Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ad Valvas 1988-1989 - pagina 407

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ad Valvas 1988-1989 - pagina 407

14 minuten leestijd

BOEKEN

Catastrofes in plaats van concurrentie "Toengoeska w a s e e n slaperig gehucht in Midden­Siberiè. O p 30 juni 1908, om zeven uur 's morgens, verscheen er in het zuidoosten e e n vuurbal boven de horizon. Hij scheen feller d a n de o p g a a n d e zon e n straalde een helder blauw licht uit. Hij bewoog zich langs d e wolkeloze hemel e n explodeerde ergens in het noordwesten. De kracht v a n de ontploffing w a s onvoorstel­ baar. Seismische metingen we­ zen op e e n explosieve kracht van ongeveer 700 Hirosjima­ bommen". In deze bloemrijke t a a l be­ schrijft d e geoloog Kenneth J. Hsü één v a n d e zeldzame ont­ moetingen v a n d e a a r d e e n e e n komeet. Het betrof in dit geval e e n be­ schaafde ontmoeting, d e ko­ meet explodeerde gelukkig bo­ ven een dunbevolkte streek. De gevolgen bleven echter niet ge­ heel beperkt tot Siberië. O ok op wereldschaal w a s d e explosie merkbaar. Een schokgolf ging twee keer d e a a r d e rond e n d e hemel boven Califonië werd en­ kele d a g e n verduisterd door grote hoeveelheden a s . Het is e e n voorbeeld uit het re­ cente verleden dat Hsü in zijn boek Het grote uitsterven a a n ­ haalt om d e lezer voor te berei­ den op d e theorie v a n d e grote kosmische catastrofes. Hsü behoort tot e e n g r o e i e n d e groep v a n geologen die a a n ­ wijzingen m e e n t te h e b b e n ge­ vonden dat d e a a r d e in het ver­ leden m e e r d e r e m a l e n in bot­ sing is g e k o m e n met hemel­ lichamen. Het zouden i n s l a g e n zijn g e w e e s t met r a m p z a l i g e gevolgen o m d a t ze, in e n k e l e gevallen, tot m a s s a l e uitster­ ving v a n d e toen l e v e n d e die­ ren leidden.

Wat is d e overeenkomst tussen een Eskimo en e e n bewoner van d e Sahel? Beiden zien in één oogopslag dat d e onderstaande lijnstukken wel degelijk van gelijke lengte zijn. Mensen die in werelden leven met hoekige gebouwen e n leefruimten, trappen zonder meer in deze Muüer-Lyerse optische illusie. De manier w a a r o p mensen d e ruimte structureren is cultuurbepaald.

Deze optische illusie is m a a r een van d e illusies die vorig jaar verstoord w e r d e n in d e gehoorzaal v a n het Haarlenmier Teylers Museum. D a a r werd een, nu in boekvorm gebundelde, serie v a n n e g e n lezingen gegeven over d e menselijke waarneming, geheel p a s s e n d m de traditie v a n Teylers Genootschap dat a a n het eind v a n de achttiende eeuw werd opgericht om leergierige burgers in te wijden m d e geheimen der wetenschap. De wereldberoemde antropoloog W.R.van Gulik bespreekt de invloed die HoUandse schilders h e b b e n g e h a d op d e Japanse schilderkunst. In De waarnemer waargenomen: interculturele beeldvorming in de Oostaziatische (Japanse) kunst schrijft Van Gulik dat d e Japanners al in d e zestiende eeuw gretig westerse (schilder-)tech-

Gert van Maanen Dat er in d e l a n g e g e s c h i e d e n i s v a n d e a a r d e m a s s a l e uitster­ v i n g e n in d e d i e r e n w e r e l d (de p l a n t e n w e r e l d lijkt minder te hebben geleden) hebben p l a a t s g e v o n d e n is e e n o u d e theorie d i e r e e d s rond 1800 ver­ kondigd w e r d door d e veelzijdi­ ge Franse anatoom Georges Cuvier. Hij v e r o n d e r s t e l d e d a t er in d e a a r d s e g e s c h i e d e n i s herhaaldelijk catastrofes h e b ­ ben plaatsgevonden, steeds gevolgd door s c h e p p i n g e n , w a a r v a n d e bijbelse d e l a a t s t e was. Deze catastrofe­theorie verloor echter het grootste deel v a n h a a r a a n h a n g e r s toen Charles Darwin met zijn evolutie­theorie op d e proppen kwam. Darwin b a s e e r d e zich op ideeën v a n zo­ geheten actucdistische geolo­ gen, met n a m e op Charles Ly ell, die stelden dat alle vroegere ge­ ologische processen verklaard kunnen worden door te veron­ derstellen dat ze dezelfde a a r d e n snelheid h a d d e n als d e pro­ cessen die nu d e a a r d e veran­ deren, zoals erosie e n sedimen­ tatie. Hsü toont zich in dit boek e e n fervent bestijder v a n dit ge­ dachtengoed. De inleidende en concluderende hoofdstukken worden gebruikt om Darwin e n LyeU een flinke v e e g uit d e p a n te geven. In het middendeel behandelt hij d e recente ontdekkingen op het gebied v a n d e cotastofen. De nadruk ligt daarbij op d e inslag v a n een meteoriet a a n het eind v a n het Krijt, e e n geologische periode die ongeveer 65 miljoen j a a r geleden afliep. Het belang­ rijkste bewijs voor deze inslag

Deze diplodocussen, de langste boven bet hoofd hangt vormt e e n wereldwijd a a n g e ­ troffen a a r d l a a g j e dat deze pe­ riode afsluit. Het laagje bevat hoge concentraties a a n elemen­ ten, zoals osmium, iridium e n platina, die gewoonlijk niet in d e aardkost voorkomen. Het m a s s a a l uitsterven v a n dier­ groepen als d e anmionieten (inktvisachtigen) e n natuurlijk d e dinosauriërs zou met deze wereldwijde catastofe ver­ klaard kunnen worden. Vooral over het uitsterven v a n die laatste groep d e d e n d e vreemdste theorieën d e ronde. Zo zouden alkaloïden in d e toen net geëvolueerde bloemplanten d e dinosauriërs vergiftigd h e b ­ ben. Andere onderzoekers za­ gen helemaal g e e n plotselinge uitsterving. Als echte Darwinis­ ten zagen zij d e opkomst v a n d e zoogdieren als boosdoener; d e logge reptielen moesten in d e concurrentiestrijd met deze snellere en intelligentere dieren het loodje h e b b e n gelegd.

dinosauriërs,

zijn zich nog niet bewust

Hsü gelooft dat d e inslag v a n d e meteoriet niet alleen het einde betekende voor d e dinosauriërs, m a a r tevens voor het darwinis­ me en actualisme d e doodsteek vormt. Het w a s immers niet 'de strijd om het b e s t a a n ' die d e zoogdieren deed zegenvieren, m a a r d e gevolgen v a n e e n toe­ vallige ontmoeting tussen e e n hemellichaam en d e a a r d e . Een g o e d e onderbouwing voor deze doodsteek weet hij overi­ gens niet te geven. Zijn uiteen­ zetting dat e e n meteorietinslag niet in het actualisme past om­ dat d a a r i n altijd sprake is v a n langzaam voortschrijdende processen snijdt weinig hout. Een meteorietinslag k a n bij wij­ ze v a n spreke elk moment optre­ den, zoals zijn eigen Siberische voorbeeld aantoont, e n is dus net zo actueel als l a n g z a m e ero­ sieprocessen. Over het scenario dat op d e in­ slag a a n het eind v a n het Krijt moet zijn gevolgd is m e n het

Illusies in een wereld vol hoekige gebouwen nieken imiteerden. De J a p a n s e produkten w a r e n niet v a n d e originelen te onderscheiden. De w a a r d e r i n g v a n Japanners voor d e westerse schilderkunst w a s niet g e b a s e e r d op e e n esthetische norm, m a a r kwam voort uit hun opvatting dat kunst iets moest bijdragen a a n d e kennis v a n d e werkelijkheid. Ze vonden dat schilderingen alleen nuttig w a r e n als ze d e werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk weergaven. De Japanse schUder-geleerde Kdkan, door Van Gulik a a n g e haald, formuleerde het in d e achttiende eeuw als volgt: "De voornaamste doelstelling v a n westerse kunst is om d e werkelijkheid te bereiken, m a a r Jap a n s e e n Chinese schilderingen, die hierin niet slagen, worden alleen m a a r e e n soort speelgoed dat nergens toe dient. Door d e toepassing v a n schaduw, kunnen westerse kunstenaars holle e n boUe oppervlakten weergeven, licht e n donker, afstand, diepte en ondiepte. Hun afbeeldingen zijn d e modellen v a n d e werkelijkheid e n kunnen d a a r d o o r dezelfde functie vervullen als het geschreven woord, alleen meer

doeltreffend." Kókan stierf vijftig j a a r voor d e uitvinding v a n d e fotografie. De kunsthistoricus ƒ. Stumpel vertelt in 'Compositie e n constructie: kijken n a a r kunst uit d e Renaissance' over het g e v a a r v a n het gebruik v a n het zogen a a m d e reproduktie-schema bij d e beoordeling v a n Renaissance-kunst. Een reproduktie-schem a is e e n tekening v a n e e n geometrisch patroon over e e n reproduktie v a n e e n kunstwerk heen. Stumpel erkent dat het lonend kan zijn om composities te bestuderen in termen v a n diagonalen, driehoeken of a n d e r e krachtlijnen, m a a r verbaast zich er over dat dit geometrisch diagram zozeer met d e Renaissance geassocieerd is geraakt e n dat d e bedoelingen v a n d e schilders buiten beschouwing worden gelaten. Uit d e 15e of 16e eeuw is g e e n enkele tekening bekend waaruit men zou kunnen afleiden, dat schüders hun werk met behulp v a n geometrische patronen h e b b e n gecomponeerd. "Kennelijk n e m e n wij, als het om compositie gaat, a n d e r e dingen w a a r d a n d e kunstenaars en critici uit die periode zelf."

Frank van Kolfschooten Theo v a n Doesburg, zo laat Stumpel zien, ging a a n het begin v a n deze eeuw wel heel ver in zijn liefde voor d e geometrie: "Tot het organisme der beeldend e kunst behoren niet: 'bomen', 'huizen', 'mensen' of iets v a n dien aard, m a a r het organisme der beeldende kunst is samengesteld uit lijnen, ronde e n vierkante vormen, verticale e n horizontale vlakken (..)" Elders noemt Van Doesburg het onderwerp of d e natuur slechts e e n "vulsel voor d e b e e l d e n d e vorm". Het voorsteUingsaspect dat d e kunstenaars in d e Renaissance zelf het belangrijkst vonden, wordt door Van Doesburg en diens medestanders als 'onartistiek' bestempeld. Stumpel oppert het idee dat d e abstracte kunst e e n n a z a a t is v a n het reproduktie-diagram en dat schilderijen als v a n Van Doesburg feitelijk "gematerialiseerde modellen zijn v a n w a a r nemingstheorieën" . De filosoof CA. van Peursen neemt d e filosofische aspecten v a n d e w a a r n e m i n g voor zijn rekening. Hij behandelt drie

van de ramp die hun

groep

overigens nog l a n g niet eens. Hsü komt tot e e n beeld dcrtfa­ caber dicht bij d e huidige mi­ lieuproblematiek aansluit. Een duisternis en m a s s a l e sterfte, waardoor d e o c e a n e n verzuren aangezien er g e e n plankton meer is om d e opgeloste kool­ dioxide te consvimeren. Daarbij traden volgens d e schrijver d r a ­ matische klimaatgevolgen op: een hittegolf gevolgd door ster­ ke afkoeling ('nucleare winter') e n d a a r n a mogelijk weer tem­ peratuurstijging door het broei­ kaseffect. O ok d e mogelijkheid v a n zure regens door d e grote hoeveelheden stikstofoxiden die in d e atmosfeer terecht k w a m e n worden genoemd. Het 'slimste zoogdier' heeft mis­ schien niet e e n s e e n komeet no­ dig om een vergelijkbare cata­ strofe te bewerkstellen.

Kenneth J. Hsü, Het grote uitsterven. Kos­ mische catastrofes, dinosaurussen en d e evolutietheone. Meulenhoff Amsterdam, 1988, ƒ49,50.

theorieën, die in d e loop v a n d e geschiedenis a a n h a n g e r s hebb e n gevonden. De sleuteltheorie bevalt hem het meest. Elke diersoort (inclusief d e mens) heeft e e n eigen manier v a n w a a r n e m e n , die past bij zijn leefwereld; er zijn verschillende sleutels die d e omgeving ontsluiten. "De conclusie is d a n niet dat g e e n levend wezen e e n echte werkelijkheid ziet, m a a r juist dat elk t o e g a n g krijgt tot dat aspect v a n d e wereld dat voor hem v a n b e l a n g is." Aardig is ook d e lezing over onmogelijke figuren in d e wiskund e v a n F.van der Blij. Het artikel is zonder d e bijbehorende illustraties onmogelijk s a m e n te vatten. De a n d e r e helft v a n deze bundel viel mij nogal tegen. De lezing over w a a r n e m e n in d e natuurkunde ging nauwelijks in op d e merkwaardige rol die d e w a a r n e m e r speelt in quantimimechanische experimenten. De lezing v a n H. Van Praag over buitenzintuiglijke w a a r n e m i n g versterkte alleen m a a r mijn skepsis over d e parapschychologie. Zijn lezing g a a t grotendeels over het (vermeende) vermogen om kleuren te zien met d e vingertoppen. Verder zou ik het a a r d i g h e b b e n gevonden om iets te lezen over d e betrouwb a a r h e i d v a n het gebruik v a n ooggetuigen in d e rechtspraak. L. Feenstra, N. Beyer, R. Fock (Red.), Waarnemen. Boom, Meppel/Amsterdam 1989. ƒ28,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1988

Ad Valvas | 584 Pagina's

Ad Valvas 1988-1989 - pagina 407

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1988

Ad Valvas | 584 Pagina's