Ad Valvas 1989-1990 - pagina 569
AD VALVAS 21 JUNI 1990
PAGINA 13
De waarlieid sprelien wordt steeds moeiiijlter Een verslag uit Praag over de armoe en de hoop onder academici
De douanebeambte die op het tafeltje zit, schommelt met zijn benen. Zijn collega hangt een beetje tegen het lo ket waar een derde douanier onze pa pieren doorneemt, voor ze ons weer worden overhandigd met een vrien delijk "Bitte schon, auf wiederse hen". Terwijl de anderen geld wisse len in een huisje dat zich 'Banka' noemt, en waar een vrouw achter een tafel met een lang, rood tafel kleed zich bankier mag noemen, loop ik wat heen en weer over de parkeer plaats. Ik zie er twee douaniers naast elkaar door de zon slenteren, en ik loop op ze af om te vragen hoe je 'dankjewel' en 'alsjeblieft' in het Tsjechisch zegt. Het wordt me welwillend en gedul dig uitgelegd, zodat ik mijn mederei zigers even later goed kan instrueren. 'Djikuji!' en 'prosim!' roepen we in koor. Onze groep bestaat uit tien studenten sociale psychologie van de VU. We zi)n op weg naar Praag om daar door studenten psychologie van de Praag se universiteit onthaald te worden. In de zomer van 1989 is een van hun docenten, Sonja Hermochova, in Amsterdam op bezoek geweest, en is het plan ontstaan om een uitwisse ling tussen studenten te organiseren. Nu is het zover: een week lang zullen we in Praag logeren, en de stad en haar universiteit zien. Op de zolder van het huis van Sonja Hermochova ontmoeten we de stu denten. Het zijn negen meisjes tussen de twee en zesentwintig jaar, die aan elkaar hangen en aanvankelijk lachen om iedere zin die ze in het Engels proberen te stamelen. Ze hebben na men als Jitka, Dasja, Jana. We zitten tegenover hen, tussen de balken van een schemerige zolder, en we begin nen vragen te stellen over Praag, de studie, en natuurlijk de revolutie. Overal om ons heen staat cake: zeven bakplaten met vruchtenkoek en cho coladecake. We moeten vooral eten wordt ons gezegd, want we zullen wel honger hebben na onze reis; en we eten tot we versuikerd zijn en drinken koffie met slagroom uit glaasjes. Dan vertrek ik met Dasja, een bleek, stil meisje met een grote bril, dat nauwe lijks Engels spreekt, en steeds in haar woordenboekje kijkt. Met veel gebla der neemt ze me mee naar huis.
De pleinen Het Wenceslasplein is veel groter en langer dan ik me had voorgesteld. Met een schittering in haar ogen ver teh Karolina me: Tijdens de revolu tie was het hele plein vol met men sen, en ook de zijstraten zagen er zwart van." "Was je erbij?" vraag ik. "Natuurlijk," is het verbaasde ant woord, "iedereen was er, iedereen." Boven aan het plein ontdekken we het monument voor Jan Palach, de student die zich in 1968 verbrandde. Het bestaat uit een rijtje portretten: dat van Palach zelf, een van Masaryk, de eerste president van de republiek Tsjechoslowakije in 1918, en anderen die schijnbaar symbolisch zijn voor de revolutie. Er zit een hoge, dikke rand van kaarsvet om de portretten heen, ontstaan door de eindeloze hoeveel heid kaarsen die er al voor het monu ment gebrand zijn; en ook nu bran den er twee kleine waxinelichtjes. De hele dag lopen er mensen in een kleine rij voorlangs, mannen met een jack onder hun arm, vrouwen met hun boodschappentas. Ze houden even stil bij de rand, misschien om de teksten bij de portretten te lezen. Iets verderop staat een tentje. Er be vindt zich een grote groep mensen voor en er wordt heftig gediscus sieerd. Dana vertelt ons dat er in het tentje een paar mensen zitten die in hongerstaking zijn tegen de invloed
Een tentamen voorbe reiden aan de universi teit van Praag valt niet mee. Voor dertig psy clioiogiestudenten zijn er welgeteid drie liand boel^en ter beschil^king. CIska Matthes, (ex)stu dente sociale psycholo gie, doet verslag van de armoe en de hoop onder Tsjechische academici na de revolutie. "Een halfjaar geled en waren jullie nog marsmanne tjes voor me."
Praags straatbeeld op een gewone lentedag. van de communisten. Ze zijn bang dat die bij de verkiezingen hun in vloed zullen misbruiken, want ze be schikken nog altijd over de meeste middelen. Later kom ik op het Staromestske plein en zie daar weer een tentje staan. 'Freedom for China' staat erop. Twee jongens zitten ernaast aan een tafeltje om handtekeningen te verzamelen voor solidariteit met de Chinese studenten. Ik teken, en vraag een van hen wat hij van de ver anderingen in Tsjechoslowakije denkt. Hij zegt er blij mee te zijn, maar hoopt dat er nu in China ook iets dergelijks kan gebeuren. Hij blijkt Chinees te studeren. Een kleine man voegt zich bij ons, meldt ongevraagd dat hij uit New York komt, en vraagt de student hoe hij de economische toekomst van zijn land ziet. "Het is belangrijk dat we zo snel mogelijk een echte vrije markt economie krijgen," antwoordt deze, "maar het zal moeilijk zijn en lang duren voor onze economie sterk is." We leren Tomas, de vriend van Dana, kennen, een magere, rustige jongen. Tomas spreekt vloeiend En gels. Hij heeft het zichzelf geleerd, door naast zijn werk te studeren. Toen hij vijftien was is hij van school gestuurd omdat hij lastige vragen aan
therapie te ontsnappen." Sindsdien heeft hij een stempel in zijn per soonsbewijs, dat aangeeft dat hij op psychische gronden is afgekeurd. Dat maakt het vinden van fatsoenlijk werk onmogelijk. Hij heeft nu een baan als stoker, diep onder de grond in een fabriek. Maar hij is er tevreden mee: wanneer hij vier dagen achter elkaar heeft ge werkt, is hij acht dagen vrij. Niet dat dat zo'n voorrecht is overigens, want zijn lichaam heeft die tijd nodig om te herstellen: enige dagen hoest hij zwaar en spuugt hij slijm. Tweemaal heeft hij een vluchtpoging gedaan. De eerste keer kwam hij tot de hekken van de grens, en heeft daar toen dagenlang rondgezworven, achtervolgd door de douane met hun honden, tot hij het moest opgeven, uitgeput, verhongerd en met gebro ken nagels. De tweede keer was sa men met Dana, op vakantie in Joego slavië; ze stonden op het punt om de Oostenrijkse grens over te gaan, maar durfden het op het laatste moment toch niet aan. Ik vraag of hij nog steeds naar het Westen zou willen vertrekken. "Nu niet. Het verandert hier nu eindelijk. En bovendien is het niet gemakkelijk om dar iets op te bouwen." Hij voegt eraan toe: "Maar ik vind het fantas tisch om jullie te ontmoeten. Een
Tr is maar één communist in het Oostblok: niemand weet wie dat is' de lerares stelde over de hekken rond zijn land. "Waarom staat er stroom op die hekken aan de binnenkant van de grens, als ze er werkelijk alleen maar staan om de CIA buiten te houden?" had hij gevraagd. De volgende dag was hij op school twee uur lang door een man ondervraagd. Hoe hij aan die informatie kwam. Hij kreeg de keuze tussen zwijgen over hekken aan de grens of de school verlaten. Tomas koos voor het laatste. Later wilde hij niet in dienst. Hij werd op psychische gronden afge keurd. Dat betekende dat hij in psy chiatrische inrichtingen terecht kwam zonder dat hem werkelijk iets mankeerde natuurlijk. "Die psychia ters daar zijn beulen," is het weinige dat Tomas erover wil zeggen, "ik wist ternauwernood aan de elektroshock
half jaar geleden waren jullie nog marsmannetjes voor me."
Het lab We bezoeken het psychologisch labo ratorium van de imiversiteit. Daar treffen we een jonge onderzoeker aan, die zich enigszins overrompeld voelt door ons bezoek, maar voorstelt iets over het werk te vertellen. "Dit is ons museum," zegt hij, wijzend op een oude computer zo groot als een muurkast, "en we gebruiken hem nog steeds." "Maar," voegt hij er ge ruststellend aan toe, "we hebben ook een nieuwe." We krijgen te horen over de experi menten die er gedaan worden: hoe mensen in een kamer, die voorzien is van een one way screen, opdrachten moeten uitvoeren waarbij ze worden
bekeken of op video opgenomen, en hun gedrag wordt geïnterpreteerd. Echt degelijk, ouderwets onderzoek, zoals het bij ons niet veel meer wordt gedaan. Daarvoor zijn de onderzoe kers al te veel op 'het veld' georiën teerd. Sonja Hermochova komt binnen. Zij vertelt ons over de problemen van de faculteit: er is weinig geld voor on derzoek en onderwijs, en tot voor kort was het bijzonder moeilijk om aan buitenlandse literatuur te komen. Van de boeken die wel aan de stu denten onderwezen konden worden, waren nooit meer dan zo'n drie exemplaren aanwezig op de faculteit. En omdat de kopieermachines zeer schaars zijn in dit land, is het voor de tientallen studenten steeds een pro bleem om tijdig hun tentamens voor te bereiden. We vragen haar naar de mogelijkhe den om onderzoeksresultaten te pu bliceren in buitenlandse tijdschriften. Een bittere glimlach. "Dat is aldoor onmogelijk geweest. Tenminste, als je de westerse tijdschriften bedoelt. In Tsjechische en Russische tijdschrif ten was het niet al te moeilijk. Maar vaak hebben we hier interessante re sultaten behaald, zonder die ooit in Amerikaanse bladen te kunnen pu bliceren. Ef zijn er wel die daarin pu bliceerden, maar van hen kun je je soms afvragen hoe ze die mogelijk heid hebben verkregen. Daar klopte natuurlijk wel eens iets niet. Laat ik het zo zeggen: wij hadden ook wel in een Amerikaans Ijlad kunnen publi ceren, maar dan maar één keer." Sonja vertelt dat er nu zeshonderd aanmeldingen zijn voor de voltijds studie psychologie, en nog eens zes honderd voor de deeltijdstudie. "En dat terwijl we in beide maar plaats hebben voor dertig studenten!" Wij reageren verbijsterd op die enorme aantallen, maar Sonja haalt haar schouders op. "Het is niet vreemd, het weerspiegelt wat ons land nodig heeft. Er is te lang geen aandacht be steed aan de innerlijke wereld van de mensen."
Tijtratieproces We lopen over de Prikopestraat, een brede winkelstraat waarop over de hele lengte een tentoonstelling is uit gezet over de geschiedenis van Tsje choslowakije. Er staan dikke pilaren en borden met teksten en foto's erop, en er is een hoge schutting waarop levensgroot de heersers uit de com
^^ CNA/ANP munistische periode staan afgebeeld: Ceausescu, Husak, Brezjnev en ande ren. Stalin, iets hoger, staande met geheven hand. Het is erg druk. Toeristen, maar vooral Tsjechen, jong en oud, ver dringen zich om de teksten te lezen, en wijzen of kijken naar de portretten op de schutting. Verwonderd reali seer ik me dat nog maar enkele maanden geleden het overgrote deel van deze mensen zwijgend meedraai de in het communistische systeem. "Is het niet vreemd," zeg ik tegen Karolina, "dat iedereen zich in een communistisch systeem volgens be paalde normen en eisen gedraagt, terwijl niemand er werkelijk in ge looft? En dat die schijn pas verdwijnt wanneer er genoeg mensen zijn die met kracht weigeren om hem nog langer op te houden." Het is alsof je met een groepje men sen bij elkaar zit, en iedereen heeft eigenlijk zin om naar buiten te gaan; maar niemand durft dat hardop te zeggen uit angst ongenoegen te ver oorzaken, zodat men elkaar, gehoor zamend aan een veronderstelde norm, steeds luider bevestigt hoe prettig het binnen is. Het wordt steeds moeilijker om de waarheid te spreken. Maar wanneer er dan ten slotte iemand zijn nek uitsteekt, en naar buiten durft te gaan, zijn de an deren opgelucht en volgen hem. We vergelijken zo'n kentering met een chemisch titratieproces: een be paalde stof wordt langzaam bij een andere gedruppeld, en lange tijd ge beurt er niets, en dan opeens vindt er door de toevoeging van maar é/én druppel een reactie plaats: de stof heeft haar omslagpunt bereikt en verandert van kleur. Een van ons vertelt een oude Hon gaarse mop van voor de omwente ling: "Er is maar één communist in het Oostblok; maar niemand weet wie dat is." De Tsjechische studentes moeten er hard om lachen. "Het is waar," zeggen ze, "zo was het."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1989
Ad Valvas | 576 Pagina's