Ad Valvas 1985 - 1986 - pagina 275
17 JANUARI 1986 Van Ingen Schenau is een van de medewerkers van de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding (IFLO), die zich bezighoudt met het onderzoek 'cyclische beweging'. Schaatsen maakt deel uit van dat onderzoek. De medewerkers van de IFLO hebben een begin gemaakt met de samenwerking tussen wetenschap en sportpraktijk. De kennis die zij vergaren wordt doorgegeven naar de sportbonden. Of Hein Vergeer er iets mee doet hangt af van zijn trainer. "Er kan maar een kapitein op het schip zijn", aldus Van Ingen Schenau. Ieder heeft zijn eigen gebied: de trainer is er om de prestatie te verhogen, de wetenschap kan de kennis over die prestatie vergroten. En af en toe komt de wetenschap dan met een klapstuk: wel eens gehoord van de 'klapschaats'? De Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding van de VU maakt furore met het onderzoeksproject: cyclische bewegingen. De vakgroepen Inspanningsfysiologie en Functionele Anatomie onderzoeken de bio-mechanische wetmatigheden van het lichaam en de invloed van inspanning op hartslag en zuurstofopname bij verschillende duursporten. Duursporten zijn takken van sport waar het op uithoudingsvermogen aankomt. Hardlopen, fietsen, zwemmen, rolstoelrijden en schaatsen worden onder de loep genomen. Bij de IFLO wü men niet alleen achter het bureau wetenschappelijke onderzoekjes publiceren. Het doel van de faculteit is ook het onderzoek naar de praktijk te vertalen. De taal van de wetenschap slaat kennelijk niet zomaar aan. De onderzoeksgroep ging daarom op zoek naar contacten met de sportbonden. Gert-Jan Van Ingen Schenau klampte voor zijn schaatsonderzoek de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond (KNSB) aan, maar de behoefte aan contact bleek aanvankelijk vrij eenzijdig. „In het begin cring het contact voornamelijk van ons uit. Vorig jaar zijn we met de KNSB en de bondstrainers om de tafel gaan zitten. We hebben toen afgesproken regelmatig de resultaten van ons onderzoek te bespreken. Er wordt ook overleg gevoerd met de trainers over onze .nieuwe plannen, zodat de trainers zelf hun visie daarover kunnen geven. Henk Gemser, kemploegcoach van de heren, is bijvoorbeeld buitengewoon geïnteresseerd in ons onderzoek van de start en onze analyse van de bocht." Toch kun je niet zeggen dat de wetenschap per defenitie aansluit bij de behoefte van de sportpraktijk. De veelgehoorde kritiek in de sportwereld is dat de wetenschap eerder gericht is op het verschaffen van achtergrondinformatie dan op het verhogen van de prestatie. Ger Wegener, hoofd van de afdeling opleidingen van de Nederlandse Sportfederatie (NSF), beaamt dat: ,,De wetenschap is natuurlijk uitstekend probleemgericht. Hét is alleen de vraag of het probleem dat zij bestuderen in de praktijk ook een probleem blijkt te zijn. Onderzoek omvat meestal maar een klein deeltje van de informatie waar de topsport of de sport in het algemeen om vraacrt. Bovendien toont wetenschappelijk onderzoek vaak achteraf pas aan wat er in de praktijk reeds gebeurt." De schaatsbond is minder terughoudend ten aanzien van de wetenschap. Volgens R. Hoogendijk, woordvoerder van de KNSB, zijn er verschillende wetenschappers die zich bezighouden met de verhoging van de prestatie. Een onderzoek naar
G r o t e a a n d a c h t voor s c h a a t s e n o p d e Vrije Universiteit.
De wetenschap achter de coulissen van de sport Schaatsend Nederland staat dezer dagen weer als een volk achter de nationale schaatsploeg. Vooral de Oost-Duitsers en de Russen zijn geduchte schaatsconcurrenten. Maar die OostDuitse benen staan ook bol van de hormoonpreparaten, beweren sommigen. „Onzin," vindt Gert-Jan Van Ingen Schenau, „het is een kwestie van mentaliteit en sportcultuur."
Foto Bram d e Hollander
bijvoorbeeld de ideale houding bij het schaatsen zou volgens hem zeker bruikbaar kunnen zijn. ,,Ja natuurlijk, als wij maar ergens een tiende van een sekonde op kunnen winnen, als is het door een andere houding, dan pakken wij dat zeker mee."
Pottekijkers
Maar zo eenvoudig is dat niet. Tussen de wetenschapper en de sporter staat nog een trainer en die heeft lang niet altijd behoefte aan „betweterige pottekijkers". Van hem hangt het af of er gebruik wordt gemaakt van de wetenschappelijke kennis die wordt aangeboden. ,,Het is een kwestie van vooraf goede afspraken maken," zegt GertJan Van Ingen Schenau, die kan stoelen op enige jaren ervaring in contacten met trainers. „Ieder heeft zijn eigen verantwoordehjkheden. Wij wetenschappers verzamelen kennis, dat is onze taak. De trainer is verantwoordelijk voor de prestaties van de ploeg, die mensen zijn daar ook voor opgeleid. Je moet ook niet met een hele ploeg die schaatsers gaan staan begeleiden. Er hoort maar een vent met die pupUlen te werken en dat is de trainer." Ook andere universiteiten hebben de topsport als onderzoeksgebied ontdekt. Men richt zich bij voorkeur op de praktijk. De onderzoeksresultaten hoeven niet te verzanden in uitgebreide wetenschappelijke boekwerken. Men wil een bijdrage leveren aan de verbetering van de sportpraktijk. De medische kant van de sportwetenschap laat al van zich horen. Trainingsschema's worden ontwikkeld a a n de hand van bloedwaarden, waara a n men kan zien of de atleet al of niet overtraind is. De Rijksuniversiteit Limburg begeleidt profvnelrenners en ook in Nijmegen is men druk bezig met onderzoeken op (top)sportgebied. Kenmerkend voor wetenschappers die zich daarmee bezighouden lijkt een bezetenheid voor de sport te zijn. Aan de VU werken
verschillende oud-topsporters mee aan het onderzoek „cyclische beweging". Ook de wetenschappelijke begeleiders van de wielrenners verbonden aan de Limburgse universiteit hebben vaak zeU aan topsport gedaan. Dat geeft hen ook het voordeel van contacten binnen de sportwereld, die zij voor hun onderzoek aanspreken. Bovendien zijn ze op de hoogte van de praktische problemen van de sporters. Volgens Fred Brouwens, wetenschappelijk medewerker humane biologie aan de Rijksuniversiteit Limburg, zijn de sporters zelf enthousiast over wetenschappelijke begeleiding: „Ze storten zich als aasgieren erbovenop. Er is hen alles aan gelegen hun sport zo goed mogelijk te bedrijven. Of onze onderzoeksresultaten ook werkelijk worden gebruikt kan ik niet zeggen. Ik heb de indruk van wel, maar we gaan dat niet na."
Carolien Stam van een efficiënter en gemakkelijker gebruik van hun vervoermiddel. Maar ook bij dit rolstoelonderzoek geldt, net als voor het wetenschappelijk onderzoek in de validensport, dat het onderzoek meestal pas achteraf de fundering geeft voor de ervaringen die de mensen zelf al in de praktijk hebben opgedaan. Zo bleken lichtere sportrolstoelen veel makkelijker hanteerbaar. Op grond daarvan zijn de rolstoelen voor het dagelijks gebruik ook lichter gemaakt. De contacten tussen de wetenschap en de validensport zijn minder direct. De Nederlandse Sportfederatie heeft sinds 1982 de Nationale Sportacademie (NSA) in het leven geroepen. Deze academie verzorgt onder meer de voorlichting, publicaties en scholingen op het gebied van de sport. Verder biedt de NSA onderdak aan een werkgroep die bemiddelend moet optreden tussen sportbonden en wetenschappelijk onderzoek. Een soort vertaalinstituut, onderzoek wordt doorgesluisd, vooralsnog naar de opleidingen binnen de sportbonden. Maar ook hier geldt: het moet praktisch bruikbaar zijn. Wetenschappelijke bagage okee, maar de trainer moet er wel iets mee kunnen doen. De optiek van de NSA bij monde van Henk Bameveld: „Wij zijn gericht op de verandering van de praktijk. De wetenschap kan nieuwe dingen aangeven, maar de verandering van de vraag moet uit de praktijk komen." De NSA probeert dus de sportpraktijk bekend te maken met de wetenschap, zodat de vraag naar wetenschappelijk onderzoek daar zelf tot stand komt.
Klapschaats
Van Ingen Schenau en enkele andere medewerkers hebben
afzet krachtiger is. „Het is eigenlijk als een grap begonnen," vertelt Gert-Jan Van Ingen Schenau glunderend. „Wij vroegen ons tijdens een feestje af wat men zou kunnen doen aan de pijn die de scheenbeenspier veroorzaakt tijdens het schaatsen. We hebben toen een model van die schaats gemaakt, het ding gebouwd en verder ontwikkeld. Ron Ket, oud-kemploegsprinter heeft de schaats toen uitgeprobeerd en werkelijk fantastische tijden gerealiseerd. Hij is wüd enthousiast, hij rijdt er nu nog steeds op." De grap begint serieuze vormen aan te nemen. Een fabrikant staat al op de stoep, octrooi is aangevraagd en de klapschaats zal dit seizoen door de kernploeg worden getest. Dan zal blijken of het echt een revolutionaire vondst is. „Het is serieus wetenschappelijk werk," zegt Van Ingen Schenau. „Maar eigenlijk is het ook verschrikkelijk leuk om zoiets te ontwikkelen, een soort hobby." R. Hoogendijk van de KNSB toont wel enig optimisme over het speeltje van de VU-medewerkers: „Als de ontwikkeling verder gaat is het een ideale schaats. Probleem is echter de start. Om bij de start goed af te zetten zou het ijzer eigenlijk vast moeten zitten, om daarna weer los te komen zodat het klapeffect optreedt. Op de lange afstanden, meer dan drieduizend meter, is ie goed te gebruiken. Het komt dan minder op de start aan. Je kunt niet voor korte afstanden een andere schaats gaan gebruiken. De techniek van het schaatsen met de klapschaats is heel anders, veel meer aangepast aan de natuurlijke beweging van het lichaam." De klapschaats is een voorbeeld van de bijdrage die de wetenschap kan leveren aan de sportpraktijk. Of is het gewoon toeval? Onderzoek naar de wrij-
Rolstoelen
Een sportgebied waar veel meer vraag bestaat naar wetenschappelijk onderzoek is de invaüdensport. Contacten met invalidenbonden, sportverenigingen en zelfs rolstoelfabrikanten leveren geen enkel probleem op. Luc van der Wouden, medewerker bij de IFLO, houdt zich bezig met het rolstoelonderzoek, dat ook deel uitmaakt van het project „cyclische beweging". Rolstoelrijden levert enorm energieverlies op. Slechts twintig procent van de gebruikte energie zet de rolstoel in beweging. Luc van der Woude wil de techniek van het rolstoelrijden analyseren en verbeteren, zodat het rendement van de verbruikte energie hoger wordt. Daarbij sluit ook een onderzoek naar de verbetering van de rolstoelen aan. Van der Wouden werkt met invalide sporters. De resultaten van zijn onderzoek geven niet alleen inzicht in de mogelijkheden tot verbetering van de invalidensportbeoefening. Alle rolstoelgebruikers kunnen profiteren
Foto Bram de Hollander
naar aanleiding van hun schaatsonderzoek een nieuwe schaats ontwikkeld, waar wel al vraag naar lijkt te zijn vanuit de schaatserij. „Klapschaats" heet de nieuwe vondst, zo genoemd omdat het ijzer tijdens het schaatsen een klappend geluid maakt. Het principe daarvan is dat het schaatsijzer kan scharnieren ten opzichte van de schoen. De voet kan zich tijdens het schaatsen strekken zodat de
vingen met het ijs en naar de mechanica van het lichaam liggen ten grondslag aan de nieuwe uitvinding. Van Ingen Schenau meent dat de wetenschap als geheel de sport veel te bieden heeft. Maar dan zal de organisatie van de samenwerking tussen beide beter geregeld moeten worden. Hem staat een
Vervolg op pag. 10
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1985
Ad Valvas | 568 Pagina's