Ad Valvas 1986 - 1987 - pagina 584
26 JUNI 1987 De verschijning in 1975 v a n Onder professoren v a n W.F.Hermans w a s e e n regelrechte literaire sensatie. De demokratisering v a n d e jaren zeventig e n d e steeds groeiende bureaucratisering v a n d e universiteit, d e hypocrisie v a n zijn coUega's e n d e domheid v a n d e meeste studenten; d e Groningse hoogler a a r Hermans kon er niet meer tegen en schreef zijn ergernis in e e n virulente satire v a n zich af, om vervolgens opgelucht d e deur achter zich dicht te trekken e n n a a r frankrijk te verdwijnen. Met zijn cynisch kijkje achter d e wetenschappelijke schermen introduceerde Hermans in ons land d e tot d a n toe weinig beoefende vorm der academische satire. Een vruchtbaar terrein, zou d e a a n d a c h t i g e lezer v a n een universiteitsblad geneigd zijn te denken, m a a r tot nu toe h e b b e n d e H O W - , HOAK-, e n BUOZ-nota's m a a r weinig auteurs geïnspireerd om in d e voetsporen v a n Hermans te treden. In recent in ons land verschenen verhalen e n romans wordt weliswaar regelmatig gerefereerd a a n d e glorieuze studententijd v a n d e auteur, m a a r de universitaire actualiteit speelt er e e n zeer ondergeschikte rol. De redenen voor deze afwezig—lieid zijn talrijk m a a r e e n v a n d e voornaamste oorzaken lijkt toch wel te zijn dat in ons land in tegenstellig tot veel omringend buitenland, m a a r zeer weinig auteurs hun brood a a n d e universiteit verdienen. Desond a n k s verschijnen zo nu e n d a n literaire werkjes w a a r i n het universitaire leven als achtergrond dient voor het zieleleed der hoofdpersonen. Erik H a r d e m a n e n Mieke Zijlmans bladerden in recent verschenen literatuur e n presenteren op deze bladzijde e e n potpourri v a n academisch lief en leed. Universiteit, verdeeld in drie parten, waarvan het eerste alfa heet en zich bezig houdt met wat oudere alfa's schreven, de tweede beta heet en prachtige dingen uitvindt maar geen studenten trekt, de derde gamma heet. Op deze manier definieerde Battus in zijn Encyclopedie in 1977 d e universiteit. M a a r hoe cynisch het academisch wereldje zelf ook is, nog steeds kijken g e n o e g buitenstaanders met ontzag n a a r d e universiteit op. Zoals d e hoofdpersoon uit Stukjes van de wereld v a n Errit Petersma, die opmerkt: Het vooruitzicht de universiteit te bezoeken maakt mij een beetje zenuwachtig. Voor d e ik-figuur in Marja Brouwers: De lenix op zoek n a a r h a a r vriend Lucas, 'van beroep wetenschappelijk medewerker', is d e universiteit een verwarrende doolhof. Hem overdag opbellen was in dat jaar moeilijk geworden, want sinds hij bezig was een verzameling antieke boeken van zijn vakgroep te catalogiseren, had hij geen kamer met telefoon meer. Die vakgroep was voor zover ik wist gehuisvest op de twaalfde verdieping. Nu ik hem dan hier eens zocht, uiteraard eerst op de twaalfde verdieping, kon ik hem niet direkt vinden. Ik vond een bibliotheek met een vakreferent in een glazen hokje. Die zat daar ongetwifeld om vragen te beantwoorden. 'Waar zou Lukas Asbergs zijn?' vroeg ik hem. Hij wist het niet. 'Waar zijn hier dan ergens de oude drukken' vroeg ik vervolgens. Maar daar had hij nog nooit van gehoord. 'Oude drukken?' 'Deze vakgroep heeft oude druk-
D
26
Het enige objekt van onderzoek 17 men echt warm liep, was de eigei n ken', beweerde ik, meteen al in twijfels. 'Wij zijn een subfaculteit' zei hij nuffig, 'Geen vakgroep'. Ik begreep het ook even niet meer. 'Is er niet een vakgroep Letterkunde dan?' 'Jawel.' 'Waar zou die zijn?' 'Hier!', zei hij, wijzend min of meer naar het stuk vloer waarop we stonden. Ik dacht na. Oude drukken. Zo had Lukas het altijd genoemd. Inderdaad klonk h^t gek, als je het ging herhalen, maar dat kon ik ook niet helpen. Een bibliotheek met oude drukken. Kon deze man daar in of op zitten zonder er ooit van te hebben gehoord? Sinds Jan Blokker columns schrijft in d e Volkskrant, weet elke Nederlander dat studeren e e n respectabele bezigheid is, zolang studenten zich verre houden v a n d e sociale wetenschappen. In Het graf van Pareto doet J a a p Beerd a m er nog e e n p a a r schepp e n bovenop. De sociologie bleek gelukkig, naarmate ik haar en haar beoefenaars beter leerde kennen, een wetenschap waarin de luie persoonlijkheid geheel tot zijn recht komt. De talloze opvattingen van het vak waarmee ik kennis maakte hadden alle gemeen dat zij de beoefenaars verplichten tot een zalig nietsdoen. Of men nu reflexief, distantiërend, historiserend of kritisch te werk ging, het maakte niets uit, de maatschappij bleef op een veilige afstand. Het enige objekt van onderzoek waarvoor men echt warm liep was de eigen navel en daarvoor hoefde men gelukkig niet op te staan. Met alle wapens waarmee de luiaard zich tegen de hardwerkende buitenwereld verweert, leerde ik strijden: de scepsis, de relativering, de twijfel, maar ook de grove generalisatie, de hoUe pretentie, de radikale kritiek; naar gelang de tegenstander koos ik mijn methode om mijn luie stoel te verdedigen. In tien jaar ontwikkelde mijn luiheid zich zo tot een verfijnde levenskunst op wetenschappelijke basis. De sfeer in het instituut, de tot niets verplichtende, ongeinspireerde colleges en werkgroepen, de uitgebluste gezichten van de medewerkers droegen daar niet weinig toe bij. Hel was onvermijdelijk dat in mij de ambitie groeide hier mijn verdere leven te slijten. En dat wilde ik doen in de ruimste kamer met het mooiste uitzicht. Ik moest dus hoogleraar worden. Ook Ad v a n Iterson heeft g e e n h o g e pet op v a n d e in dit geval Nijmeegse, sociologie. In het verhaal De lange weg besteden d e twee hoofdpersonen hun middag e n a a n het lezen v a n Proust e n Dostojewski en hun avond e n a a n d e discussie over het 's middags gelezene. Een n a d e r e n d sociologie-tentamen v e r m a g d e gewijde rust in hun huiskamer nauwelijks a a n te tasten. Het werd lente. En met de lente kwamen ook 28 mei, 30 juni en 21 juli dichtbij. Ik had Hans het woord sociologie nog nooit horen gebruiken en waarschijnlijk was het omgekeerd ook zo. Of ik ermee doorging zou ik aan het eind van het jaar beslissen, had ik ongeveer met mezelf afgesproken. Dat einde kwam nu akelig dichtbij. Wilde ik het tweede jaar nog een beurs krijgen, dan moest er nu worden gestudeerd. Ik legde het probleem aan Hans voor.
Erik Hardeman/UP Mieke Zijlmans/UP 'Proust', zei hij, we gaan kijken of de wetenschap antwoord geeft op vragen die wij ons nu stellen.' We liepen naar het sociologisch instituut en kwamen met een pak gestencilde uittreksels terug. We verdeelden het pak in twee gelijke stapeltjes, namen potlood en lineaal en gingen aan het werk. Een maand later legden we opnieuw de afstand naar het sociologisch instituut af. Voor het prikbord stond men elkaar te verdringen. Hans ging achter het groepje staan, rekte zijn hals uit en zei op effen toon: 'Allebei een acht'. 'Dank je wel' zei ik net zo vlak. Zwijgend liepen we naar buiten, de Heyendaalseweg op. Ter hoogte van de mensa konden we ons niet meer inhouden. Ik ging op een tuinmuurtje zitten en Hans zocht steun tegen een boom. Toen ik mijn tranen had afgeveegd, zei ik: ' Nou, Dostojewski, als het zo makkelijk gaat, vind ik het wel voor herhaling vatbaar'. 'Of juist niet, Proust', zei Hans. 'Ik hou op met die sociologie. Gemakkelijke wegen leiden niet naar de waarheid. Niet altijd is het studentenleven zo relaxed. In het verh a a l Prelude en fuga v a n Hans ter Mors moeten veel bèta's toch wel iets herkennen v a n hun eigen verborg e n leed. Ik ben geen chemicus -ik ben iemand die moeiteloos tentamentjes aflegt, waarin dan ook. Nooit zal ik iets verassends omtrent het molekuul ontdekken. Nooit zal ik thuisraken in het laboratoriimi -weet ik nu, na twee jaar paniek tussen losschietende koelerslangen, tuimelende bekerglazen, barstende kolven, en niet deugende titratie-uitkomsten. Bij stroomdestilaties eindigde het preparaat in de waterketel. Vacuümthermometers ontstegen aan kolfhalzen en en boorden zich meedogenloos in het plafond. Meewarig bezag men mijn verwarde handelingen. Hoog boven mij grijnsde de assistent Oliemans, een magere brildrager van ongeveer twee meter. Blikkerende glazen als twee zonnen boven het landschap van mijn wan- en puinhopen. Nooit verdween ik in het niets, altijd moest er troep worden geruimd. Maar ook d e Oliemansen v a n deze wereld h e b b e n het niet makkelijk, maakt wetenschappelijk medwerker Willem Otterspeer in het v e r h a a l Harde Boüenstraat duidelijk. Dat laatste tentamen was een ramp. Een jongen met borstelhaar, geverfd in alle kleuren van de regenboog, met een accent dat in de sloppen van Leiden alleen door een kleine categorie oude werklozen wordt gesproken. Hij was zonder kloppen binnengekomen, had me aangesproken met 'professor' en keek me voortdurend aan met van die gebarsten geiteogen vol kille waanzin. Niets had hij geweten. Niets anders had hij gedaan dan mijn vragen herhalen. 'Wat verstaat Huizinga onder het esthetisch bestanddeel van de geschiedenis?' Zou je een verband kunnen leggen tussen de romantiek en het historisme?' Niets dan herhalen deed hij, het vraagteken incluis. Na een kwartier kreeg ik de bijna onbedwingbare aandrang om hem door zijn haar te aaien, te voelen of hij ook zo'n harde kop had, o£ er
harde knobbels onder dat stekelhaar verborgen zaten, hem te vragen of hij ook graag schuin tegen een dijk stond of op een hok. En hem een tien te geven. Maar zulke dingen doe je niet. 'Doe het nog maar eens over, joh, want dit is niet veel, dat begrijp je wel'. De enige zin die hij niet nasprak.
aanleiding voor e e n satire op d e oorverdovende domheid v a n studenten. In De vrouwenbron ervaart medewerker Vlögel d e zachte melancholie v a n het ouder word e n bij d e herinnering a a n e e n v a n zijn voormalige studentes.
Voor Rudolf Geel is d e relatie tussen e e n -oudere- historikus e n e e n studente g e e n
'Ik heb haar ooit alleen gesproken', zei hij. 'Dat herinner ik mij heel goed. Ik heb haar toen ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1986
Ad Valvas | 592 Pagina's