Ad Valvas 1986 - 1987 - pagina 549
5 JUNI 1987 Onlangs verschenen d e eind verslagen v a n het bestuurskun dig en onderwijskundig onder zoek n a a r het functioneren v a n de Wet tweefasenstructuur. Deze bespreking is gewijd a a n het onderwijskundig deel, d a t bestaat uit e e n samenvatting van 7 deelstudies, w a a r v a n é é n nog niet is gepubliceerd (een kwantitatief onderzoek n a a r d e in, door e n uitstroom v a n stu denten). De kanttekeningen bij het eind verslag h e b b e n niet noodzake lijk betrekking op d e deelonder zoeken. Het zal in hoofdzaak om twee aspecten g a a n : het nume riek rendement e n het weten schappelijk gehalte v a n d e eer ste fase. In d e media h e b b e n deze twee punten verreweg d e meeste a a n d a c h t gekregen en dat ligt ook voor d e h a n d . We zullen ons d a a r e n t e g e n niet be zighouden met d e e v e n e e n s veelgehoorde klachten over de invulling v a n d e tweede fase, vooral omdat w e d a a r niets a a n toe te voegen hebben. Mijn b e z w a a r tegen het onder wijskundig eindverslag ten aanzien v a n die twee aspecten is dat d e reikwijdte v a n d e uit spraken over het functioneren van de Wet tweefasenstructuur niet in verhouding staat tot d e aanzienlijke beperkingen v a n het onderzoek in termen v a n het aantal onderzochte studierich tingen en o n d e r v r a a g d e perso nen. Deze conclusie zal in d e volgende p a r a g r a f e n worden toegelicht.
Achtergronden Het eindverslag begint met e e n weergave v a n d e probleemstel ling, gevolgd door e e n hoofd stuk over d e "theoretische ach tergrond v a n het onderwijskun dig onderzoek". In d e commen taren in diverse kranten viel daar weinig over te lezen e n dat 18 geen wonder want het is haast niet om door te komen. In essentie komt het er op neer dat, om e e n oordeel te kunnen geven over e e n b e p a a l d effect van een maatregel (zoals d e Wet tweefasenstructuur) a) redelijkerwijs a a n g e n o m e n moet kunnen worden d a t d e maatregel in kwestie zo'n effect kan hebben; b) de maatregel ook werkelijk moet zijn ingevoerd; c) het effect moet zijn geconsta teerd, en d) alternatieve verklaringen over het optreden v a n het effect zoveel mogelijk uitgesloten kon worden. In het eindverslag wordt over punt d) opgemerkt dat het welis waar zeer belangrijk is, m a a r helaas binnen het onderhavige onderzoek niet of nauwelijks aan de orde heeft kunnen ko men. Met punt a) wordt bedoeld dat de Wet tweefasenstructuur alleen m a a r beoordeeld k a n worden op effecten die v e r b a n d houden met d e inhoud v a n d e wet zelf. Persoonhjk zou ik ruimschoots tevreden zijn met d e eerder g e noemde "redelijke a a n n a m e " , we hebben het tenslotte over het nut van e e n wet e n niet over d e zin van het bestaan, m a a r in d e onderwijskunde ziet m e n dat graag anders e n in het eindver slag wordt d a n ook gesproken over "een plausi bel theoret i sch verband tussen de maatregel en de beoogde doelen", w a a r n a veel ruimte wordt gewijd a a n pogingen om zo'n v e r b a n d on der woorden te brengen. Dit streven heeft geleid tot e e n moeilijk te doorgronden geheel van vooral inhoudsloze zinnen. Bij wijze v a n voorbeeld d e vol gende p a s s a g e : "In de didac tischcurriculaire invalshoek worden theorieën met betrek
Onderzoek tweefasenstructuur gebaseerd op schrale feiten
'Voor somberheid en paniek is het nog te vroeg' De wet tweefasenstructuur heeft niet het beoogde resultaat opgeleverd. Het wetenschappelijk gehalte van de opleiding is verminderd en het rendement is nauwelijks gestegen. Dat zijn enkele conclusies van het onlangs gepubli ceerde evaluatieonderzoek naar de werking van de tweefasenstructuur. In onderstaande beschouwing zet drs. Wi m van Os, medewerker van de afde ling Onderwijsresearch van de VU, vraagtekens bij dit onderzoek. Wim van Os king tot onderwijsleerprocessen en curriculum' gehanteerd. Bij onderwijsleerprocessen gaat het om d e directe transacties tussen d e lerende e n d e onder wijsvoorzieningen en maatre gelen en d e leer en informatie verwerkingsprocessen die in of onder invloed v a n het onderwijs vorm krijgen. Curriculum onder zoek is veelal gericht op doelen en inhouden v a n het onderwijs, over d e vormgeving en over d e toepassing of feitelijk gebruik in een plan". Het is natuurlijk erg k n a p om zonder veel te zeggen met be hulp v a n enkele simpele woord klonteringen d e argeloze lezer tot het deprimerende inzicht te brengen dat h e m in het voor g a a n d e iets is o n t g a a n e n hij ook overigens beter op h a d moeten letten op school, m a a r echt nodig is het niet, lijkt me. Dat blijkt ook wel want men ein digt gewoon met d e w e e r g a v e v a n enkele doelstellingen v a n d e wet (verhoging differentiatie, bevordering v a n d e door stroomsnelheid v a n studenten, verhoging v a n het taakstellend rendement, enzovoorts), en d a a r h a d men dus ook best m e e kunnen beginnen. Dat neemt niet w e g dat d e vier g e n o e m d e punten heus wel b e langrijk zijn. Ze komen er, af zonderlijk e n in combinatie, o p neer dat onderzoek n a a r c a u s a le relaties tussen d e wet en d e effecten v a n die wet lang niet eenvoudig is, en het k a n g e e n k w a a d om d e lezer d a a r attent op te m a k e n en zodoende d e uitkomsten v a n dergelijk onder zoek enigszins te relativeren. Juist d a a r o m is het zo onbegrij pelijk dat volstrekt voorbijge g a a n wordt a a n e e n heel prak tisch m a a r niet minder wezenlijk probleem, te weten d e repre sentativiteit v a n d e onderzochte •studierichtingen en in het ver lengde d a a r v a n d e v r a a g in hoeverre g e g e v e n s over die stu dierichtingen a l g e m e n e geldig heid bezitten. D a a r m e e komen we op het hoofdbestanddeel v a n het eindverslag: d e uitkom sten.
Rendement Laten w e allereerst vaststellen dat a a n d e berekening v a n het numeriek rendement heel w a t h a k e n en ogen zitten. In het r a p port worden vele d a a r v a n ge noemd, onder a n d e r e het pro bleem v a n de ingangsdefinitie: v a n welke studenten moet je ei genlijk uitgaan. In het rapport wordt e e n a a n d e VSNU ontleend overzicht g e g e ven v a n d e propedeuserende menten n a twee j a a r over d e cohorten 1982 en 1983. Onder scheid wordt g e m a a k t tussen e e n alpha, beta, g a m m a , m e disch e n technisch cluster. Uit het totaal blijkt dat het slaag percentage in d e propedeuse voor d e instellingen te s a m e n voor d e cohort 1982 op 70%,
1/ fü^KmmKr \joLsm^Kr Nier, S^m? Mé Goed: u Moéf VIT Nier z-i eN f\U uooKDeLi NO-,
voor d e cohort 1983 op 71% ligt. In het ongepubliceerde deelon derzoek is d e studievoortgang n a d e r g e a n a l y s e e r d in totaal 9 (van oorspronkelijk 12) studie richtingen: 3 behorend tot het alpha, 4 tot het beta e n 2 tot het gammacluster. Geconstateerd werd d a t d e door deze studie richtingen vermelde rendemen ten aanzienlijk afwijken v a n die v a n d e VSNU: ze zijn namelijk hoger. Het bleek nu d a t sommige stu denten wel centraal m a a r niet bij d e studierichting stonden in geschreven, dat voor a n d e r e n het omgekeerde gold en d a t sommige studierichtingen ook wat eerder w a r e n met het ver wijderen v a n studiestakers uit de administratie. W a n n e e r nu bij deze 9 studierichtingen het rendement berekend wordt, al len over d e studenten die zowel centraal als bij d e studierichting zijn ingeschreven, d a n wordt het "echte" numeriek rende ment, aldus het eindverslag, aanzienlijk lager, lager zelfs d a n d e VSNU rendementen. Mijn voornaamste b e z w a a r is nu dat d e uitkomsten v a n op zichzelf al dubieuze berekenin gen (wat zijn het bijvoorbeeld voor studenten die zich wel bij d e studierichting m a a r niet cen traal inschrijven) gegenerali seerd worden n a a r insteUings gegevens. De per cluster ge groepeerde studierichtingen zijn immers niet homogeen. Dat ligt niet alleen of niet zozeer
a a n het onderwijs in die studie richtingen, m a a r a a n het a a n t a l en het soort studenten dat ze aantrekken. Voorbeelden noe men is gevaarlijk, desalniette min: ten aanzien v a n het rende ment maakt het verschil of je d e betarichting Wiskunde of Infor matica neemt. Daar komt bij d a t d e invloed v a n deze studierich tingen op het rendement v a n het betacluster in zijn geheel ook nog eens verschilt, louter omdat het a a n t a l studenten bij deze twee studies zo ongelijk is.
Terugkomend op het eindver slag: de 9 studierichtingen w a a r het om g a a t zijn heus wel met enige zorg gekozen, m a a r het blijft ontoelaatbaar om bereke ningen over deze p a a r studies te generaliseren n a a r clusters, instellingen of d e Wet tweefa senstructuur m zijn totaliteit. O p zijn minst h a d d e n juist op dit, ten aanzien v a n d e wet zo cruci ale punt, d e noodzakelijke rela tiveringen a a n g e b r a c h t moeten worden. Een en a n d e r neemt niet w e g dat d e verhoging v a n het taakstellend rendement met 10% wel niet g e h a a l d zal wor den, m a a r bijvoorbeeld 5% is ook niet niks en voor somber heid en paniek lijkt het me zeker nog te vroeg. Een laatste opmerking: in d e media wordt veelvuldig e e n ge middelde studieduur in d e twee fasenstructuur genoemd v a n 5,4 jaar. In het eindverslag h e b ik
dit gemiddelde niet terug kun nen vinden en afgezien d a a r v a n komt het me vreemd voor om e e n gemiddelde studieduur te berekenen (van wie eigenlijk) op e e n moment dat d e inschrij vingsduur nog niet verstreken is. Het is misschien e e n bijkom stigheidje, m a a r studenten die in september 1982 zijn begon nen zijn in september 1987 nog m a a r 5 j a a r bezig.
Gehalte Het is natuurlijk niet zo makke lijk om e e n oordeel te g e v e n over (veranderingen in) het w e tenschappelijk gehalte v a n stu dierichtingen, en de onderzoe kers h e b b e n hier ook wel m e e gezeten. In eerste instantie zijn bij 12 studierichtingen d e studie gidsen doorgenomen en g e sprekken gevoerd met d e voor zitters v a n onderwijscommis sies. De bevindingen zijn zonder meer wisselend, en de enige al g e m e n e conclusie is dat er m d e tweefasenstructuur minder ge legenheid is voor d e ontwikke ling v a n v a a r d i g h e d e n als het zelfstandig verwerken v a n lite ratuur en het uitvoeren v a n on derzoek. Vervolgens zijn vra genlijsten verstuurd a a n 15 Ne derlandse universitaire deskun digen en a a n 17 buitenlandse gastdocenten in Nederland, e n zijn twee workshops g e h o u d e n met deskundigen uit d e univer siteit, bedrijfsleven, beroepsver enigingen en ZWO. Ik beperk m e hier tot d e gastdo centen, omdat d e bevindingen me nogal illustratief voorkomen. Van h e n "bleek circa d e helft v a n mening te zijn dat de situtie, wat betreft d e wetenschappelij ke vaardigheden, gelijk is in verhouding tot d e situatie in ei gen land. Bijna e e n derde acht te de eerste fase in dit opzicht toch minder e n circa e e n kwart juist hoger". Laten we nu eens g a a n reke nen. Het w a r e n er 17, dus "bijna een derde" k a n alleen m a a r 5 zijn (6 is ruim e e n derde). "Circa e e n kwart" is d a n 4, en voor "circa d e helft" blijven er dus 8 over. De eindstand is al met al acht gelijk, vijf negatief en vier positief. Het g a a t m e er hele m a a l niet om iets af te d o e n a a n d e opinie v a n d e gastdocenten ik wil aUeen m a a r zeggen dat de enig gerechtvaardigde con clusie hier is dat er, wat hen betreft, g e e n enkele reden is tot grote zorg of tevredenheid over het wetenschappelijk gehalte v a n d e eerste fase. Over de resultaten v a n de work shops k a n ik kort zijn: het zeer geringe a a n t a l afgestudeerden m a a k t e dat bijvoorbeeld vanuit het bedrijfsleven alleen in ter men v a n verwachtingen g e sproken kon worden, en die lui den d a n dat afgestudeerden jonger zouden zijn en minder ver in hun persoonlijke ontwik keling. Daar zou men best wel eens gelijk in kunnen krijgen.
Teneur De teneur v a n het v o o r g a a n d e is steeds dat suggesties over d a lend niveau en e e n in vergelij king met vroeger ook nog nau welijks hoger rendement (kort om d e totale mislukking v a n d e wet tweefasenstructuur) g e b a seerd blijken te zijn op nogal schraal feitenmateriaal. Ik vind het ook e e n beetje r a a r dat e e n deel v a n dat feitenma teriaal ( a a n g a a n d e rendement e n doorstroming) eigenlijk niet eens bestaat, m a a r vooruit. Ik h e b de indruk dat op die punten w a a r uitkomsten verschillend uitgelegd kunnen worden d e keuze vrij systematisch is uitge vallen in het n a d e e l v a n d e wet. Want laten w e toch vooral niet net doen of het vóór d e twee fasenstructuur altijd zo gewel dig ging.
B
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1986
Ad Valvas | 592 Pagina's