Ad Valvas 1990-1991 - pagina 542
I AD VALVAS 6 JUNI 1991
PAGINA 12
Opcniiijf van liet Sociaal Coiiijrcs op Goroformcerden grondslag.
nisatie als zodanig. Daarbij vergeleken nam Kuyper ondanks zijn achterwaarts gerichte lofzang op de ambachtelijke handenarbeid een opmerkelijk modern standpunt in. Hij achtte niet alleen staken voor economische doeleinden in uiterste instantie geoorloofd maar sprak zich uit voor vakorganisatie en zelfs voor neutrale vakorganisatie. De kerstening moest volgens hem plaatsvinden in een werkliedenvereniging als Patrimonium.
Dr. GJ. Schutte (red.). Een arbeider is zijn loon waardig. Honderd jaar na Rerum Novaaim en Chnstelijk-Sociaai congres 1891: de ontwikkeling van het chnstelijk-sociaat denken en handelen in Nederland, 1891-1914. Uitg. Meinema. ƒ 35,-.
Ger Harmsen Nu, na anderhalve eeuw strijd en organiseren, de ontvoogding van de arbeidersklasse cultureel, politiek en sociaal een heel eind op streek is, wordt hel gangbaar dit te zien als het resultaat van de gezamenlijke inspanning van socialistische, rooms-katholieke en protestantse vakorganisaties. De moderne critici meten zorgvuldig na of historici, musea en bibliotheken ieder van de drie stromingen wel een even grote plaats en betekenis toekennen. Niet wegen maar tellen lijkt het parool, al is dit een weinig historische bezigheid. De zojuist op een symposium aan de Vrije Universiteit gepresenteerde bundel Een arbeider is zijn loon waardig verstoort het beeld van drie gelijkwaardige stromen in vakbondsland wreed en grondig. De bundel verscheen ter herdenking van de in de meimaand 1891 verschenen encycliek Rerum Novarum, in radikaal-socialistische kring wel aangeduid als "een brochure van joachim Pecci, paus te Rome". De bundel herdenkt tegelijk het in november 1891 gehouden christelijk-sociaal congres. Op zich hielden deze roomskatholieke en protestantse gebeurtenissen geen rechtstreeks verband met elkaar. In dit geuzenland was daarvoor de afkeer die rooms-katholieken en protestanten op het godsdienstige vlak van elkaar scheidde, te groot. Niettemin bleek het CDA, als panacee tegen de electorale neergang van de confessionele partijen, politiek een succes. Dit maakt het getuige deze bundel blijkbaar ook historisch wen< selijk de oude scheidingslijnen binnen het christelijk volksdeel te verdoezelen.
Vertraging
"Mannen-broeders, vrouwen-zusters! Wij hebben ons Christelijk Kabinet gehad, en nu hebben wij ons Christelijk sociaal congres. De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan, en dies zijn wij verblijd. Als ik den blik laat weiden over deze talrijke vergadering, en vooral als ik de tevreden gezichten zie der mannen van Patrimonium, een jaar geleden nog zoo grimmig, dan vouw ik de handen en sluit de oogen, en ik roep den Heere-Heere aan, om Hem te danken, dat Hij op zoo wonderbaarlijke wijze onze wegen leidt en ons telkens de middelen in de hand geeft, om ons groot te maken te midden van de kleinigheid diergenen, die den Heere niet zoeken..." (De tekening werd in november 1891 gepubliceerd in het links-liberale en humoristisch-satirische weekblad Uilenspiegel)
De harde stri
Uit de zeilen Rome reageerde met Rerum Novarum op de felle discussies over de 'sociale quaestie' binnen de Franse en Duitse kerkprovincies en niet zozeer op wat in Nederland aan de hand was en vooral niet aan de hand was. Hans Righart volgt in zijn knappe en bondige bijdrage aan de bundel het voetspoor van de linkse historische traditie en ziet Rerum Novarum als een poging om de socialisten de wind * uit de zeilen te nemen door een eindweegs met hun kritiek op het kapitalisme mee te gaan. De Duitse keizer had al een jaar eerder, tegen de wil van Bismarck in, vergeefs geprobeerd een dam tegen de opmars der socialisten op te werpen door een verdergaande regeling van sociale verzekeringen en arbeidsbescherming aan te kondigen en bovendien een maand later een hieraan gewijd internationaal congres in Berlijn te beleggen. Men kan deze stappen van keizer en vaticaan zien als een vertraagde reactie op het bijna een halve eeuw eerder verschenen 'Communistisch Ma^ nifest', maar niet zo vertraagd of de Nederlandse clerus was hier nog lang niet aan toe. Op de vraag tijdens het eindexamen naar de auteur van dit manifest, placht ik in mijn leraarstijd het antwoord dat dit de paus was geweest, niet helemaal fout te rekenen. Want deze feitelijke onjuistheid gaf wel aan dat het prille historische bewustzijn nu niet zonder grond een verband tussen deze beide documenten legt.
liefdadigheid en berusting. De socialisten eigenden zich uit deze encycliek de scherpe kritiek op het kapitalisme en het recht werkliedenorgansiaties te stichten toe. Willem Vliegen, typograaf en socialist te Maastricht, later medeoprichter van de SDAP, hanteerde Rerum Novarum als wapen in de strijd tegen de aartsconservatieve clerus die zwoer bij kerstening als het enige probate middel tegen alle maatschappelijke ellende. Vliegen verspreidde de encycliek in Maastricht huis aan huis. Zo loopt er een al dan niet rechte lijn van Vliegen naar Stekelenburg, de voorzitter van de FNV, die zichzelf meer dan de roomse clerus van destijds herkent in bepaalde ideeën in deze encycliek maar die socialisten lang voordien heel wat helderder en duidelijker onder woorden brachten. Niet het perspectief van het FNV maar dat van het CDA beheerst echter de bundel. Dit maakt samengaan van rood en rooms in de FNV geheel onverklaarbaar.
Behalve Ariëns waren het vooral de socialisten die zich verheugden over 'Rerum Novarum en zelfs meer dan de Nederlandse clerus, die liever bleven bij het recept uit Auspicato Consessum, de encycliek die Leo III in 1882 het licht deed zien: armoede.
Rerum Novarum kreeg in het historische onderzoek heel wat meer aandacht dan het Christelijk Sociaal Congres. Dit geldt eveneens voor de rooms-katholieke sociale organisaties en in het bijzonder de werklieden- en
Verrassend
vakorganisaties, vergeleken met hun protestantse tegenhangers. Daardoor zijn de bijdragen in de bundel over de protestantse werklieden-organisatie interessanter en soms ook verrassender. Zo nam het Christelijk Sociaal congres - een door Kuyper overgenomen initiatief van de werkliedenvereniging Patrimonium dat de bedoeling had het opstandige Friese deel in het gareel te krijgen - opmerkelijke standpunten in. Patrimonium dat in geen enkel opzicht als een vakorganisatie kon gelden en zich geheel richtte op de verkondiging en verdieping van het geloof, bleek hier nog lang niet aan toe. Om te beginnen zag Patrimonium niets in de voorgestelde Kamers van Arbeid, die een permanente onderhandelingsstructuur tussen kapitaal en arbeid en daarmee de klassenvrede beoogden te creëeren. Paradoxaal genoeg kregen in dit instituut de socialisten, die hier evenmin iets van moesten weten maar zich toch, hoe tegenstribbelend ook, kandidaat stelden, een meerderheidspositie. Soms was dit voor de werkgevers een reden zich uit de Kamer van Arbeid terug te trekken. Ten tweede erkende het Christelijk Sociaal Congres de noodzaak om onder bepaalde omstandigheden over te
gaan tot staking. Talma, voorman van Patrimonium, noemde de tegenstelling tussen werklieden en werkgevers onoverbrugbaar zonder uiteraard iets te willen weten van de klassenstrijd. Iedereen leek echter eensgezind als het ging om de afwijzing van het socialisme. De bundel versterkt deze indruk omdat geen van de bijdragen melding maken van het christen-socialisme terwijl deze stroming toch sedert de eeuwwisseling van zich deed spreken. Talma wees het socialisme ondubbelzinnig af en het deed hem later dan ook veel verdriet als minister meer steun van de SDAP te krijgen voor zijn arbeidswetten dan van zijn geestverwanten en partijgenoten. Talma sprak zich echter wel uit voor confessionele vakorganisatie en werkstaking. Velen bleven het op die punten nog lang grondig oneens met Talma, vooral de gereformeerde werklieden, die zelfs van materiële belangenbehartiging in de bedrijven niets moesten weten. Patrimonium verloor veel leden waar het tot het stichten van vakafdelingen overging. Niet minder verdeelde het stakingswapen de predikanten zelf en bekend is de kruistocht die ds. J.C. Sikkel in 1903 hiertegen ondernam. Hij verzette zich trouwens ook tegen vakorga-
Duidelijk blijkt uit de bijdrage van Altena en Homan hoezeer de protestantse vakorganisatie met grote vertraging ontstaat en vaak pas dan als er al een socialistische vakvereniging in een plaats functioneert. Het socialistische organisatie-model gold daarbij als voorbeeld. Jammer dat de bundel alleen in aparte bijdragen over Engeland, Duitsland en België aandacht aan de nationale en Europese context besteedt. Hierdoor staan de bijdragen over Nederland wat op zichzelf. Wel poogt D.Th. Kuiper, socioloog aan de VU, in een uitvoerige, langdradige herhalingsoefening aan het slot van de bundel dit euvel te verhelpen, maar slaagt hier niet in. Alles blijft naast elkaar staan en hoe de ideeën in de verschillende landen elkaar wel of niet beïnvloed hebben blijft duister. Storend is dat Kuiper blijkbaar weinig vertrouwd is met de geschiedenis van het socialisme, die in de marge aan de orde komt. Zo laat hij de SDB in 1883 en het N W in 1906 oprichten.
Boeman Een ernstig tekort is dat de socialistische reacties op Rerum Novarum, het Christelijk Sociaal congres en de confessionele vakorganisatie in het algemeen nauwelijks aan bod komen. Het socialisme wordt vaak genoemd, maar uitsluitend als boeman en niet als de sociale beweging die de maatschappelijke ontwikkeling voortstuwde. Dit is des te merkwaardiger omdat alle auteurs benadrukken dat het in 1891 gaat om een confessioneel antwoord op de socialistische dreiging, maar die zelf nergens uit de rode verf komt. Wat de avant-garde rol en grote betekenis van het sociaal-liberalisme betreft, maakt het met feiten volgepropte opstel van Theo van Tijn dit voor een deel goed. De bundel beperkt zich verder tot de geschiedenis van ideeën aangevuld met die van organisatorische vormen en zegt weinig of niets over de praktijk, de acties, de houding in en tijdens stakingen, de catastrofe van de spoorwegstaking in april 1903 etc. Hoe staat het met de these van Jan van den Tempel, een gematigd vakbondsman, één van de oprichters van het N W en korte tijd minister van sociale zaken, dat de geschiedenis van de confessionele vakorganisatie neerkomt op strijd- en staking-breken? Mocht dit een mythe en geschiedvervalsing zijn dan was het goed geweest om deze juist vanwege de hardnekkigheid te weerleggen aan de hand van historisch onderzoek. In deze bundel lijkt de harde strijd die de arbeidersklasse gevoerd heeft, taboe te zijn. Toch moest er onder aanvoering van de socialistische vakbeweging zwaar slag geleverd worden, voor de arbeidersmacht sterk genoeg was om het christelijke ideaal van samen met de werkgevers rond de tafel plaats te kunnen nemen grosso modo gerealiseerd was.
Ger Harmsen is geschiedschrijver van de arbei dersbeweging Tot 1987 w as hij hoogleraar socia le filosofie aan de Rijks Universiteit Groningen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990
Ad Valvas | 574 Pagina's