Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 210
AD VALVAS — 30 NOVEMBER 1984
6
Wachten nog op prioriteiten milieu-economisch onderzoek „Het stellen van prioriteiten moet nog beginnen." Met deze zin gaf drs. F. Heuer, beleidsmedewerker van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM), op de studiedag „Milieu en economie, tussen recessie en toekomst", aan tot waar de programmering van het milieu-economisch onderzoek in Nederland is gevorderd. Het aanbod van onderzoek is groot, maar er moeten nog keuzen uit gemaakt worden voor van een programma gesproken kan worden. Op de studiedag, die bezocht werd door ca. 250 onderzoekers en beleidsmakers uit heel Nederland, werd een interimrapport besproken van de Programmerings- en Studiegroep „Milieu en Economie" (PSG). De groep is een van de acht adviesgroepen van de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO), die de minister van VROM over milieuonderzoek adviseert. Op basis van het vorig jaar door de raad aan de minister aangeboden meerjarenprogramma heeft de PSG-„Milieu en Economie" een aanzet gegeven voor het stellen van prioriteiten voor daarin genoemde onderzoeksvoorstellen. De voorlopige keuzen werden op de studiedag bediscussieerd, maar het bleek dat niet iedereen deze kon ondersteunen. Volgens een van de sprekers op de dag, ex-minister van volksgezondheid en milieuhygiëne dr. L. Ginjaar moet de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek bij het stellen van prioriteiten uitgaan van de milieubelangen, opdat niet de economie het milieubeleid bepaalt. Ginjaar constateerde stappen in de richting van een beter milieubeheer, maar, zo zei hij, daarbij is het milieu niet de drijvveer. Eerder is dat het economisch eigenbelang. Wie moet de prioriteiten stellen en wat voor criteria liggen eraan ten grondslag? Deze vragen stonden centraal tijdens de inleidingen en discussies deze dag. De Programmerings- en studiegroep
Jos van dei Schot „milieu en economie" had een drietal criteria geformuleerd op basis waarvan 51 onderzoeksvoorstellen moesten worden beoordeeld. Ten eerste de maatschappelijke relevantie ofwel wat is de ernst, de schaal en de actualiteit van het te onderzoeken probeem en hoe urgent is de te nemen maatregel? Het tweede criterium: de beleidsrelevantie ofwel kan een onderzoek direkt of indirekt leiden tot uitvoerbare beleidsalternatieven? Ten derde: de wetenschappelijke relevantie ofwel geeft het een bijdrage aan het wetenschappelijk instrumentarium? De programmeringsgroep concludeerde dat in principe alle onderzoeken op basis van de criteria hoge prioriteit hadden. Negen voorstellen waren nog niet duidelijk genoeg omschreven en zouden voorlopig nog niet op het programma komen. Van de overige onderzoeken konden volgens de programmeringsgroep 26 direkt starten en 16 zouden later voor uitvoering in aanmerking komen. Op deze wijze van doen kwam veel commentaar. De uitvoerbaarheid van het onderzoek stond voor velen te zeer voorop. Dat er toch duidelijker prioriteiten moesten komen bleek uit de commentaren van aanwezigen van het ministerie van VROM. Drs. J. Suurland, direkteur be-
stuurszaken bij het direktoraatgeneraal milieuhygiëne gaf aan dat milieu-economie hier niet zo belangrijk gevonden wordt. Hij stelde dat het terecht was dat slechts 2 a 3 miljoen van de in totaal 80 miljoen gulden aan ondeiToeksgelden van het ministe» rie aan milieu en economie besteed wordt. Het ministerie heeft, volgens Suurland, meer aan gegevens over wat er eigenlijk aan de hand is met het milieu.
Bruikbaarder kritiek Meer bruikbare kritiek kwam van drs. F. Heuer, beleidsmedewerker bij VROM. „Het opstellen van een prograrmna speelt zich af in een krachtenveld van beleid en
politiek," zo stelde hij, en de criteria van VROM waren daar dan ook aan aangepast. Beleidsrelev antie is het belangrijkste criterium. Het ministerie heeft daarnaast te maken met de vastgestelde verantwoordelijkheid en verder moet je gewoonweg rekening houden met de haalbaarheid. Volgens Heuer hield de PSG „Milieu en Economie" te weinig rekening met deze praktische beperkingen. Het ministerie moet, zei hij, voldoen aan politieke eisen en het moet genomen besluiten onderbouwen. De eerlijkheid gebood hem verder te zeggen dat gebrek a a n interne- of externe medewerking sommige onderzoeken, die vrijwel iedereen zou willen, onuitvoerbaar kunnen maken. De Raad voor Milieu- Natuuronderzoek moet volgens Heuer aandacht vragen voor het onderzoek dat door bovenstaande redenen blijft liggen. Lucas Rijnders van de Stichting N a t u u r en Milieu wees op het gevaar dat onderzoek gebruikt wordt als vijgeblad of als valium, waarmee een onderwerp van de politieke agenda afgevoerd kan worden. Vanuit milieuoogpunt
De discussie was na het eind van de studiedag niet afgelopen. Onder een glaasje praatte men nog wat door. (Foto Bram de Hollander)
Bijspijkeren na middenschool om toch op universiteit te komen Binnen twee maanden na de aanvang van zijn scheikundestudie stond Jörgen Waitz weer buiten de universiteitsgebouwen. Afvallers zijn geen uitzondering (gemiddeld 5 na het eerste jaar), maar in dit geval was er iets bijzonders; Jörgen kwam van een middenschool. De open-scholengemeenschap ^Bijlmermeer, de middenschool waar Jörgen Waitz vandaan komt, was deze zomer in het nieuws doordat VVD-kamerlid Franssen hierover kamervragen stelde. Aanleiding was het grote verschil tussen de cijfers op het centraal schriftelijk examen en het schoolonderzoek. Doel was het heropenen van de aanval op de middenschool. Het in een zo vroeg stadium afhaken van Jörgen lykt koren op de molen van de tegenstanders van de middenschool. Terecht of opportunistisch? „Het gaat hier om middenschool-
experimenten," zegt onderzoeker Coopmans, verbonden aan het Instituut voor Toegepaste Sociologie in Nijmegen, met nadruk. Hij doet al enige tijd onderzoek h a a r de resultaten bij deze experimenten. Coopmans wil ermee zeggen dat er ongeveer 24 experimentele middenscholen draaien op dit moment, ieder met een eigen opzet, en resultaten bij één zeggen niets over andere experimenten. In zijn eerste onderzoek vond Coopmans dat het aantal uitvallers in het voortgezet basisonderwijs, zoals de middenschool in ambtelijke taal heet, aanzienlijk lager was dan in het traditionele onderwijs. In zijn vervolgonderzoek heeft hij gekeken naar de foUow-up van middenschooUeerlingen. Voorlopig betreft dit nog de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, tot a a n het (eventueel) behalen van een afsluitend examen, van LBO tot aan VWO. Het resultaat, dat rond dit moment openbaar wordt gemaakt, is onder andere dat er een bewustere en daardoor meer definitieve keuze gemaakt wordt voor het schooltype. Dit voorkomt veelal het doen van een extra jaar om-
verdient volgens het onderzoek n a a r de macro-economische gevolgen van stringent milieubeleid de hoogste prioriteit. Ir. W. Zeeman, van het bureau Milieu en Ruimtelijke Ordening van het VNO/NCW was het eens met Reijnders dat er in ieder geval iets gedaan moest worden. Zeeman pleitte verder' voor het verkrijgen van de juiste cijfers. Ook Reijnders vroeg hierom, voornamelijk omdat hij twijfelde a a n de eerlijkheid van belanghebbende onderzoekers. Op de vraag of het mogelijk is de economische meetlatten op te rekken, bleek toch dat de ondernemers en de milieubeweging niet helemaal op één lijn zitten. Zeeman vond het jaar 2000 nog zeer ver weg, terwijl Reijnders het angstig dichtbij zag. Milieugedeputeerde van Utrecht, ir. Van Wijnbergen, wil direkt bruikbare resultaten. Deze tegenstelling bij de diverse gebruikers maakt de taak voor de Programmerings- en Studiegroep-milieu en economie, het stellen van prioriteiten voor onderzoek, wel tot een heel moeilijke.
dat de leerling(e) meer blijkt te kunnen dan by voorbeeld MAVO. De eventuele opgelopen achterstand tijdens de middenschoolperiode blijkt, vooral als vervolg plaatsvindt op een andere school, geen groot probleem,te zijn. Als het bovenschoolgedeelte op dezelfde school wordt gevolgd vinden vaker problemen met de eindéxameneisen plaats.
Eigen karakter
De Open-school Bijlmer is één van de vierentwintig experimenten, met een heel eigen karakter. De school hanteert een antroposofische, vrije-school-achtige filosofie. Het pedagogische ideaal is het vormen van zelfstandige mensen, die heel bewust keuzes kunnen maken. De dwang tot leren moet uit de leerlingen zelf komen en wordt zo min mogelijk bepaald door de exameneisen. Doordat de leerlingen op h u n interessen en mogelijkheden worden aangesproken zonder grote prestatiedwang wordt een veilig klimaat geschapen. Dit weerspiegelt zich in het programma. De eerste drie jaren gaan in een rustig tempo, in een
gezamenlijk verband. Theoretisch gaat dan in het vierde jaar het tempo omhoog en wordt er binnen het klasseverband gedifferentieerd. In het vijfde en zesde jaar worden zowel HAVO als VWO afgemaakt, waarbij het tempo aanzienlijk hoger ligt. Deze aanpak wringt vooral bij een vak als wiskunde, waar een verschil in aanleg en/of in interesse een sterke invloed kan hebben op de snelheid waarmee een leerling de stof verwerkt. Dit kan tot gevolg hebben - en dit blijkt ook te gebeuren - dat de eindresultaten lager uitkomen dan door de inspectie wordt geëist op het centraal schriftelijk examen. Zo waren de gemiddelden voor het schoolonderzoek en voor het centraal schriftelijk wiskunde respectievelijk 6,93 en 3,26, een uitzonderlijk groot verschil.
Geen garantie
Jörgen heeft op de Bijlmer openschool allereerst zijn HAVO-diploma gehaald. Toen al merkte hij dat goede resultaten op het schoolonderzoek niet garant stonden voor een hoog cijfer tijdens het centraal schriftelijk. De
basis die in de eerste vier jaar werd gelegd bleek zo te zijn dat in het vijfde en zesde jaar een overvol programma moest worden afgewerkt. De behandelde stof zat er goed in waardoor een goed cijfer voor het schoolonderzoek gehaald werd, maar te weinig oefening in het oplossen van problemen zorgde toch voor een veel lager cijfer op het centraal schriftelijk. Vervolgens deed Jörgen in één jaar het atheneum, waarbij zijn cijfers op het schoolonderzoek gemiddeld een half p u n t zakten (vooral wiskunde en scheikunde) en op het centraal schriftelijk een heel p u n t omlaag gingen. De elndlijst bestond uit voornamelijk zesjes en een vijf voor wiskunde. Zeker gezien de manier waarop deze cijferlijst tot stand is gekomen is het niet verwonderlijk dat in de niet zo veUige academische omgeving problemen gaan optreden. De filosofie van de Bijlmer-school gaat ervan uit dat mensen die van h u n school komen weten wat ze willen, weten wat ze kunnen en een eventueel kennistekort weg kunnen werken, zeker de bollebozen. Of het een geschikte school is voor een middelmatige hardwerkende bèta-student in spé, zoals wellicht de meeste bèta-studenten zijn, moet betwijfeld worden. Jörgen gaat n u via privé-onderwijs dit jaar proberen zijn kennisachterstand weg te werken en begint volgend jaar opnieuw aan zijn scheikundestudie. Zo kan de Bijlmer-filosofie toch blijken uit te komen, maar het is voor Jörgen wel een heel dure en onbevredigende oplossing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Ad Valvas | 544 Pagina's