Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 70
KATERN — 4 wensen en ontwikkelingen. Uit hoofde hiervan zal met betrekking tot het aantal UHDbenoemingen een terughoudend be leid worden gevoerd. In de periode januari/februari 1984 is met het overleg per faculteit een begin gemaakt teneinde de behoefte aan UHDfuncties te peilen. In mei 1984 heeft het C.v.B. de facul teiten een kwantitatief kader voor UHD plaatsen toegezonden. Door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen is een maximum aantal UHDplaatsen vastge steld voor alle instellingen voor weten schappelijk onderwijs. Voorlopig uitgaan de van dit maximum aantal landelijk heeft het CvB het maximale aantal UHDplaat sen voor de VU bepaald. Het CvB heeft ervoor gekozen het aantal UHDplaatsen per (sub/inter)faculteit in samenhang te beschouwen met het aantal leerstoelen. Voor de totale formatie voor wetenschappelijk personeel per (sub/inter)faculteit is 30 % beschikbaar voor hoogleraren én UHD's. Aan de hand van de formatieprognose 1985 1989 heeft een toedeling per (sub/inter)faculteit plaatsgevonden. Daarnaast wordt op cen traal niveau een onverdeelde reserve voor UHDplaatsen aangehouden. De (geleide lijke) teruggang van het aantal leerstoelen vindt plaats volgens het leerstoelenplan. Dit gaat ervan uit dat het huidige aantal leerstoelen van 299 in 1989 is teruggebracht tot 249. Er wordt n a a r gestreefd dat de UR eind augustus 1984 het hierboven aangegeven kwantitatieve kader definitief vaststelt, nadat eventuele opmerkingen van (sub/in ter)faculteiten zijn ontvangen. Overigens zij opgemerkt dat nog geen overeenstem ming bestaat tussen de Minister van On derwijs en Wetenschappen en de instellin gen over de landelijk vastgestelde aantallen leerstoelen en UHDplaatsen. Het gaat daarbi] met name om het meerekenen van de medewerk(st)ers ten laste van de 2e en 3e geldstroom bij het bepalen van het aantal leerstoelen en UHDplaatsen. Bij de inter ne VUberekeningen zijn de 2e en 3e geld^ stroommedewerk(st)ers wel meegerekend. Vervolgens is er nog onduidelijkheid over de consequenties voor de BUWPverhou dingen bij de invoering van de assistenten in opleiding. Binnen het per (sub/inter)fa culteit gestelde kwantitatieve kader zal een UHDplan moeten worden vastgesteld, waarin het aantal organieke UHDplaat sen is aangegeven alsmede een aanduiding van het aantal persoonlijke benoemingen tot UHD. Daarnaast is medio juli 1984 de (sub/inter)f aculteiten meegedeeld op welke wijze het zittende wetenschappelijk perso neel moet worden ingepast in de nieuwe functiestructuur. Het gaat dan met name om de inpassing van de zittende weten schappelijk medewer(st)ers en wetenschap pelijk ambtenaren in de functie UD of in een der functies van het overig weten schappelijk personeel. Ten aanzien van de zittende wetenschap pelijk hoofdmedewerk(st)ers is inpassing in de functie UD of UHD eerst mogelijk nadat een (sub/inter)facultair UHDplan defini tief is vastgesteld. Deze laatste benoemin gen dienen uiterlijk 31 december 1985 h u n beslag te hebben gekregen. Het C.V.B, heeft besloten het merendeel van het wetenschappelijk personeel per 1 juli 1984 m te passen in de nieuwe BBRA schalen, omdat het mogelijk was om een deel der whm'ers wier salaris op grond van de ministeriele maatregel van 1 juli 1982 bevroren was, met ingang van 1 juli 1984 gedeeltelijk in de nieuw toe te kennen BBRAschaal te laten doorlopen.
5.3 Collect ieve Arbeidsovereenkomst (CAO). De in het Sociaal Jaarverslag 1982 uitge sproken verwachting dat de CAO voor het VU/AZVUpersoneel met ingang van 1 ja n u a r i 1984 in werking zou treden is helaas niet verwezenlijkt. Naar alle waarschijn lijkheid zal 1 januari 1985 de ingangsdatum worden. De oorzaak van deze vertraging is gelegen in de alsnog noodzakelijk gebleken technische wijzigingen en tijdgebrek als gevolg van de aandacht die moet worden besteed aan de personele gevolgen van de' bezuinigingen, in het bijzonder de TVC beslissingen. Het overleg met de vakorganisaties bevindt zich in een vergevorderd stadium. In juni 1984 is een volledige conceptCAO aan de bonden toegezonden, waarna raadpleging van de leden plaatsvindt door de vakorga nisaties. Tegelijkertijd wordt de concept CAO voorgelegd aan het Bestuur der Vere niging. In het S t a t u u t sociaal beleid, dat een onderdeel van de CAO vormt, worden een aantal uitgangspunten vastgelegd met betrekking tot het sociaal beleid van de VU en het AZVU.
AD VALVAS — 14 SEPTEMBER 1984 Dit beleid houdt ondermeer in: 1. het in het kader van de taakvervulling zoveel mogelijk laten verrichten van be vredigende en voldoening gevende ar beid; 2. het bevorderen van het welzijn, de ge zondheid en de veiligheid van de werkne mers; 3. het zorgen voor een goed overleg met de Commissie van Overleg (C.v.O.) c.q. de Ondernemingsraad (O.R.) voor goede ar beidsvoorwaarden; , 4. het bevorderen dat aandacht wordt ge schonken aan de werkgelegenheid. De verwezenlijking van bovengenoemde doeleinden vindt h a a r begrenzing in met name de personele bezetting en de finan ciële middelen van de VU. De middelen waarmee getracht wordt de doeleinden te verwezenlijken liggen onder meer op het gebied van arbeidsvoorwaarden, de organi satiestructuur, gezondheid, veiligheid en welzijn. In de CAO zyn de bepalingen van de huidi ge Personeelsreglement soms in enigszins gewijzigde vorm opgenomen. Daarnaast
naleving van de richtlijnen worden ge vraagd. Er wordt n a a r gestreefd het regel matig thuiswerken te verminderen. Ook wordt gestreefd n a a r het verder verbeteren van de bereikbaarheid van het weten schappelijk personeel. Periodieke herover weging van de verleende toestemming voor regelmatig thuiswerken zal worden ver langd. Evenzo wordt een verdere verfijning in de toepassing van de richtlijnen voor '^' zien.
5.5 Regeling nevenwerkzaamheden et De regeling nevenwerkzaamheden, die met ingang v a i r i januari 1983 in werking is in getreden, vormt een nadere uitwerking van ig de artikelen 51 en 52 PRVU. De regeling id nevenwerkzaamheden maakt onderscheid in tussen nevenwerkzaamheden in strikte zin c en werkzaamheden inherent aan de func e tie of als maatschappelijke dienstverle ning.
ting, tijdscompensatie door opnemen van enkele vakantiedagen, vermindering van de werktijdsfactor of buitengewoon verlof zonder salariskorting. Voor nevenwerkzaamheden buiten werk tijd is toestemming van het C.v.B. vereist, voorzover het om gehonoreerde werlcsaam heden gaat. De toestemming wordt door gaans verleend, tenzij de uitoefening van de nevenwerkzaamheden strijdt met het V.U.belang. De toestemming voor het ver richten van nevenwerkzaamheden moet, voorzover vereist natuurlijk, via de vakgroep/werkeenheid en het faculteitsbe stuur/hoofd van dienst aan het C.v.B. wor den gevraagd. Hetzelfde geldt voor maat schappelijke dienstverlening voor meer dan een halve dag per week. De regeling nevenwerkzaamheden moet worden gezien in samenhang met de richt lijnen inzake aan en afwezigheid, die hier voor reeds aan de orde zijn gekomen.
m
HE88EM
WEL l E H
5.6 Deelt ijdarbeid
BETEKS f E
In 1983 is een conceptcirculaire over deel tijdarbeid opgesteld teneinde duidelijkheid te verschaffen omtrent het VUbeleid in deze. Onder deeltijdarbeid wordt in de con ceptcirculaire verstaan „arbeid, verricht in dienstbetrekking gedurende een ar beidstijd waarover tussen partijen is over eengekomen dat deze korter is dan de gang bare (thans in het algemeen 40 u u r per week)".
Dotbi DAM
OKfzE NEI/EM ~ füNlfCTlEl fER
Uitgangspunt bij het beleid ten aanzien van deeltijdarbeid is de principiële gelijk waardigheid van medewerk(st)ers in deel en voltijds dienstverband. Op rechtsposi tioneel gebied is dat voor VUmedewerk (st)ers nog niet geheel te realiseren, omdat de wettelijke regelingen hieraan nog niet geheel zijn aangepast. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken treft voorbereidingen om waar mogelijk de noodzakelijke aanpas singen te realiseren.
3rELLEM. EEM
MEVEM •füNJKr/E BUVOOR^ÜEELP
zijn een aantal voor de VU en het AZVU geldende regelingen opgenomen, die niet in het Personeelsreglement verwoord waren. De bepalingen van de CAO sluiten nauw a a n bij de betreffende regelingen voor rijksambtenaren (Algemeen Rijks Ambte narenreglement, Rijkswachtgeldbesluit, Uitkeringsregeling 1966, Reisbesluit, Ver plaatsingskostenbesluit, etc). Op het ge bied van de tijdelijke arbeidsovereenkomst is een uitgebreide regeling getroffen. Slechts op een aantal in de CAO genoemde gronden is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mogelijk. Daarnaast zijn ga ranties vastgelegd ten aanzien van de duur van een tijdelijk dienstverband. In Ad Val vas d.d. 29 juni 1984 werd uitvoerige infor matie gegeven over de CAO.
5.4 Richt lijnen aanen afwezigheid Per 1 april 1983 zijn de richtlijnen inzake aan en afwezigheid van kracht geworden. In het verslag van 1982 is reeds aangegeven welke onderwerpen in de richtlijnen aan de orde komen. Kort gezegd wordt er in aan gegeven op welke wijze bi] de verschillende vormen van afwezigheid van de werkplek moet worden gehandeld. Uitgangspunt is dat medewerk(st)ers verantwoording afleg gen over h u n tijdsbesteking zowel tegen over de collega's als tegenover de leiding. Ondanks het gegeven dat zich_binnen de universiteit tamelijk grote verschillen in werksituaties voordoen, staat dit volgens het C.v.B. een sluitend systeem van regis tratie en autorisatie van aan en afwezig heid niet in de weg. Ten aanzien van de wijze van registratie, de instantie op het middenniveau welke daarmee is belast en in welke gevallen c.q. hoe vaak toestem ming is verleend voor regelmatig thuiswer ken is op verzoek van het C.v.B. door de faculteiten en diensten gerapporteerd. Op basis van de beschikbare gegevens kan geconstateerd worden dat volgens de rap portage in het algemeen met de nodig zorg vuldigheid de registratie en het verlenen van toestemming voor afwezigheid/thus werken is geregeld. In de contacten met de faculteiten zal regelmatig aandacht voor
Onder werkzaamheden inherent aan de functie worden verstaan, die werkzaamhe den welke niet aan een medewerk(st)er worden opgedragen, maar waarvan ver wacht wordt dat de medewerk(st)er deze oppakt. Te denken valt hierbij ondermeer a a n het lidmaatschap van de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift en aan ZWOactiviteiten. Werkzaamheden die als maatschappelijke dienstverlening worden aangemerkt zijn die activiteiten welke voortvloeien uit de specifieke kennis en kundigheid waarover binnen universitei ten wordt beschikt die elders niet voorhan den is en die vanuit maatschappelijk of algemeen belang in de maatschappij moe ten worden ingebracht. Zowel voor werkzaamheden inherent aan de functie als voor werkzaamheden di als maatschappelijke dienstverlening moeten worden aangemerkt, moet ingeval deze meer dan een halve dag per week vergen i toestemming van het C.v.B. worden ver kregen. Voor nevenwerkzaamheden in strikte zin binnen werktijd is toestemming van het C.v.B. vereist. De toestemming wordt niet verleend indien geen belang voor de V.U. aanwezig is. Indien het belang voor de V.U. aanwezig is kan de toestemming worden verleend. Binnen de organisatorische mo gelijkheden en rekening houdende met de mate van het V.U.belang wordt deze toe stemming verleend door buitengewoon ver lofverlening met een evenredige salariskor
Het kader waarbinnen het beleid inzake deeltijdarbeid gestalte krijgt, is de laatste jaren aan verandering onderhevig. Het niet uitbetalen van de prijscompensa tie in 1983 en 1984 heeft ertoe geleid dat de arbeidsduur vanaf 1 januari 1983 is verkort met 2.3 %. De arbeidsduurverkorting 1984 is evenals die van 1983 in de vorm van converteerbare verlofdagen toegekend, in totaal 5 dagen. De converteerbare verlofda gen zullen, zodra daarvoor op jaarbasis een voldoende aantal vrije uren is opgebouwd, kunnen worden omgezet in arbeidsduur verkorting per dag of per week. Het C.v.B. is van mening dat, gelet op de ontwikkelingen onder andere in de bruto en netto salarissfeer die samenhangen met het voorafgaande, het onder deze omstan digheden niet verantwoord is dat vanuit de organisatie een stimulerend beleid wordt gevoerd met betrekking tot deeltijdarbeid, hetgeen een extra salarisoffer zou beteke nen. Arbeidstijdverkorting moet n a a r zijn mening op landelijk niveau worden gere geld. Individuele arbeidstijdverkorting op vrij willige basis wordt uiteraard niet verhin derd. In het kader van de TVCbeslissingen zal prioriteit worden gegeven a a n de rechtspo sitionele en financiële aspecten van deel tijdarbeid en aan deelontslag met recht op wachtgeld alsmede aan de problematiek van algemene werktijdverkorting. Gelet op de genoemde ontwikkelingen is er van af gezien de conceptcirculaire inzake deeltijdarbeid te verspreiden. De volgende twee tabellen geven inzicht in de huidige stand van zaken met betrekking tot deel tij dmedewerk(st)ers voor wat be treft het aantal, het percentage en de ge middelde werktijdsfactor.
Tabel VII Aantallen voltijds en deeltijdmedewerk(st)ers in de jaren 1981 t / m 1983 (excl. stud.ass. en stagiaires).
TOTAAL
TAS
WP
Categorie Jaar
1983
1982
1981
1983
1982
1981
1983
1982
- voltijds - deeltijds
1539 750
1617 732
1658 650
1175 756
1251 774
1295 701
2714 1506
2868 2953 1506 1351
Totaal
2289 2349 2308 1931
2025 1996
1981
4220 4374 4304
Het aantal deeltijdmedewerk(st)ers is in absolute zin gelijk gebleven, terwijl het aantal voltijds werkenden is gedaald. Het logische gevolg hiervan is een toenemend percentage deeltijd werkenden en een geleidelijke daling van de werktijdsfactor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's