Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1987 - 1988 - pagina 231

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1987 - 1988 - pagina 231

8 minuten leestijd

fD\p3}^

4 DECEMBER 1987 Je zult maar eens op een mooie dag door een weiland lopen en een paar bossen stro voor je zien liggen; en, omdat je op dat moment in een kwajongensach­ tige bui verkeert, besluiten om van die bossen stro eens een lekker vuurtje te maken. Stel dat een verdekt opgestelde getuige van dit evenement vervolgens op een holletje naar de politie loopt om aangifte te doen van brandstichting. Dik kans dat de politie die ooggetuige in zijn ge­ zicht zal uitlachen en zal zeggen dat men wel wat beters te doen hebben dan achter brandstich­ ters van bossen stro aan te gaan. Had dit voorval echter honderd­ vijftig jaar geleden plaatsge­ vonden, dan zou de brandstich­ ter onmiddellijk in zijn kraag kunnen worden gegrepen en voor de rechter zijn gesleept. Over de zwaarte van de straf had hij zich weinig illusies hoe­ ven maken, die stond al bij voorbaat vast: de doodstraf. De doodstraf werd steevast uit­ gesproken wanneer er sprake was van een 'kapitaal delict'. Wanneer je spreekt over een kapitaal delict denk je al gauw aan moord en doodslag, maar in de vorige eeuw gaf men een wat ruimere invulling aan dit begrip: valsemunterij en brand­ stichting hoorden er ook toe. Zelfs een eenvoudig geval van diefstal kon bij recidive tot de doodstraf leiden. Het is inder­ daad gebeurd dat een man ter dood veroordeeld werd omdat hij een vrouw haar paraplu en zakdoek ontnomen had. In al deze gevallen had de rech­ ter geen keus. In 1811 was de Code Pénal, het Franse straf­ recht, in N ederland ingevoerd. Daarin werd vastgesteld dat elke verdachte die schuldig werd bevonden aan een kapi­ taal delict ook ter dood moest worden veroordeeld. Verzach­ tende omstandigheden telden niet. De enige vrijheid die de rechter bezat was de mogelijk­ heid om een verdachte in zijn geheel vrij te spreken van schuld. Van die mogelijkheid maakten rechters relatief veel gebruik, maar ze konden het ook weer niet al te vaak doen. Dat zou maar in de gaten lopen.

Niet automatisch Als een verdachte werkelijk schuldig werd bevonden aan een kapitaal delict, wilde dat nog niet automatisch zeggen dat hij ook ter dood werd ge­ bracht. N iet alleen vanuit onze twintigste eeuwse ogen stonden delict en straf bij zoiets als val­ semunterij in geen enkele ver­ houding tot elkaar, ook in de vorige eeuw vond men dat ei­ genlijk al. De mogelijkheid om aan de uit­ voering van de doodsstraf te ontkomen, bestond uit het indie­ nen van een gratieverzoek aan de koning. Sibo van Ruller, die honderden van zulke gratiever­ zoeken uit de periode van 1806­ 1870 onderzocht, ontdekte dat die in toenemende mate geho­

"Bloedgeven, daar heb ikeffipnlijk nooitaangeaachtl' "Dat denkt dus iedereen!

DENKNA.GEEFB10ED: 020-123456 LBIDEDBANKAMSTERDAM.J

Criminoloog Van Ruller onderzocht gratieverlening bij doodstraf

'Strafrecht was in vorige eeuw heel intimiderend' De doodstraf werd in 1870 afgeschaft, maar al in de decennia d a a r a a n voorafgaande werd door een uitgebreide praktijk van gratieverle­ ning het doodvonnis steeds minder ten uitvoer gebracht. Dit constateert de criminoloog Sibo van Ru Ber in zijn proefschrift 'Genade voor recht'. Hij concludeert dat in de eerste helft van de negentiende eeuw het strafrecht weliswaar hard en barbaars oogde, maar in de praktijk relatief mild was.

Criminoloog Sibo van Ruller noreerd werden. Al voordat de doodstraf in 1870 uit de wet ge­ schrapt werd, was de praktijk van de doodstraf door een uit­ gebreide gratieverlening in feite al afgeschaft. Het merkwaardige van de rechtsgang in de eerste helft van de negentiende eeuw was dat het 'eigenlijke' proces pas begon wanneer de verdachte al ter dood veroordeeld was. Op dat moment kwamen de juristen pas echt in actie, gingen zij na­ denken over de werkelijke zwaarte van de straf die aan de schuldige moest worden opge­ legd. In veel gevallen werd de doodsstraf dan omgezet in een tuchthuisstraf met een lengte die in overeenstemming werd ge­ acht met de ernst van de mis­ daad.

Foto Kees Keuch, AVC/VU

deze strafrechtpraktijk trekt is, dat er een facade van streng­ heid werd opgeroepen, waar­ achter evenwel een relatieve

Koos N euvel mildheid schuilging: "Men wilde afschrikken, maar men schrok er toch voor terug om op grote schaal bloed te doen vloeien." Die ontwikkeling in de negen­ tiende eeuw naar een milder strafsysteem heeft zich in een snel tempo voltrokken. Volgens Van RuUer is in de periode tus­ sen 1806 en 1870 meer veran­ derd dan in de honderd jaar daaraan voorafgaande en de daaropvolgende honderd jaar. Hij wijst erop dat er in het begin van de negentiende eeuw nog de meest gruwelijke straffen door de juristen als wenselijk beschouwd werden. In twee ge­ neraties tijd vond er een enorme omslag plaats in het denken over het straffen. Ook na 1870 zou die tendens van steeds kor­ ter wordende straffen zich voortzetten. Die ontwikkeling is zo rond 1970 tot stilstand geko­ men. Sindsdien is weer een lich­ te keiïtering waarneembaar. Van Ruller wijst erop dat de doodstraf niet alleen op princi­ piële gronden, omdat men het zo'n gruwelijke, mensonwaardi­ ge straf zou vinden, werd afge­ wezen. Men was veeleer tegen de doodstraf op pragmatische gronden: het zou toch niet hel­ pen en het aanzien van de justi­ tie zou er alleen maar door ge­ schaad worden. Bovendien won in die tijd een alternatief snel aan populariteit: de gevan­ genisstraf. Van Ruller: "Maar ook het cellulaire stelsel kan heel wreed zijn. Als ik moest kiezen tussen de gesel en vijf jaar eenzame opsluiting, dan wist ik het wel."

Afschrikking Het doel van die strenge facade van het strafrecht in de eerste helft van de negentiende eeuw

was, om mensen af te schrikken. Wat dat betreft is er overigens niet veel veranderd. Tot op de dag van vandaag wordt de noodzaak en de hoogte van een straf gelegitimeerd door de ge­ dachte dat je op die manier an­ dere mensen zou kunnen ver­ hinderen zich op het boevenpad te begeven. Een belangrijk element van de afschrikking naar de verdachte zelf toe is het uiten van een be­ dreiging maar die bedreiging uiteindelijk niet ten uitvoer bren­ gen. Dat begint er mee dat de officier van jusititie veelal een zwaardere straf eist dan de rechter uiteindelijk oplegt. Ook van die opgelegde straftijd hoeft de verdachte meestal maar een beperkt deel uit te zit­ ten. Er bestaat dus een kloof tus­ sen schijn en werkelijkheid. In de negentiende eeuw werd ter afschrikking gedreigd met de doodsstraf en die dreiging kon soms behoorlijk hard aan­ komen. In 1841 werd bijvoor­ beeld de reactie van het dienst­ meisje Aaltje Wolsheimer opge­ tekend, toen zij hoorde dat ze wegens brandstichting ter dood veroordeeld zou worden. Vol­ gens het Weekblad van het Regt barstte ze luidkeels uit in 'stuiptrekkende bewegingen en tranen met de hevigste ge­ moedsaandoeningen'. De leden van het gerechtshof zouden met medelijden en neerslachtigheid hebben toegekeken. Ook zij wa­ ren niet gelukkig met de gang van zaken. Hoewel bij de meeste doodvon­ nissen, zeker bij brandstichting, dus gratie werd verleend, miste de afschrikking haar uitwerking zelden, omdat de verdachte toch nooit echt zeker van zijn zaak kon zijn. Van Ruller: "Veel mensen heb­ ben ook helemaal niet in de ga­ ten dat er zo'n discrepantie be­ staat tussen schijn en werkelijk­ heid in de rechtspraak. In de vorige eeuw moesten de ver­ dachten bovendien vaak maan­ den wachten tot ze te horen kre­ gen of gratie verleend werd. Het beeld bestond dat de koning daarover besliste. Je wist het nooit zeker en zo balanceerde je lange tijd tussen hoop en vrees. Het systeem in die negentiende eeuw was eigenlijk heel intimi­ derend."

Afweging De juristen brachten advies uit over het gratieverzoek aan de koning die het advies in veruit de meeste gevallen overnam. Het is dus niet zo, wat tegen­ woordig vaak gedacht wordt, dat gratie puur afhankelijk was van de luimen en de grillen van de koning. N iet de vraag of de koning die dag toevallig een goede of een slechte spijsverte­ ring had, besliste over het lot van de verdachte. Er vond wel degelijk een uitgebreide afwe­ ging plaats, benadrukt Sibo van Ruller, alleen was die afweging geheim en aan geen enkele re­ gel onderworpen; bovendien was er geen enkel beroep mo­ gelijk. De conclusie die Van Ruller uit

Een smekende vrouw, geknield voor koning Willem I (Foto siert de omslag van de dissertatie). Men dacht dat de straf afhing van des konings grillen. De werkelijkheid was anders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1987

Ad Valvas | 588 Pagina's

Ad Valvas 1987 - 1988 - pagina 231

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1987

Ad Valvas | 588 Pagina's