Ad Valvas 1987 - 1988 - pagina 67
BOEKEN
Evenwichtigheid gevraagd Dr. J. Stellingwerff's boek - het eerste v a n e e n trilogie - door hem gepubliceerd ter gelegenheid v a n zijn afscheid als bibliothecaris der Vrije Universiteit , met als titel: Dr. A b r a h a m Kuyper e n d e Vrije Universiteit, breekt als het w a r e het ijs voor e e n a a n t a l publicaties, die in v e r b a n d met d e herdenking v a n dr. Kuyper's 150ste geboorted a g verschijnen. Zag het er tot dusver n a a r uit dat mr. A.F. d e Savornin Lohman - e v e n e e n s in 1837 geboren - d e meeste a a n dacht zou opeisen, uiteindelijk blijkt dit niet het geval. Wel k a n nu al worden geconstateerd h o e terzake v a n d e w a a r d e r i n g v a n persoon e n karakter Lohman het er veel beter d a n Kuyper zal afbrengen. In 1937 d e e d d e Briefwisseling v a n mr. G. Groen v a n Prinsterer met dr. A. Kuyper, bewerkt door dr. A. Goslinga, beide briefschrijvers veel goed. Toentertijd gold meer d a n nu "eer is teer" en toegewijde Kuyperianen - ze w a r e n er - a d e m d e n verlicht op. De Briefwisseling Kuyper-Idenburg, bezorgd door J. d e Bruijn en G. Puchinger, Franeker 1985 schaadde de nagedachtenis v a n Kuyper enigermate, wat reeds eerder het geval w a s geweest ten gevolge v a n het door G. Puchinger e n N. Scheps gevoerde Gesprek met d e onbekende Kuyper, Kampen 1971. Nu heeft Kuyper er bij zijn tegenstanders steeds slecht op g e s t a a n . Maar dr. Stellingwerff meent zelf dat hij v a n w e g e zijn kritiek op Kuyper's uitgangspunten e e n "omstreden boek" heeft geschreven. Het is d e t a a k v a n e e n recensent om op zijn beurt bedenking e n te opperen. Ik zal dit doen, echter vooraf verklarend g e e n enkel b e z w a a r ertegen te koes-
Kuyper en de VU
Op deze Boekenpagina resenceert de emehtus-hoogleraar en oud-rector magnificus van de VU prof. I.A. Diepenhorst het juist verschenen boek 'Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit', geschreven door dr. J. Stellingwerff. De heer Stellingwerff nam eind augustus afscheid van de VU als bibliothecaris en schreef het eerste van drie voorgenomen boeken over 'de geschiedenis van de christelijke wetenschapsbeoefening, in het bijzonder aan de Vrije Universiteit, naar haar maatschappelijke, culturele en politieke aspecten'. In 1984 begon hij in opdracht van het college van bestuur met zijn voorbereidend onderzoek. In het eerste, nu uitgekomen deel staat de figuur van VU-stichter Abraham Kuyper centraal. De auteur werpt een kritisch licht op hem. De beschreven periode loopt van 1880 tot 1905 (van de stichting van de VU tot de VU als wettelijk erkende bijzondere universiteit).
Prof. Diepenhorst eert dr. Stellingwerff "omdat hij durft te wrikken" en "de indruk wekt wel de puinruimer te willen wezen, maar geen sloper", m
I.A. Diepenhorst
(ementus-hoogleraar en oud-rector m a g nificus Vri]e Universiteit)
teren dat m e n Kuyper's werk e n optreden heel nauwkeurig onderzoekt zonder d e betrokkene, die zelf v a n w a n t e n wist, te sparen. Dr. Stellingwerff, hoewel hij g r a a g objectief wil blijven - e n dit ook v a a k is -, geeft A b r a h a m d e Geweldige er geducht v a n langs. En vanuit zijn kijk op deze figuur volkomen terecht, getuige zijn uitlating in e e n interview d a t Kuyper "zeker ook in het kwade" geweldig w a s . Hij deelt m e e het "geloof v a n Kuyper" te delen, er misschien wat overbodig a a n toevoegend "met e e n vrijgemaakte distantie". Voorts schrijft hij dit geloof "met e e n wijsgerige distantie" dieper te h e b b e n doordacht, terwijl hij tevens m e d e beïnvloed door ontwikkelingen a a n d e Vrije Universiteit tot e e n "wetenschappelijke distantie" zegt te zijn gekomen. Over het bereikte totale resultaat k a n eerst met het verschijn e n ook v a n d e twee a n d e r e a a n g e k o n d i g d e delen e e n billijk oordeel worden geveld. Evenwel, er biedt zich g e n o e g materiaal ter keuring a a n , want terstond wordt verklaard dat d e "Confidentie" v a n Kuyper uit 1873 onbetrouwbaar is: er w a s g e e n sprake slechts v a n Kuyper's b e k e n d e euvels: slordig met d a t a om g a a n e n zich op "romantische wijze" mooier voor doen d a n hij w a s . De auteur beschouwt het als zijn t a a k onder woorden te b r e n g e n "het onechte en religieus dubieuze bij d e m a n die boven allen uitstak" {blz. 8). Verder op wordt verteld dat Kuyper inzake d e datering v a n zijn kerkelijke belijdenis in d e gemeente v a n Leiden niet enkel e e n vergissing maakte, m a a r d a a r ook e e n o n w a r e voorstelling a a n verbond (blz.25). Daarenboven zou onze hoofdpersoon zijn "beroemde bekeringsverhaal" w a t sterk h e b b e n "bijgekleurd", w a a r het ging om zijn vinden v a n d e boeken v a n Laski (blz.27). Eerzuchtig zette hij zijn verloofde n a a r zijn h a n d (blz.30 e n 33); zijn schoonvader, die hem royaal b e h a n d e l d e , mocht h e m niet (blz.36) v a n w e g e zijn v e r b a a l geweld. Hij wild e d o l g r a a g hoogleraar word e n (blz.14, 28, 31, 45, 235). In zijn latere leven vergde hij veel v a n zijn gezin, vooral v a n zijn vrouw (blz.38), en Lohman heeft a a n Kuyper begrip g e v r a a g d voor d e spanning welke zij moest doorstaan. Bijzonder b e k w a a m toonde Kuyper zich - zij het niet als enig e - in het intrigeren. Hij en Rutgers h a d d e n "van d e dieptreurig e demonstratie op Seinpost niet alleen geweten, m a a r ertoe geadviseerd" zoals W. Hovy, d e president-directeur v a n d e Vrije Universiteit, het uitdrukte (blz.211). En n a d i e n w a s Kuyper's uitleg v a n e e n Heraut-artikel, nummer 966, 28 juni 1896, w a a r i n hij zeer beslist Jezus' v r a a g : "Wilt gij lieden ook niet h e e n g a a n ? " m e d e op Lohman betrokken had, volstrekt bezijd e n d e w a a r h e i d (blz. 215). Stellingwerff h a d hier n a a r mijn s m a a k gerust scherper kunnen zijn. Mild is zijn onderschrift bij e e n foto v a n Kuyper uit 1882: "Staande in d e stevige schoe-
nen, w a a r o p veel g e w a n d e l d werd"; m e n moet d e "hallelujaneuzen" e e n s bekijken! Geef ik dus d e auteur in zijn tekening v a n Kuyper gelijk? Dat d e laatste af e n toe met d e w a a r h e i d schipperde en als het in zijn k r a a m te p a s k w a m g r a a g stookte behoeft mij niet te worden bijgebracht, ik schreef er zelf over. Toch is d e houding door Stellingwerff niet geheel d e mijne, wijl te afstandelijk, te strak e n te weinig menselijkbreed, hoewel hij terecht niet wil vergoeilijken. Het is o n a a r d i g om, als d e klein e Bram in Maassluis a a n m a trozen e e n preek v a n v a d e r e n sigaren a a n boord v a n e e n voor zijn huis liggend schip brengt ter beloning v a n hun luisteren mochten zij roken - te schrijven dat hij sigaren uitdeelt uit a n d e r m a n s doos. Men moet onnauwkeurigheden en verfraaiingen in w e e r g a v e v a n gebeurtenissen w a a r i n iemand zelf e e n rol speelde, niet te zeer enkel met karaktergebreken in v e r b a n d brengen. Churchül vergiste zich in zijn datering e n in d e achtergrond v a n het meest gewichtige gesprek dat hij in 1946 over d e kabinetsformatie voerde in mei 1940 e e n d a g (Memoires II, Amsterdam 1948, blz.309 e.v.; m e n vergelijke vrijwel alle a n d e r e beschrijvingen der gebeurtenissen destijds). J. Boersma zit er met e e n v e r h a a l vlak voor zijn toetreden tot het kabinet Den Uyl in 1973 geheel n a a s t (zie zijn: Wat ik nog zeggen wilde. Leiden 1985, 82; vergelijk P.L. v a n Enk: jaren v a n strijd tussen macht e n beginsel. Kampen 1986, blz. 175). Stellingwerff is bereid, zodra d e brieven tussen Kuyper e n zijn verloofde gewisseld toegankelijk zijn, a a n te tonen dat d e historische informatie welke Kuyper over zijn innerlijk leven verschafte niet b e t r o u w b a a r is. Ik zal het n a kennisneming der brieven terstond accepteren; in dit stadium v a n overgelegd "bewijs" is mij d e uitdrukking "het onechte e n religieus dubieuze" te ongefundeerd. W a n n e e r Idenburg, als hij Kuyper met Lohman vergelijkt, v a n d e laatste a a n zijn vrouw schrijft: "als mens staat hij heel ver boven dr. Kuyper", d a n h e b ik er g e e n moeite mee, tenminste w a n n e e r ook het voorafg a a n d e wordt overwogen: "niet zo egoïstisch, niet zo apoditisch. Meer gewoon, m a a r werkelijk beschaafd, meer gezellig" (ook a a n g e h a a l d in VU Magazine, september 1987, p a g . 16-17). Ik teken ondertussen a a n dat Idenburg Kuyper uiterst beh o e d z a a m in het persoonlijk gesprek tegemoet trad e n dat zijn a a n Kuyper weinig welgezinde echtgenote bij diens dood zich verrassend sympathiek over d e gestorvene uitliet (Briefwisseling Kuyper-Idenburg 630).
Kneuterig
Teneinde d e persoonsbeschrijving af te ronden, Stellingwerff weidt tezeer uit over Kuyper's romantische a a n l e g e n romantische levensgevoel (blz.7, 63, 119, 153, 253 e.v., 309). De betuiging dat hij nooit vervelend w a s (blz. 183), vind ik naïef, over zijn "hypnotiserend" spreken - het getuigenis v a n e e n niet-geestverwant medicus (blz. 182) - h a d meer kunnnen worden gezegd.
Dr. A. Kuyper Het verwijt v a n " g e w a a g d e opmerkingen, die niet p a s t e n bij d e christelijke ootmoed" houd ik - het betrof d e redevoering Souvereiniteit in eigen kring - voor tamelijk kneuterig. Met d e rethoriek v a n Kuyper ligt Stellingwerff n a a r mijn s m a a k met reden overhoop - ze is soms stuitend - m a a r anderzijds, d e taalbeheersing krijgt niet d e volle waardering. Eigenaardig laat Stellingwerff zich over d e grote omzetting in Kuypers leven uit - ik h a a l letterlijk a a n - "Zoals Kuyper in 1873 d e Amsterdamse g e m e e n t e met deze Confidentie wilde b e w e g e n tot zijn inzichten, zo bewoog hij in 1863 d e hemel met zijn bekering en met zijn besef v a n zonde e n berouw. Hij w a s té zelfgenoegzaam, té eerzuchtig, té egoïstisch geweest" (blz. 37). Hier dient te worden verdisconteerd hoe in het a l g e m e e n Stellingwerff over d e Confidentie oordeelt. De aansluiting v a n Stellingwerff bij e e n opmerking v a n D.Th. Vollenhoven, als zou Kuyper e e n g e z a g h e b b e n d e vaderfiguur h e b b e n nodig gehad, - hij p a a r d e in deze voorstelling a a n zijn democratische gezindheid, e e n "monarchianistisch uitgangspunt" - verheldert niet. Dat Kuyper democraat w a s - op zijn manier - lijdt g e e n twijfel, dat hij zich - bij bereidheid tot overleg - door a n d e r e n liet gezeggen, vindt g e e n grond in d e feiten; zelfs tegenover Groen v a n Prinsterer gaf hij zelden krimp. Kennelijk k a n m e n hem het best kenschetsen als een m a n die beurtelings zeldzaam innemend en buitengemeen terugstotend was, die soms b a r tekort schoot, in wie het theatrale - d e meeste grote r e d e n a a r s zijn ook grote toneelspelers - opviel, m a a r die alle manifeste gebreken v a n geldingsdrang, sterke jaloezie e n zelfzucht ten spijt, e e n a n t e n n e v a n zeldzame gevoeligheid voor het eeuwige bezat en die niet ver v a n zijn Heer leefde.
Synthese
W a s er enige gespletenheid bij centrale harmonie in d e mens Kuyper aanwezig, hetzelfde k a n worden vastgesteld met be-
trekking tot zijn denkbeelden. Terecht meent Stellingwerff dat men in Kuyper's opvattingen niet h e t g e e n met elkaar verweven is, moet scheiden; er is v a n een synthese sprake (blz. 254). Tegelijk rijst d e v r a a g of d e auteur niet te sterk vereenvoudigt. Dat Kuypers calvinisme n a zijn bekering zich bij e e n romantische visie zou aansluiten die d e gehele werkelijkheid religieus aanvoelt, klemt voor mij niet. En d e opsoming v a n romantische trekken "in e e n vlucht in drugs, in meeslepende muziek, in erotiek, in verre reizen en in vreemd e mysterieuze godsdiensten" (blz.255), zegt mij in v e r b a n d met Kuyper niets evenmin als d e opsomming v a n e e n reeks b e k e n d e mensen die zich v a n d e Kuyperiaanse wereld afkeerden: Jan Wolkers, Maarten 't Hart, J.M.A. Biesheuvel, J.M. d e n Uyl e n a n d e r e n (blz.314); d e verbinding is mij te los. A a n het betoog v a n Stellingwerff m a g niet worden voorbijgelopen; zijn in uitzicht gestelde tweede deel zal grondige beoordeling vragen. Wat hij hier klaar m a a k t over d e onveranderlijkheid Gods, die door H.M. Kuitert in 1962 werd o p g e h e v e n e n d e verandering v a n d e grondslag ten jare 1971 a a n g e bracht, spreekt mij weinig toe; d e associatie is te willekeurig. Dat Kuyper uit hoofde v a n zijn schriftuitleg met d e natuurwetenschap niet uit d e voeten kon vergelijk ook d e mondelinge opinie in Ad Valvas 14.08.1987, pag.3 - dat hij d e gnostiek in zijn opvattingen i n g a n g zou h e b b e n verleend - hij h a d over d e kerk v a n de mens e e n gnostieke opvatting (blz. 256) - dat hij vastgelopen in zijn leer: d e g e n a d e is particulier, hier tegenover d e alg e m e n e g e n a d e plaatste (blz. 275), dat hij niet zoals Jezus, die tot zijn discipel sprak: "Breng uw vinger hier en zie mijn h a n d e n e n b r e n g uw h a n d e n steek die in mijn zijde, en w e e s niet ongelovig m a a r gelovige d e o p e n b a ring v a n d e opstanding "voor gelovig onderzoek" beschikb a a r stelde, deze beweringen bevredigen mij niet.
Vervolg op pag. 11 ^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1987
Ad Valvas | 588 Pagina's