Ad Valvas 1990-1991 - pagina 507
AD VALVAS 23 MEI 1991
PAGINA 5
Het moet maar eens af gelopen zijn met die eeuwige ironie, met dat eindeloze gerelativeer, dat afstand nemen en geen standpunt willen verdedigen. Dat vindt een aantal jonge schrij vers. Ze schreven er een tijdschrift over vol en in De Balie werd er een discussie over georgani seerd. Koos Neuvel
Een nieuwe schrijversgeneratie! Vol gens het nieuwe literaire tijdschrift De XXIe Eeuw is het zo ver; er heet een generatie kunstenaars van rond de dertig te zijn opgestaan met een gemeenschappelijke instelling, een generatie die zich afzet tegen voorgaande generaties. De ironie, daar kant men zich tegen, men wil zoals het themanummer van het blad getiteld is 'de ironie voorbij'. Ik lees in de inleiding: "Wij hadden zo lang zamerhand genoeg van de spitse, al les afwerende spotternij van de jon gens en meisjesclubjes, van de ironie als verhullend pantser, van de ironie die iedere verdere discussie smoor de." Wat de nieuwe generatie dan wel wil? Zulke zaken als: authenticiteit, waarheid, ernst, betekenis, engage ment. Grote woorden, dat is zeker, en de verleiding is haast onweerstaan baar om ze op galmende dominees toon uit te spreken. Telkens weer dreigt de ironie het meest serieuze op afgrondelijke wijze te banaliseren. Ironie, dat is niet serieus zijn, niet menen wat je zegt, of precies het om gekeerde zeggen van wat je eigenlijk bedoelt. Maar dan moet aangesproke ne wel weten wat spreker eigenlijk bedoelt. Connie Palmen, de prima donna van de nieuwe schrijversgene ratie, lukte dat maar zelden, deelt ze mee in haar bijdrage aan De XXIe Eeuw. Zei iemand tegen haar dat ze er die dag weer beroerd uitzag, wilde zij onmiddelijk naar de dichtstbijzijn de spiegel rennen. Bleek het niet ge meend te zijn. "Ik was lang iemand tegen wie ze er bij moesten zeggen dat het ironisch bedoeld was." Afgezien van dit ernstige herken
Connie Palmen: 'Ze moes ten erbij zeggen dat het ironis ch bedoeld was '
Foto Annaleen Louwes
De ironie als verliullend pantser Gezapige discussieavond over een lastig onderwerp ningsprobleem, wordt in het tijd schriftnummer niet geheel duidelijk wat nu het misselijkmakende van de ironie is. Tegen wie keert men zich eigenlijk en met wie of wat wil men zich engageren? In de hoop op wat meer klaarheid begeef ik me naar De Balie waar een discussieavond wordt gehouden over 'de stand van de iro nie'. In eerste instantie valt dat tegen. Arnold Heumakers (V olkskrant), Ca rel Peeters (Vrij Nederland en VU) en Connnie Palmen houden com plexe en bovenal zeer geleerde inlei dingen. Veel historische contexten, veel verschillende vormen van ironie, hier een schouderklopje en daar een vermaning. Akelig genuanceerd alle maal. De achterste rij van de zaal ergert zich daar vanaf het allereerste begin aan. "De ironie is een lastig onder werp", luiden de houterige openings woorden van voorzitter Henk Pröp per. "Hi, hi, hi", klinkt het venijnig door de zaal. Het is Ischa Meijer. Sa men met Theodor Holman en Henk
Kuyper liep door de hal van het Hoofdgebouw toen zijn aandacht werd getrokken door een affiche. Los van kerk, staat... en oude kluisters? stond er met grote letters op. Het was de aankondiging van het symposium dat het Overpeinzingsinstituut die middag zou houden over de eventuele afschaffing van het christelijk karakter van de VU. Kuyper herinnerde zich nog maar al te goed dat het Overpeinzingsinstituut hem had gepasseerd voor de bundel die ter gelegenheid van dit symposium was geschreven. Nu hij de lijst van sprekers zag staan op het affiche werd zijn woede opnieuw gewekt. De vreemdste snuiters mochten hun zegje doen, maar de opvattingen van de achterkleinzoon van Abraham Kuyper waren blijkbaar niet van belang. Dat kon hij toch niet over zijn kant laten gaan! Hij besloot contact op te nemen met de organisatoren. Hij trof het niet; de telefoon werd opgenomen door de ambitieuze, maar nogal dommige beheerder van het Overpeinzingsinstituut, Guus Klepel. Deze man had ooit een cursus gevolgd over de Weense filosoof Ludwig Wittgenstein, zonder er veel te begrijpen. Eén zinsnede van Wittgenstein was hem bijgebleven: "Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen." En die diepzinnigheid beviel Klepel zo goed, dat hij iedere kans aangreep om haar uit te spreken. Klepel was zelf overigens allerminst zwijgzaam, zo ondervond Kuyper tijdens het telefoongesprek. De man onderbrak hem keer op keer en begon met veel omhaal van woorden uit te leggen waarom hij niet kon worden toegevoegd aan het overvolle programma. Toen Kuyper bleef protesteren dat het niet aanging om hem, de achterkleinzoon, monddood te maken, zag Klepel zijn kans weer schoon: "Maar meneer
Spaan zal hij de hele avond door kat tekwaad bUjven uithalen. Het zijn de stoutste jongens van de klas, lekker keten willen ze, de meester voor gek zetten. Vooral de namesdropping van de in leiders zorgt voor hilariteit op de ach terste rij. In een mum van tijd komt inderdaad een kolossale stoet 'grote denkers' langsdraven: Schlegel en Hegel, Plato en Kierkegaard, Heine en Swift etcetera. Telkens wanneer zo'n naam de zaal ingeslingerd wordt, neemt Henk Spaan het opschrijf boekje ter hand. "Morgen naar de boekwinkel", grinnikt hij ironisch. Met een enkele naam heeft hij moei te, bijvoorbeeld wanneer de Ameri kaanse filosoof Richard Rorty ter sprake wordt gebracht. "Wie? Willy Worty?" Meligheid, grote meligheid. Bloedse rieuze conversatie over humor, daar krijg je kennelijk de kriebels van. Het lijkt ook wat erg gemakkelijk om ach ter een gezaghebbende rug weg te kruipen en zo zelf niet een al te uit
gesproken gedachte te hoeven for muleren. Na verloop van tijd komt Carel Peeters echter toch met een duidelijke stellingname. De ironie is wat hem betreft het zand in de rade ren van de literatuur, de ironie heeft een verlammend en debiliserend ef fect. De ironicus is een lafaard, ie mand voor wie alle meningen even goed zijn, geen standpunten inneemt en zich eeuwig op de vlakte houdt. De ironicus is al met grijze haren ge boren. Eindelijk een ferm standpunt! Maar ook bij Carel Peeters herneemt de ironische relativering onverbiddelijk zijn rechten. Want prompt verklaart hij Diderot's 'de neef van Rameau' (Henk Spaan pakt weer zijn opschrijf boekje) zo'n prachtig werk te vinden omdat daar de ironie gehanteerd wordt om een spoor van heilzame twijfel te zaaien en omdat er de spot met alle eenduidigheid wordt gedre ven. Een dergelijke ironische schrij ver mag best bij hem over de vloer komen. Zo iemand is een graag ge
A. Kuyper Zn.
De belevenissen van een achterkleinkind (34) Kuyper, het is toch veel mooier als u als een soort schaduw van het verleden zwijgend aanwezig bent. Waarover men niet mag spreken, daarover moet men dan maar komen zwijgen, niet waar?" zei Klepel en hij begon hard te lachen. Kuypers gevoel voor humor was op dat moment ver te zoeken, en hij bleef doordrammen. Uiteindelijk bereikten de twee een compromis: Kuyper zou voor de pauze als special guest kort het woord mogen voeren. Hij leunde na het telefoontje tevreden achterover in zijn stoel. Dat was echter maar van korte duur; hij realiseerde zich ineens dat hij nog maar een paar uur had om te bedenken wat hij ging betogen. Hij nam de lift naar beneden om in de mensa inspiratie op te doen. Bij de ingang van de mensa werd hij evenwel staande gehouden door
ziene, sympathieke gast. De ambivalentie op de discussie avond komt overeen met die van het themanummer. In vroeger tijden (lang, lang geleden) wilden nieuwe generaties nog wel eens vlammende beginselverklaringen produceren en de kachel hoog opstoken met alles wat tot dan toe in naam der literatuur geschreven was. Niets deugde, alles moest over. De jaartelling kon op nieuw beginnen. Maar niets van dat alles bij de nieuwe generatie. Men constateert het zelf al. De nieu we generatie heeft genoeg van de iro nische distantie en de oneindige rela tivering maar tegelijkertijd is alles wat ze schrijven doordrenkt van ironie. "We kunnen niet nietironisch zijn, maar we kunnen ook niet altijd iro nisch zijn. Het gaat om iets daar tus sen in, om de wankele balans tussen ironie en integriteit", schrijven Chris Keulemans en Xandra Schutte in de inleiding. Het klinkt bijna CDAach tig, zo gematigd, zo tot het compro mis bereid, je kunt er werkelijk geen kwaad woord van zeggen. De gevolgen tekenden zich af: lang durige gezapigheid in De Balie, vra gen kwamen er na de inleidingen nauwelijks meer, het publiek leek platgeslagen door eruditie en rede lijkheid. Geen sprake van felle pole miek waarbij voor en tegenstanders van de ironie elkaar een retorisch vuur aan de schenen leggen. Theo dor Holman, Ischa Meijer en Henk Spaan deden nog een vertwijfelde po ging om wat leven in de brouwerij te brengen, maar niemand had er nog zin in. Er was meer zin in bier. Vormt zo'n discussie en zo'n thema nummer, vraag ik mij bij wijze van conclusie af, niet een perfecte illus tratie van het door de betrokkenen zo verfoeide 'ironische levensgevoel'? Voor een fel debat is het noodzakelijk dat er twee kampen zijn die heilig overtuigd zijn van het eigen gelijk. De kritiek op de ironie kan echter kennelijk alleen op een relativerende, dubbelzinnige, kort gezegd, ironische wijze gepresenteerd worden. Wie zich zeer bewust is van de eigen eenzijdigheden en die onmiddellijk probeert te corrigeren, valt het moei lijk een keiharde polemiek te voeren. En vanuit het overbewustzijn van de ironie is het niet eenvoudig een weg terug te vinden naar de naïveteit, naar de onschuld van de ondubbel zinnige stellingname en het heldere engagement. Makkelijker nog leer je het fietsen of het zwemmen af. De ironie is een lastig onderwerp. Net wat u zegt, mijnheer.
een merkwaardig uitgedost clubje studenten. "Kopje wereldkoffie, meneer?" vroeg een van hen. Kuyper liet zich uitgebreid voorlichten over de achtergrond van dit genereuze aanbod, en toen bleek zijn probleem te zijn opgelost. De bezoekers van het auditorium van de VU keken verlangend naar de wijzers van de klok. Ze waren hard toe aan een pauze; de ene spreker was nog slaapverwekkender geweest dan de andere. Maar er stond nog een special guest op het programma. Op dat ogenWik kwam er een soort cowboy met strooien hoed, kleurige halsdoek en laarzen binnen, die een karretje duwde met twee koffieketels erop. Koffieplukker Abraham Kuyper nam het woord: "Al bijna twee jaar kunt u in de mensa kiezen tussen gewone koffie, afkomstig van grootgrondbezitters die hun plukkers genadeloos uitbuiten, en Max Havelaarkoffie, getrokken van bonen die zijn geplukt door arme kleine koffieboeren uit de Derde Wereld. Deze bijzondere koffie heeft de gewone boon nog steeds niet . kunnen verdrijven van de VU. Ik vind dit typerend voor de tweeslachtige manier waarmee deze universiteit omgaat met haar christelijke doelstelling. Er moet maar eens duidelijkheid komen, en wel mi. U mag kiezen tussen de gewone koffie en de DerdeWereldkoffie op mijn karretje. Het is een principiële keuze, en uit de uitslag zal blijken of het christelijke hart van de VU'er nog op de goede plaats zit." Kuyper was nog niet uitgesproken of zijn kar werd bestormd door dorstige koffieklanten. Al snel waren zijn koffieketels leeg. Aan het eind van de pauze maakte hij de balans op. Maar helaas, de stemmen staakten! De VU was nog steeds niet verlost van haar akelige dilemma.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990
Ad Valvas | 574 Pagina's