt zich 'christlichermarxist' en dan denk ik: dat moet je niet doen. J e k u n t zeggen dat In je theologisch ontwerp een aantal verschillende elementen aanwezig zijn. Dat kan legitiem zijn, dat zul je iedere keer opnieuw moeten aantonen, maar dan nog vind ik dat je de hele gedachtengang die achter zo'n theorie zit niet zomaar k u n t annexeren. Je moet zeggen dat een bepaald element in een theorie je aanspreekt, en dat dat element een legitieme plaats in je ontwerp kan hebben. Daar valt over te discussiëren, te praten en argumenteren. Bij GoUwitzer blijf ik toch met het idee zitten dat hij zegt: zo is het en anders niet. Bij GoUwitzer moet je eigenlijk al bij voorbaat toegeven dat die klassenstrijd het helemaal is. Als je vindt dat het niet zo is, dan word je direct ingedeeld bij de geborneerde geesten en bij de mensen die de statusquo willen handhaven. Dat is een verwijt dat ik naast mij neerleg. Als ik morgen een VPRO-microfoon voor mijn neus krijg waarin ik mijn verhaal kwijt kan, doe ik dat, hoewel ik lid ben van de NCRV. Als de socialisten mij uitnodigen voor een lezing, doe ik dat, maar ik ben wel lid van het CDA. Dat mag toch? Je moet reëel met elkaar om kunnen gaan en elkaar niet bij voorbaat etiketteren of in de hoek zetten." Ondanks alle fundamentele kritiek die Schelhaas heeft op GoUwitzer, kan hij het toch niet laten om aan het einde van het gesprek toch nog een keer op zijn oprechte bewondering voor de Duitse theoloog te uiten; „Het is wel een m a n die gehoord moet worden. Zijn pleidooi voor de verdrukten in de derde wereld, daar word ik ontroerd van. Er zijn passages, zóóó geweldig. Ik heb ontzaglijk veel van hem geleerd, geweldig veel."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's