Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 305

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 305

8 minuten leestijd

AD VALVAS — 8 FEBRUAR11985

9

Het natuurlijk evenwicht van Ad Zuiderent De dichter Ad Zuiderent heeft achter zijn huis een tuin van acht bij zes meter. Deze tuin staat centraal in zijn laatste bundel, die onlangs bekroond werd met de Jan Campert-prijs. Hij werkt als neerlandicus in een gebouw van vijftien etages, dat we ook in de bundel tegenkomen en dat in werkelijkheid deel uitmaakt van de VU. We spraken met hem over zijn poëzie en haar ontwikkeling, over wetenschap en verbeelding, over dood en over zweven. „Het zweven, dat in de bundel belangrijk is, was er eerder dan de vorm. Zweven vind ik een heel raar verschijnsel. Je doet het eigenlijk nooit echt, ik heb bij voorbeeld nooit in een zweefvliegtuig gezeten, het is iets dat je je alleen kunt voorstellen. Het is een ideaal in mijn gedichten, nergens meer aan gebonden zijn, of het nu zeilen is, of zweven, of bewegen door de stilte. Ik heb zelfs overwogen of ik de bundel Al swevend zou noemen, maar dan zou men al gauw gaan denken dat het zweverige poëzie is." We zitten op de studeerkamer van Ad Zuiderent. De titel van zijn vierde bundel werd uiteindelijk Natuurlijk evenwicht. De prijs die hij ervoor ontving wordt jaarlijks toegekend aan een dichter voor een in datzelfde jaar verschenen bundel. Zuiderent: „Zo'n prijs is toch niet zozeer een waardering voor de beste bundel van het jaar. Iemand kan hem bij voorbeeld maar één keer krijgen. Het is in dit geval een waardering voor mijn laatste bundel, maar ook voor wat ik verder geschreven heb."

Johan de Koning de toekenning van de prijs, wijst hij erop dat Zuiderent in 1953 de watersnoodramp aan den lijve onderging. Vooral in zijn vroege poëzie heeft hij die ramp verwerkt in wat men wel apocalyptische visioenen noemt. Zijn stijl was experimenteel, wat zich wijzigde met de derde bundel. Met de vierde werd de in de gedichten beschreven ruimte beslotener. In het middelste gedicht staat de strofe: „Eens ging de ondergang met paard en kar de wereld rond; dat hebben we gehad. Nu blijf ik dicht bij huis, en noem je schat." Duiden die regels op je ontwikkeling? Zuiderent: „Jawel, maar het gaat ook om een zonsondergang, om Apollo met zijn zonnewagen. Ook dat hebben we gehad."

Heb je een verklaring voor die ontwikkeling? „Ik denk dat dat een natuurlijk evenwicht is, iets wat je niet zozeer afdwingt, maar waar je naartoe groeit. In de biologie is het toch ook een term voor iets dat door groei ontstaan is, dus niet iets kunstmatigs? Al kun je het proces natuurlijk wel bijsturen. Langzamerhand veranderen je smaak en je gevoel voor de manier waarop je iets het liefst zegt. Ik ben in mijn vroege gedichten vrij barok begonnen, veel beelden, 'woordrijk' werd het wel genoemd. Uiteindelijk ben ik er toch heel blij mee, want het geeft je het gevoel dat je de grond eerst goed hebt omgespit Soms realiseer ik me ook bij het schrijven van een gedicht, dat ik het eigenlijk al veel eerder had willen schrijven. Maar er zaten andere gedichten in de weg, die moest ik eerst schrijven." Er is ook een gedicht dat je niet wilde schrijven. Vier jaar geleden sei je namelijk in Ad Valvas over je werkomgeving: „En dan dat hoofdgebouw... Nee, ik hoop niet dat ik al dit soort irritaties in poësie moet gaan omzetten." Het voormiddelste gedicht van je nieuwe bundel heet 'Tuin der wetenschap', het telt evenveel regels als het hoofdgebouw etages. Zuiderent: (lacht) „Ja, dat heb je goed gezien. Maar dat aantal etages wordt ook in het gedicht genoemd: 'Het duister vijftien/ vloeren dik is jou een zorg.' Ik hoorde van Kees Fens dat hij voor het blad van de Nijmeegse universiteit iets over dit gedicht geschreven heeft. 'Want,' zei hij, 'wij hebben ook zo'n soort gebouw, met

Spiegeling

De kritici hebben er terecht op gewezen dat die laatste bundel de structuur heeft van een Franse classisistische tuin. De strofen van de gedichten spiegelen elkaar doorgaans qua lengte rond de middelste, het aantal regels is bij voorbeeld achtereenvolgens 3-21-2-3 of 1-2-3-2-1. Deze vorm is ook wel met die van een cirkel vergeleken. Als geheel bestaat de bundel uit een aantal reeksen, die elkaar spiegelen rond het middelste gedicht, dat zich afspeelt in de achtertuin van Zuiderent. Hierin heeft hij een aantal jaren geleden een cirkelvormig pad aangelegd.

Daar is de lucht geregeld, de son geweerd bij dag. Het duister vijftien vloeren dik is jou een sorg. Pracht van een hortus om de hoek - geen heemtuin met paden van verpulverd hout en bordjes wie aanwesig is, wie uit.

-

Daar sproeien slangen hun verdoving over perk en pad. Tuin van papier; lees je erover, lijkt het heel wat. Wat groeit omhoog in vreemde talen? Kijk op de plattegrond: carrière onder airconditioning. Een boom van kennis die je longen uit tot lucht vervloog. Op je bureau een bloede spoor van verbeelding? Hou het maar droog. (Uit: Natuurlijk

zo'n hortus om de hoek.' Kennelijk is het ook in zijn ogen wel herkenbaar."

Verbeelding

In het gedicht wordt wetenschap geassocieerd met droogte, en verbeelding met vocht, een bloedspoor. De club van K. Poll, Onderwijs Kunst en Wetenschappen, hield onlangs een symposium over wetenschap en verbeelding. Is dit jouw bijdrage aan de discussie? Zuiderent: „Niet dat ik tot de club

evenwicht,

p. 30)

van Poll wil behoren, maar er staat hier wel iets wat ermee te maken heeft. Bü wetenschap moet je je verbeelding beheersen op een manier die veel meer van buitenaf komt dan de beheersing van je artistieke verbeelding. Maar daarbij is de wereld van de wetenschap veel meer van papier, dan de wereld van de kunst. Ze is meer een fagade, lees je over de tuin der wetenschap, dan lijkt het heel wat." „Je bent als wetenschapper een erkend maatschappelijk fenomeen en dan val je in salarisschalen, en als kunstenaar ben je dat niet. Het zou misschien wel goed zijn om dat eens vijftig jaar andersom te doen, om wetenschappers de salarissen eens aan kunstenaars te laten geven." Dat sou voor jou niet uitmaken. „Nee, ik ben één van de weinigen die er geen profijt en geen nadeel van zal hebben, misschien dat ik het daarom ook wel vind. Het is ook niet zo heel erg doordacht en zowel kunst als wetenschap hebben pretenties, maar in de kunst worden die toch op een veel levendiger manier waargemaakt, dan in de wetenschap. Dat is dat drooghouden, het bloedspoor van de verbeelding is een te artistiek spoor."

Zin

Fokkema memoreert in zijn essay Zuiderents „afval van het geloof der vaderen" en schrijft dat hij in „de structuur van de kunst (...) het houvast van een alternatieve zingeving" heeft gevonden.

Vertoont de bundel ook inhoudelijk die spiegeling? „Het gaat eigenlijk toch vooral om de aantallen gedichten per afdeling, maar bij voorbeeld het 'licht' uit het eerste gedicht speelt ook in het laatste gedicht weer een belangrijke rol. Ik heb geprobeerd om kwesties die ik van belang vind met een zekere evenwichtigheid te spreiden, maar het is geen echte spiegeling. Deze vorm geeft me de mogelijkheid om bepaalde gedichten ver uit elkaar te zetten en ze toch iets met elkaar te maken te laten hebben."

Is dat waar? „Het is mooi gezegd. Anderen zien dat soms beter dan jijzelf en Fokkema is een goede lezer." Maar dit is een psychologische verklaring op basis van jouw verleden. „Ja, rnaar het is moeilijk om er zelf iets over te zeggen, al zijn er momenten dat je denkt dat je er iets van weet. Het is een plausibele verklaring, maar het zou wat therapeutisch gedacht zijn, als het de enige was. Het is wel over dichters als Leeflang en Eijkelboom gezegd, dat dichten voor hen een therapie is en er zijn wel periodes waarin ik er ook gewoon behoefte aan heb, om te schrijven."

Aan het eind komt de dood een paar keer expliciet ter sprake. Zuiderent is het niet met me eens: „Naar mijn idee zitten de doodsgedichten toch meer aan het begin. Het woord 'dood' komt daar zelfs een paar keer in de gedichten voor, daarna verdwijnt het enigszins. Als de dood aan het einde terugkomt, dan is dat ook weer in verwijzing naar het begin. De dood hoort voor mij meer bij de introductie. In de voorlaatste reeks, het eerste gedicht, staat de regel: 'Omzien op de dood;/ het dwalen in het bos beviel niet best.' Het klinkt misschien een beetje pathetisch, maar dat is voor mij schrijven: omzien op de dood, die je al achter je hebt."

Apocalyps

In een essay dat Redbad Fokkema schreef naar aanleiding van

TUINDER WETENSCHAP

De dichter in sijn tuin (Foto Bram de Hollander)

Volgens dese verklaring neemt poësie de plaats in van geloof. Het laatste woord maakt de dichter wat onrustig: „Poëzie heeft wel een absolute waarde, dat wel j a . . . maar ja, hoe zit dat nu precies?" Hij kijkt omhoog, op zoek n a a r woorden, en zegt zacht: „Ik zie ineens dat ik een lekkage in het plafond heb." Een kleine openbaring? Als ik zijn blik volg, zie ik dat het geen visioen is. Hoe houden we het droog?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 305

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's