Ad Valvas 1991-1992 - pagina 225
VALVW8 NOVEMBER 19911
I PAGINA 9
f gen Jaarlijks verbruikt de VU 23.000 proefdieren. Varkens, eenden en poelslakken gaan in het belang van de wetenschap onder het mes. Niet alles mag echter. De richtlijnen van de onlangs ingestelde Dierexperimenten Commissie, die de dierproeven gaat beoordelen, zijn 'keihard': de dieren mogen niet onnodig lijden en als het mogelijk is moeten de experimenten in de reageerbuis worden uitgevoerd.
^y-
r -B Foto NICO Boink/AVC-VU
kun je zo een richtingsverandering forceren. Dat lijkt me prachtig." Een mogelijkheid tot sturing zou kunnen zijn dat de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek meer geld beschikbaar stelt voor dit soort onderzoek. Voorzanger: "Dat gaat niet zon der een enorm gekrakeel. Elk onderzoeksgebied dat gekort wordt gaat roepen dat men daarmee in ternationaal achterop raakt, dat Nederland de boot mist, dat het ernstige economische consequenties heeft. Dat gejammer zul je altijd horen. Twee pluggen in je oren en je bent van het probleem af Daar liggen zeker mogelijkheden die als signalen belangrijk zijn." Minister Ritzen maakte bij de bespreking van zijn nota in de Tweede Kamer echter geen aanstalten tot zulke rigoureuze ingrepen over te gaan. Hij vond zelfs dat het hele punt 'financiën' niet aan de orde hoefde te komen, omdat het immers gaat om een mentaliteitsverandering. Het probleem hoe deze te bewerkstelligen zonder de benodigde mid delen voor publikaties, conferenties en dergelijke het hij grotendeels buiten beschouwing. Mocht er voor een specifieke activiteit steun gevraagd wor den, dan zal de minister bekijken of hij daar geld beschikbaar voor stelt. Het MCKS heeft er een paar jaar geleden juist voor gepleit om structureel 4 procent van het geld dat aan wetenschappelijk on derzoek besteed wordt, te reserveren voor de sti mulenng van ethische en maatschappelijke reflec tie op dat onderzoek. Laeyendecker ergert zich dan ook aan de terughoudendheid van de minis ter. "Als een overheid van mening is dat dit be langnjke vragen zijn, is het voor mij, gegeven dat een overheid zich klaarblijkelijk wel vindt dat we tenschappelijk onderzoek gestimuleerd moet wor den, volstrekt onduidelijk waarom ze zich niet ge roepen voelt geld uit te geven aan de reflectie op de ethische aspecten van die wetenschap."
Bij onze binnenkomst in het schemerige kamertje maken de tien pekingeenden een hels kabaal. Ze proberen met zijn allen in het verste hoekje van hun kooi weg te duiken. Wanneer ze na enige tijd nog slechts zachtjes piepen, verklaart de proefdier verzorger van de vakgroep parasitologie en immu nologie, Wim Schouten, hun verblijf: "Deze een den zijn een deel van een parasitaire cyclus. Ze worden als ze een week oud zijn geïnfecteerd met parasieten die ook in de poelslak leven. De para sieten ontwikkelen zich totdat ze eitjes kunnen leg gen, die we verzamelen uit de ontlasting van de eend. Zo kan er weer onderzoek gedaan worden naar deze parasieten. De dieren worden tijdelijk ziek: op een gegeven moment passeren de parasie ten de longen, doorboren die als het ware, en dan zijn ze erg gevoelig. Dan zou er door de stress zo nu en dan een dood neer kunnen vallen. We plan nen het altijd zo dat die periode in het weekend ligt. Dan is het hier lekker rustig. Na verloop van tijd zijn ze weer kerngezond. Ze scheiden veertien > dagen de eitjes uit, en dan worden ze afgemaakt." De tien eenden vormen slechts een klein deel van het aantal proefdieren dat jaarlijks ten behoeve van de wetenschap aan de vu wordt verbruikt. Vorig jaar waren het er in totaal 23.000, waaronder 11.000 muizen, 9.500 ratten, een dikke 1.000 cavia's, 48 honden en 56 varkens. Dieren die le vend gebruikt worden mee te om experimenteren, of dieren die dienen als produktiemiddel voor al lerlei stoffen, preparaten of zoals bij de eenden nieuwe parasieten. Dat aantal van 23.000 betreft alleen de gewervelde dieren. Het omvangrijke on derzoek dat bij Biologie wordt verricht naar de poelslak Limnea Stagnalis is er bijvoorbeeld niet in verwerkt. Dit onderscheid wordt ook gehanteerd in de richt lijnen voor dierproeven, die afgelopen dinsdag door de universiteitsraad werden vastgesteld. Zon der wervelkolom valt een proefdier buiten deze richthjnen en dus buiten de discussies over de toe laatbaarheid van het onderzoek. "Een praktisch onderscheid", erkent Jan Wolters, sinds vorig jaar maart de proefdierdeskundige van de vu. "Ergens is een lijn getrokken. We zijn niet meer zinvol bezig als we er ook vliegjes bij moeten gaan be trekken. Een onderzoeker moet echter met onge wervelden net zo bewust en met evenveel eerbied omgaan als met gewervelden, maar wel met de er varing en de kennis die bij dat bepaalde dier hoort. Als je weet dat een bepaald ongewerveld dier nau welijks lijdt onder een bepaalde ingreep, kun je die gemakkelijk uitvoeren." Wolters is ambtelijk secretaris van de Dierexperi menten Commissie (DEC), die tegelijk met het vaststellen van de richtlijnen ofBcieel is ingesteld. Officieus boog de commissie zich al enige jaren over de uitvoering van dierexperimenten aan de vu. Volgens de nieuwe richtlijnen moet elke dier proef met gewervelde dieren bij de DEC worden aangemeld. Die wordt vervolgens geacht een afwe ging te maken tussen 'de mate van ongenef van het proefdier en het wetenschappelijk en maat schappelijk belang en de haalbaarheid van het voorgenomen onderzoek'.
Analogie De toetsing van het wetenschappelijk belang van de dierproef is geen taak van de DEC: een vak groepsbestuur of de wetenschapscommissie van een faculteit worden geacht deze toetsing uit te voeren. Een probleem kan hierbij zijn dat deze in stanties belang hebben bij de voortgang van hun onderzoek, en dus het belang van dat onderzoek altijd hoog in zullen schatten. Wolters erkent dit, maar, zo stelt hij, "je moet ervan uit gaan dat het onderzoek dat plaatsvindt waardevol genoeg is om te bestaan. De laatste jaren is er zo aan de boom geschud dat de rotte appels er wel uit zijn geval len. De maatschappelijke relevantie van het onder zoek is daarmee enorm toegenomen." Cnteria die bij de toetsing door de DEC wel aan de orde komen zijn de mogelijkheden voor alternatie ven zonder proefdieren, het aantal en de soort van de dieren, en het leed dat de proefdieren moeten
Dierenleed in liet belang van de vooruitgang
Proefdierdeskundige: 'Je moet je afvragen of je er zelf iets van zou zeggen' ondergaan. Maar is het leed en ongerief van dieren wel goed in te schatten? Wolters: "Wanneer je het ongerief van dieren moet inschatten, speelt het analogieprincipe een belangrijke rol: je moet je in de eerste plaats afvragen of je er zelf iets van zeg gen zou, of je er zelf onder zou lijden. Maar dat is een heel slecht principe. Dieren kunnen lijden onder situaties waarvan je als mens zou zeggen dat je dat niet doet. Dieren kunnen in een situatie bij voorbeeld stress ervaren, terwijl je als mens hebt geleerd niet meer gestresst te zijn. Aan de andere kant komt het ook voor dat je met dieren onvoor stelbaar veel kunt uithalen zonder dat ze een kik geven. Als een dier leed wordt aangedaan, lijdt het daar natuurlijk onder. Maar als het leed ophoudt, dan lijdt het dier er verder ook niet meer onder." Echte proefdieren huilen niet en vertonen na een ingreep direct weer hun normale gedrag. Toch be kijkt de DEC ook of er aan pijnstilling is gedacht en wat voor narcose er wordt gebruikt. Wolters: "Wat bijvoorbeeld niet kan is dat je een dier een narcose geeft van een slaapmiddel en een spierverslapper, maar geen pijnstilling. Het dier kan dan mets, slaapt een opgelegde slaap, maar voelt alles. Daar wordt dan een stokje voor gestoken. Als een dier enorm veel pijn lijdt en dat kan in het belang van de proef niet worden onderdrukt, dan bestaat daar grote weerzin tegen. Maar als het niet anders kan, en het wetenschappelijk belang is groot genoeg, dan mag het. Ook de wet op de dierproeven laat daarvoor een opening."
Onthoofding De banden waaraan het wetenschappelijk onder zoek de laatste jaren steeds meer wordt gelegd, be vorderen een vermindering van het proefdierge bruik. Voorwaardelijke financiering, vakgroeps plannen en subsidieaanvragen maken dat onder zoekers niet op eigen houtje kunnen gaan experi menteren. Daarnaast maken de krappe budgetten een efficiënt gebruik van proefdieren noodzakelijk. Elke rat kost weer een gulden of twintig. Het aan tal proefdieren van de vu is in een paar jaar tijd dan ook enorm gedaald, van 42.703 in 1985 tot 23.010 vorig jaar. Besparen op het aantal benodig de dieren kan bijvoorbeeld door één rat voor di verse onderzoeken te gebruiken. Dr. Karel Kits doet bij de sectie neurofysiologie van de biologi sche faculteit onderzoek naar de communicatie tussen zenuwcellen van ratten. Het merendeel van de paar honderd hersendeeltjes die daarvoor per jaar worden gebruikt, is afkomstig van ratten die bij de vakgroep farmacologie van Geneeskunde voor andere onderzoeken worden ingezet. Na ont hoofding van de dieren wordt de buit verdeeld. Van de onderzoeker wordt volgens de richtlijnen verwacht dat hij voor elke dierproef bedenkt of er niet een alternatieve onderzoeksmethode bestaat. En volgens Wolters is de DEC hierin keihard: als er een alternatief voor handen is, moet dat ook benut worden. Een rijke bron van alternatieven vormen de moge lijkheden om 'in vitro', in de reageerbuis, allerlei stoffen te kweken en experimenten uit te voeren. Nieuwe therapieën moeten echter ook uitgetest worden 'in vivo', op levende dieren, omdat bij voorbeeld het afweersysteem een factor is die in de reageerbuis niet is na te bootsen. Bij het Pathologisch Instituut doet dr. Rik Scheper onderzoek naar therapieën voor kanker. Daartoe krijgen cavia's een tumor in de flank ingeplant, die na een week of twee is uitgezaaid naar de longen, lever en lymfeklieren. Bij een cavia die Scheper laat zien is de tumor duidelijk te zien als een knik ker in een zak. De cavia's krijgen verschillende vormen van experimentele therapieën. Vervolgens wordt gekeken welke therapie de cavia's het langst in leven houdt.
Onprettig Volgens Scheper valt aan de cavia'a met te merken dat ze onder de ingeplante tumor lijden. Hetgeen niet betekent dat hij er maar van uit gaat dat ze geen ongenef of leed hebben. "Maar dat is ook met de overweging. De overweging is dat we de proeven belangrijk vinden. We hopen dat het eer
der categorie twee van leed is dan categorie zes, maar hoe dat ligt weten we niet. Maar zelfs als het categorie zes is, zouden we de experimenten toch gerechtvaardigd vinden en toch doen." Vroeger het men de cavia's doodgaan aan de kan ker, tegenwoordig wordt in de woorden van Scheper 'euthanasie' toegepast als duidelijk wordt dat het beestje het met gaat halen. "Als het wetenschappelijk gezien nodig is dat ze in de eind fase blijven leven, dan gebeun dat," aldus Sche per. "Als dat leidt tot situaties die onprettig zijn, als de tumoren te groot worden of de cavia's een open wond krijgen, als je ziet dat ze lijden, dan ga je dat soort proeven mijden. Dan ga je schiften. Dat is wel een trend die ik zie." "Mensen vinden het niet prettig om onprettige dingen te zien. Als je iets moet doen, doe je het maar tot op zekere hoogte. Er zijn proeven die je gewoon niet doet. Bijvoorbeeld een tumor in het oog enten, dat zou ik niet doen. Op het moment dat onderzoek diny wordt, zouden we dat alleen maar doen als we overtuigd zijn van het belang van het onderzoek en we erg nieuwsgierig zijn naar de uitkomst van een bepaalde proef."
Muizenoogst Voor het realiseren van alternatieven in de re ageerbuis zijn soms grote investeringen nodig. Daar ontstaat dan een duidelijke spanmng tussen de belangen van de wetenschapper en die van het dier. Een goed voorbeeld daarvan vormt de pro duktie van monoclonale antilichamen (MAB'S). MAB'S zijn afweerstoffen die heel specifiek op een bepaalde lichaamsvreemde stof reageren. Ze heb ben diverse toepassingen, onder andere in de dia gnostiek van besmettingen en bij de karakterise nng van rumorweefsel. Produktie van MAB'S vond voorheen overal plaats door middel van de 'asci tesmethode': een muis krijgt cellen die een be paalde monoclonaal produceren ingespoten in de buikholte. Daardoor ontstaat een tumor en deze produceert grote hoeveelheden antilichamen. Na enige tijd, als de buik van de muis strak staat van het buikvocht, de ascites, kan er geoogst worden. Het vocht wordt afgetapt en als de muis geluk heeft wordt hij daarbij afgemaakt, zodat hij de hele ellende met nog eens door hoeft te maken. Vanwege het lijden van de muizen is deze metho de in Nederland aan banden gelegd. Het is ook mogelijk de MAB'S in de reageerbuis te produceren. Volgens de richtlijnen van de Veterinaire Hoofdin spectie mag de ascitesmethode alleen gebruikt worden bij maximaal vijf muizen, voor één be paald monoclonaal. Voor het doen van onderzoek is dat meestal voldoende. Bij de produktie van grotere hoeveelheden monoclonalen, voornamelijk bedoeld voor de verkoop, dient de produktie in vitro te geschieden. Bij de vakgroep van Scheper worden twee belangrijke monoclonalen al in vitro in het eigen laboratorium geproduceerd. Deze productie van monoclonalen is echter veel duurder dan die in de buikholtes van muizen. Volgens proefdierdeskundige Wolters zal er door het mims terie van onderwijs en wetenschappen jaarlijks een ton subsidie beschikbaar worden gesteld om cen trale in vitrofaciliteiten in te richten. Ook de vu zal trachten voor een deel van die subsidie in aan merking te komen. Dat moet meer vakgroepen de mogelijkheid bieden op deze methode over te stap pen.
India Richtlijnen kunnen echter ook omzeild worden. Dat doet dr. Jool Hilgers, voor 80 procent werk zaam bij de vakgroep verloskunde en gynaecolo gie. Voor zijn bedrijfje BioProbe laat hij in India MAB'S produceren volgens de ascitesmethode, waarna hij de MAB'S in de handel brengt. De regel geving is in India veel minder stteng en zo kan hij de monoclonalen goedkoop op de markt brengen. In India heeft men tegelijkertijd de beschikking over de cellen om zelf MAB'S te produceren. Van de verkoop in India krijgt Hilgers naar eigen zeg gen 'slechts enkele procenten'. Hilgers rechtvaardigt zijn produktiewijze door erop te wijzen dat de in vitromethode de prijzen van de MAB'S enorm opdrijft, waardoor volgens hem ontwikkelingslanden nauwelijks meer aan deze stoffen kunnen komen. Hij erkent wel dat zijn methode leed veroorzaakt voor de dieren, maar stelt dat het er vooral om gaat dat die dieren niet te lang blijven zitten voor dat ze worden afgetapt. Gebeurt dat in India dan niet? "Daar zijn hele goede voorzorgsmaatregelen. Een dierenverzorger kijkt elke dag of een muis niet te dik is." "Het is een moeilijke zaak", erkent Hilgers, die met gelukkig is met de openbaarmaking van zijn activiteiten. "Ik heb geen zin om straks een stel dierenbeschermers op mijn dak te hebben."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 19 augustus 1991
Ad Valvas | 614 Pagina's