Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 161

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 161

9 minuten leestijd

g

AD VALVAS — 2 NOVEMBER 1984

Prof. dr. ir. A. Rörsch (TNO) schreef boekje „Science Friction"

Wetenschap behoeft modern management Het Nederlandse wetenschapsbedrijf functioneert niet naar behoren. De kennisproducerende machine kraakt in al zijn voegen en heeft een modern smeermiddel nodig. De wetenschappelijke onderzoekers hebben grote moeite met het accepteren van het - door anderen of een andere instantie opgelegde - wetenschapsbeleid. Maar het afdwingen van de implementatie van een wetenschapsbeleid door uitsluitend met de geldkraan te sturen, moet ook eigenlijk als onbehoorlijk bestuur worden gekenmerkt. Er zijn andere managementinstrumenten nodig om het wetenschapsbeleid uit te voeren. Moderne managementideeën moeten in de wetenschappelijke wereld worden ingevoerd om de machine weer soepel te laten lopen. Bovenstaande is de kern van het boekje „Science Friction" van prof. dr. ir. A. Rörsch, een nieuwe (goedkope) Aula-uitgave, dat op een persconferentie wordt gepresenteerd. De voorkant van het boekje symboliseert de bedoeling van de schrijver: een hand met een blauw oliekannetje doet een poging om de „r" uit „Friction" met behulp van olie weg te werken. De persconferentie ging met veel uiterlijk vertoon gepaard. Vergeleken met het aantal hoogwaardigheidsbekleders, waren de journalisten veruit in de minderheid. Rörsch had als schrijver de inhoud van het boek nog eens min of meer samengevat in acht stellingen, waar prol. dr. P. van Duijn (RU Leiden), drs. M. Simon (IKON Beleidsconsulenten) en drs. C. Moen (Wetenschapsbeleid) een schijnaanval op uitvoerden. Vervolgens werd het boek gepresenteerd aan dr. E. van Spiegel directeur-generaal voor het wetenschapsbeleid, die in een voorgelezen toespraak nog wat nader op de inhoud inging. Rörsch is lid van de raad van bestuur van TNO en buitengewoon hoogleraar aan de medische faculteit van de rijksuniversiteit Leiden. Daarnaast is hij voorzitter van de redactieadviesraad van het maandblad „Natuur en Techniek" en in Europees verband betrokken bij de evaluatie van de Europese onderzoekprogramma's op het gebied van energie en „Technological Forecasting and Assessment", zo meldt de achterkant van het boekje. Bepaald geen buitenstaander dus.

Onvrede In "Science Friction" inventariseert Rörsch de onvrede met het functioneren van het wetenschapsbedrijf als volgt: „Vele onderzoekers voelen zich in h u n vrijheid belemmerd door de beperking van de financiële middelen. In voorgaande decennia is men in dit opzicht erg verwend geweest. Men heeft grote moeite met het accepteren van een door anderen of een andere instantie opgelegd wetenschapsbeleid. Anderen dringen juist sterk aan op het voeren van een wetenschapsbeleid omdat zulks vanuit maatschappelijk oogpunt drin-

Advertentie

Adverteren in Ad Valvas is adverteren voor een herkenbare groep en dus gericht adverteren Advertenties opgeven bij;

Bureau Van Vliet B.V. Tel.: 02507-14745

'50, veranderde niet veel aan die situatie. Dat kwam pas met de universitaire revolte in 1969. Bij de invoering van de WUB werd het eigenbelang van de hoogleraar vervangen door dat van de vakgroep en toen de bezuinigingsoperaties in de jaren '70 begonnen, kraakte het stelsel in zijn voegen. Elke groepering verdedigde tot het uiterste het eigen belang, maar democratisch genomen beslissingen met een minimale meerderheid motiveerden de minderheid niet voor veranderingen.

Hobbyist In de universitaire gemeenschap zijn andere gezagsverhoudingen dan de leraar/leerling verhouding nog steeds schaars, aldus Rörsch. De noodzaak tot samenwerking wordt vaak vanuit wetenschappelijk oogpunt wel onderkend, maar buiten de verhou-

geïntegreerd worden uitgevoerd en wel van het hoogste tot het laagste niveau. Ook by niet-universitaire instituten (in totaal zo'n 180 die jaarlijks meer dan ƒ 1 miljard besteden, ongeveer 1/3 van het dverheidswetenschapsbudget) is de situatie niet erg rooskleurig. De styi van werken verschilt niet erg van die van de universiteiten en de studenten, die het denken van de ouder wordende onderzoeker jong kan houden, ontbreken er, aldus Rörsch.

Toegepast onderzoek Wat betreft het toegepast en het toepassingen genererend onderzoek, stelt Rörsch dat daarvoor niet per sé andere organisatiestructuren en managementopvattingen voor nodig zijn. Alleen is de organisatiestructuur van het merendeel van de instellingen voor zuiver wetenschappelijk on-

niet via een top-down structuur zoals nu. De voorstellen voor een beleid op werkniveau moeten van de specialisten komen. Door deskundigen, één niveau hoger, worden die geïntegreerd tot een onderzoekbeleid. De overheid integreert op haar beurt deze voorstellen tot een wetenschapsbeleid, in nauw overleg met adviesorganen en het parlement. Dit betekent dat onderzoekinstellingen zelf beleidsnota's met daarin hoe zij h u n lange-termijn ontwikkeling zien. Daarbij is een analyse van de omgeving onmisbaar. Voordat een wetenschapsbeleid op deze manier kan worden gevormd, moet echter de structuur en het management van de onderzoekorganisaties worden aangepast. In zijn boek pleit Rörsch voor de invoering van het zogenaamde moderne management. Er moet een eenvoudig gestructureerde Hjnorganisatie zijn.

Ruud Overdijk/UP gend gewenst wordt geacht. Over wat maatschappelijk meer of minder wenselijk is, bestaat weinig consensus. Zij die zich verantwoordelijk voelen voor het implementeren van een wetenschapsbeleid, worden geconfronteerd met organisatiestructuren die daar niet voor zijn gebouwd. Structuren voor onderzoekprogrammering en het afleggen van verantwoording over bestede middelen, wordt slechts moeizaam geaccepteerd." Over wetenschapsbeleid zelf, dat in deze inventarisatie als probleemgebied n a a r voren komt, is Rörsch echter duidelijk. Aan zijn acht stellingen voor de persconferentie had hij nog een axioma toegevoegd: „Het voeren van een (nationaal) wetenschapsbeleid, inhoudend het stellen van prioriteiten en posterioriteiten (een mooi woord voor onderwerpen waaraan geen belang meer wordt gehecht, RO) op het gebied van de wetenschapsbeoefening, is noodzakelijk." Wetenschappelijk onderzoek is duur en het is niet mogelijk aan ieders wensen op dit gebied te voldoen. De overheid moet dus keuzes maken. De moeilijkheid is dan hoe die keuzes vorm krijgen. Hoe kan een wetenschapsbeleid tot stand komen en worden uitgevoerd zonder dat de hele wetenschappelijke wereld, of een deel ervan, onmiddellijk op zijn kop staat?

Organisatie van onderzoek In zijn boek beschrijft Rörsch in drie hoofdstukken de organisatie van het onderzoek. Achtereenvolgens behandelt hij daarbij de organisatie van het zuiver wetenschappelijk onderzoek, de organisatie van het toegepast onderzoek in het kader van de industriële bedrijvigheid en de organisatie van het toegepast onderzoek ten behoeve van onderwerpen van staatszorg. Het grootste deel van het zuiver wetenschappelijk onderzoek in ons land vindt plaats bij universiteiten en hogescholen. Een groot probleem wordt daar gevormd door de gezagsverhoudingen, aldus Rörsch. „Eeuwenlang zijn de persoonlijke verhoudingen binnen de universiteit gekenmerkt door de leraar/leerling verhouding. Een natuurlijke gezagsverhouding, gebaseerd op verschil in kennis. De hoogleraar ontleent daaraan nog steeds zijn gezag", zo schrijft hij. Het aantrekken van een groot aantal medewerkers'iii de jaren OX •,. : . » r . ^i ,.'.•! [

Prof. dr. ir. A. Rörsch: „Smeermiddel nodig om kennismachine ding leraar/leerling (of medewerker/promovendus) is deze zelden een lang leven beschoren. De beweging uit '69 die zich richtte tegen de pretentie dat zuivere wetenschapsbeoefening absolute vrijheid van de onderzoekers behoeft en waarbij termen als 'hobbyisten' en 'vakidioten' werden gebruikt, is er niet in geslaagd een verandering tot stand te brengen. Integendeel, het aantal hobbyist-hoogleraren lijkt vertienvoudigd te zijn met hobbyistnieuwe-vrijgestelden, aldus Rörsch in zijn boek, daarbij doelend op de wetenschappelijk medewerkers. W a t betreft de financiering van het onderzoek heeft de overheid ingegrepen door de voorwaardelijke financiering in te voeren. Rörsch' grootste bezwaar tegen dat systeem ligt op het p u n t van de uitvoering. „We hebben te maken met een externe instantie die de middelen aan het herverdelen is, zonder de verantwoordelijkheid voor de personele consequenties te dragen", zo schrijft hij. Dat is vragen om problemen omdat er nog veel ontsnappingsmogelijkheden zijn. Universiteiten hebben immers nog voldoende ruimte om door middel van verschuivingen van subsidies groepen die uit de boot vallen alsnog te financieren. De kans is groot dat er niets verandert. Volgens Rörsch beginnen we dan ook a a n de verkeerde k a n t van het proces als we aan de geldkraan gaan draaien. Onderzoekprogrammering, financiering èn personeelsbeleid- moeten steeds

weer soepel te laten lopen". (Foto TNO)

Bottom up

waarbij duidelijk is wie aan wie rapporteert van boven n a a r beneden en vice versa. In de lijn worden zoveel mogelijk bevoegdheden n a a r beneden gedelegeerd, onverminderd echter de plicht om verantwoording naar boven af te leggen. Binnen de organisatie is er verder op alle horizontale niveaus een vrije uitwisseling van gedachten. Hoewel er duidelijke procedures moeten zijn, moet worden voorkomen dat ze een keurslijf worden. Het werkprogramma tenslotte wordt in nauwe interactie met de gebruiker en de resultaten van onderzoek opgesteld. Van elke medewerker wordt daarbij marktgericht denken verwacht en een openstaan voor invloeden van buiten de organisatie. Het invoeren van een dergelijke managementstructuur in de onderzoekinstellingen zal zeker in kringen van het fundamentele onderzoek op gefronste wenkbrauwen stuiten, zo zei Van^Spiegel nadat hij het boekje in ontvangst had genomen. Maar: „De noodzakelijke vrijheid van onderzoek kan en mag niet worden geïdentificeerd met het afwezig zijn van verantwoordingsplicht, gemis aan strategisch denken of het ontbreken van een oriëntatie op de omgeving, zonder de betekenis van intrinsieke wetenschappelijke nieuwsgierigheid te willen verontachtzamen. Het blijkt nog steeds nodig hier open deuren krachtig in te trappen."

Volgens Rörsch moet een wetenschapsbeleid tot stand komen via een bottom-up benadering en

„Science Friction", A. Rörscli, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, prijs / 9,90i

derzoek niet geschikt voor toepassingen genererend onderzoek. Dat betekent dat niet alleen door het beschikbaar stellen van fondsen toegepast, innoverend onderzoek kan bevorderen. De organisatie en het management van de uitvoerende instantie moeten a a n bepaalde eisen voldoen. Hetzelfde geldt voor het toepassingsgerichte onderzoek ten behoeve van onderwerpen van staatszorg. In beide gevallen is er een belangrijke gemeenschappelije component, het noodzakelijke 'marktgericht' denken. Het gaat om openstellen voor de invloeden vanuit de omgeving, de wisselwerking tussen de wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke omgeving. De beoefening van de natuurwetenschappen is een belangrijk cultuurelement dat door zijn waarde verdient in stand te worden gehuden, zo stelt Rörsch. Maar daarnaast is de wisselwerking met andere cultuurelementen (onderwijs en toepassing van kennis) zo sterk, dat de omvang en de organisatiestructuur van het wetenschapsbedrijf mede in hoge mate worden bepaald door de behoeften van die andere cultuurelementen. Dit heeft gevolgen voor de organisatie van de beleidsvorming èn voor de implementatie van dat beleid.

._.___,

i

J

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's

Ad Valvas 1984 - 1985 - pagina 161

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984

Ad Valvas | 544 Pagina's