Ad Valvas 1991-1992 - pagina 286
AD VALVAS 16 JANUARI 1992
PAGINA 101
Charters De commissie Van der Zwan wil het de universiteiten mogelijk maken hun eigen bestuursstructuur te kiezen. IVIaar daar zijn natuurlijk wel afspraken (een charter) voor nodig. Van der Zwan schetste een tweetal mogelijkheden. Een drietal betrokkenen geven daarover hun mening.
Van der Zwan (I.) in gesprek met VU-collegevoorzitter Brinkman na afloop van de presentatie van de charters J.A van Leuvensteijn Het kritisch evalueren van de universitaire bestuursstructuur lijkt me verstandig. De universiteitsraad (UR) en het college van bestuur zouden in een open gesprek de hoofdlijnen van een vucharter overeen moeten komen en vervolgens faculteitsraden en -besturen om een reactie op het concept-charter moeten vragen. Het lijkt er nu op dat de colleges van bestuur achter de rug van hun universiteitsraden om structuurwijzigingen willen doorzetten. Dat zijn we aan de vu toch niet gewend? Laat er eerst maar een gezamenlijke visie van de beide universitaire bestuursorganen ontstaan. De heer Brinkman spreekt in Ad Valvas nr. 18 impliciet over de UR als een medezeggenschapsraad, maar zo ligt de zaak niet. De UR is de evenknie van het college. Beide hebben hun taken en verantwoordelijkheden, beide hebben daarbij al jaren de intentie om met elkaar tot overeenstemming te komen. Dat is een sterk punt van onze bestuurscultuur. In het rapport van de commissie-Van der Zwan krijgt de relatie centraal-decentraal bestuur terecht veel aandacht. In dat verband worden twee voorstellen voor een bestuursorganisatie uitgewerkt, waarbij de motivering van de verschillen naar mijn mening wel erg mager is. Het overleg zal veel moeten verduidelijken.
Het college kan niet zo maar zonder de universiteitsraad 'ifyti
Wanneer we als uitgangspunt nemen dat de vu (daar beperk ik mijn opmerkingen maar toe) zo georganiseerd moet zijn dat zij haar hoofdtaken, onderwijs en onderzoek, optimaal kan vervullen, dan houdt dit bij de huidige bestuurlijke stand van zaken niet in dat het voorbeeldcharter van het decentrale model maar het beste integraal gevolgd kan worden. Uit het laatste ontwikkelingsplan van de vu blijkt duidelijk dat een aantal faculteiten nog niet ver gevorderd is met de planning voor de middellange termijn. Het college moet een faculteit zonder duidelijke visie op haar eigen toekomst niet in alles de vrije hand geven. Faculteitsbesturen, zelf immers samengesteld uit gelegenheidsbestuurders, kunnen de ervaring van het college en de competentie van de diensten best gebruiken.
Despoten We moeten ook niet denken dat het college het gemakkelijk zonder de UR kan stellen. Het college was tot voor kort vrijwel uitsluitend een verlengstuk van het ministerie van onderwijs. De
VU moet meer dan elders centraal bestuurd worden Egbert Boeker In het recente rapport Zelfstandig besturen van de commissie-Van der Zwan, waaraan ook onze collegevoorzitter Brinkman heeft meegewerkt, wordt gesteld dat het kenmerk van de universiteit de academische vrijheid is waarin de wetenschapper zijn werk beoefent. Dat vereist een inhoudelijke afscherming van zijn werk in faculteit en vakgroep en een bestuurlijke organisatie die de omstandigheden schept waarin de wetenschap kan bloeien. In het rapport wordt wel gesproken over grenzen aan de academische vrijheid, maar er wordt niet diep ingegaan op de kenmerken van die vrijheid en evenmin op de manier waarop inhoudelijke belangentegenstellingen binnen vakgroepen of faculteiten moeten worden opgelost. Vandaar dat er nogal afstandelijk wordt gesproken over de keuze tussen centraal en decentraal bestuur. Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat vernieuwingen als 'vanzelf uit de vakgroepen naar boven komen - kennelijk via meerderheidsbesluiten. Er wordt weinig of geen aandacht geschonken aan de noodzaak tot het steunen van initiatieven waarin per vakgroep slechts enkele wetenschappers zijn geïnteresseerd en die daarom nooit hoog op de prionteitenlijst van de vakgroep zullen
komen te staan. Het kunnen echter wel zaken zijn die vanuit een hoger belang alle aandacht verdienen. Als voorbeeld kan men wat betreft de vu denken aan het instituut voor milieuvraagstukken, waaraan voor enkele jaren extra onderzoeksformatie is toegekend. Dit was alleen mogelijk door centraal ingrijpen en zou nooit door faculteitsraden uit de eigen formatie zijn afgezonderd. Iets dergelijks geldt voor activiteiten van het bezinningscentrum en voor het instituut voor ethiek. Deze acties, die ik graag steun, laten zien dat centrale beleidsruimte nodig is als men de vu als geheel wil profileren. In het rapport-Van der Zwan wordt terecht gepleit voor een bestuurlijke organisatie die per universiteit verschillend kan worden ingevuld. De vu zal daarvan moeten gebruik maken door een zekere centrale sturing in haar charter op te nemen. Als men overigens in de tabellen van de commissie kijkt, zit de vu op de schaal centraal-decentraal reeds aan de centrale kant. De noodzaak tot misschien meer centrale sturing dan elders is te illustreren met het verschijnsel dat de vu als kleine universiteit toch een groot aantal faculteiten en vakgroepen kent. Er zijn bijvoorbeeld vijf bèta-faculteiten, waar diverse grotere universiteiten er slechts V e r V o
o p
p a g i n a
11
universiteiten worden de laatste jaren echter steeds meer eikaars concurrenten en de derde-geldstroomactiviteiten nemen toe. Naast 'ambtenaar van het ministerie in de buitendienst' moeten de collegeleden ook 'ondernemer' worden en dat laatste is nieuw. De UR kan daarbij, zoals in het verleden gebleken is, stimuleren. Enkele voorbeelden. De owpfractie drong ruim een half jaar voordat de slag om de onderzoekscholen begon aan op het stimuleren van de profilering in de faculteiten. Het college vond dat toen niet nodig: besturen op afstand, eigen verantwoordelijkheid van de faculteiten enzovoort. Een paar maanden later ging het gelukkig wel aan de slag. Ook heeft mijn fractie gepleit voor het verruimen van de financiële mogelijkheden uit de centrale middelen voor groepen die in onderzoekscholen zullen participeren. Maanden later kwam het college met de aanpassing van de criteria voor het trekken uit het universitaire onderzoeksfonds. Nu laat het college weer een kans liggen om naar aanleiMonique Hartings :De universiteit anno 1992 mag zich niet meer alleen bezighouden met het geven van onderwijs en het doen van onderzoek. Een derde taak is toegevoegd: zij moet de markt op, op zoek naar geldbronnen. Om deze taak goed te kunnen vervullen, moet de structuur van de universiteit worden aangepast. Een commissie onder voorzitterschap van prof. A. van der Zwan stelt voor de universiteiten in de toekomst zelf te laten kiezen: centraal of decentraal bestuur. Om dit mogelijk te maken wil de commissie de wetgeving aanpassen. De gedetailleerde wetgeving die nu op de universiteiten van toepassing is, zou niet m overeenstemming zijn met de diversiteit van de universiteiten. Deze conclusie is niet juist. Ook binnen de huidige wetgeving worden de universiteiten op verschillende manieren bestuurd. Dat blijkt ook uit een onderzoekje dat de commissie heeft laten uitvoeren bij de universiteiten van Twente, Utrecht en Limburg. Hoewel zij allen binnen de wet blijven, wordt de Rijksuniversiteit Limburg veel centraler bestuurd dan de andere twee. Ondanks deze uitkomst vindt de commissie het nodig dat iedere universiteit haar eigen charter instelt.
Gevolgen De commissie gaat niet in op de gevolgen van het instellen van charters voor de samenwerkingsverbanden tussen verschillende universiteiten. Maar voor bijvoorbeeld de op te starten onderzoekscholen - hèt voorbeeld van een samenwerkingsverband - is het nu juist
ding van de rede van minister Andriessen tijdens de opening van het academisch jaar de contacten met het ministene van economische zaken te versterken. Kortom, de UR stimuleert het college en zorgt er door zijn kritische houding voor dat de collegeleden niet als 'verlichte despoten' eigenzinnig hun weg gaan. Ze weten doodeenvoudig niet altijd alles het beste. Mede door de URinbreng wordt de vu behoorlijk goed bestuurd. Het spanningsveld UR-coUege beïnvloedt de bestuurskwaliteit in positieve zin.
Vrijheid Betekent dit nu dat alles bij het oude moet blijven? Nee. Wat slecht is, gelet op de hoofdtaken van de vu, moet verbeterd worden, maar wat goed is moeten we behouden. Het algemeen vu-belang zal moeten uitmaken of UR-leden (zonder gebondenheid met faculteit of dienst) wel direct gekozen moeten worden, zoals nu het geval is. Zou het voor de vu beter zijn dat de faculteitsraden UR-leden kiezen of benoemen? Dat kan
Foto Bram de Hollander
een nummeriek sterkere inbreng ten gunste van onderwijs- en onderzoeksdeskundigheid bij de beleidsbepaling in de raad tot gevolg hebben. Daar ben ik voor. Anderzijds ligt het gevaar van facultaire belangenbehartiging op universitair niveau op de loer. Een tweede punt: moet de vu de centrale kwaliteitsbeoordeling handhaven of alleen koersen op de facultaire beoordelingen? Ik neig naar het eerste. Een derde punt: zou de UR slechts een controle- en autorisatieorgaan moeten worden dat achteraf de middelenverdeling door het college goedkeurt en de rest van het beleid globaal beoordeelt? Wie zou een bestuurder zoveel vrijheid willen toestaan? Openheid van bestuur en democratische inbreng bij de beleidsvorming zijn waardevolle zaken. Openbare beleidsverantwoording bevat impliciet een kwaliteitsgarantie. Niemand wil toch publiekelijk afgaan? Controle en autorisatie achteraf door de door de UR zouden een verslechtering zijn ten opzichte van de huidige situatie. Wanneer de minister het rapport-Van der Zwan met de universiteiten gaat bespreken, zal de raad naar mijn verwachting graag met het college in discussie gaan. Dr J A van Leuvensteijn is voorzitter van de personeelsfractie owp in de universiteitsraad
Charters geen oplossing voor universitair bestuur belangrijk dat het duidelijk is wie bepaalt waar het geld heengaat en waar de toekomstplannen worden gemaakt. Charters maken de situatie per universiteit verschillend en dus ondoorzichtig. De commissie beschrijft twee typen bestuursvorm: de centrale en de decentrale. Het idee achter de centrale bestuursvorm komt in grote lijnen overeen met het idee achter de huidige bestuursstructuur. Het grootste verschil is de samenstelling van de universiteitsraad (UR). Het belangrijkste bezwaar tegen deze bestuursvorm is dat de UR een andere functie knjgt. De UR zal namelijk door de faculteiten worden gekozen en niet meer door de verschillende geledingen (studenten, wetenschappelijk personeel en ondersteunend- en beheerspersoneel). UR-leden zullen de belangen van de eigen faculteit zo goed mogelijk behartigen. Ieder lid zal proberen voor zijn of haar faculteit zoveel mogelijk 'binnen te halen'. Nu is de UR een afspiegeling van de hele universiteit (faculteiten èn diensten). Als meebestuurder houdt zij het algemeen belang van de universiteit in het oog.
Een ander bezwaar tegen deze URvertegenwoordiging is dat de medezeggenschap van studenten in gevaar komt. In de 'nieuwe UR' zullen de faculteitsraden de UR-leden kiezen. Studenten zijn in faculteitsraden echter vaak ver in de minderheid! Bij de decentrale bestuursvorm worden de verantwoordelijkheden meer gedelegeerd naar de faculteiten. De commissie-Van der Zwan denkt met deze vorm de trend voor de toekomst aan te geven. Een trend die aan de Vrije Universiteit al duidelijk zichtbaar is, ondersteund door de kreet: voorwaardelijke autonomie van de faculteiten. De decentrale bestuursvorm gaat verder dan deze voorwaardelijke autonomie en geeft een gevaarlijke ontwikkeling aan.
Het gevolg van decentraal bestuur is dat iedere faculteit zijn eigen boontjes moet doppen. Hierdoor zullen alleen de grote faculteiten overblijven; voor kleinere faculteiten betekent deze vorm de doodsklap. Doordat iedere faculteit alleen voor zichzelf verantwoordelijk is, zullen de grote faculteiten niet meer zoals nu het geval is - de kleine financieren. Bovendien heeft een universiteit is deze optiek geen eigen identiteit: er is nog slechts sprake van de identiteit van een faculteit. Wetenschappers van andere faculteiten zullen geen waarde toevoegen. Een dergelijk decentraal bestuur zal leiden tot verdere aftakeling van de universiteit. Tot slot de procedure die de commissie voor ogen heeft voor het instellen van V e r V o
g
a p p a , g i n a
11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 19 augustus 1991
Ad Valvas | 614 Pagina's